The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Gospel Library General Conference
Conferences
April 2000
Geloof, toewijding en dankbaarheid

Geloof, toewijding en dankbaarheid

Ouderling David B. Haight
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Ik hoop dat we dankbaar zijn voor de kennis, het getuigenis en de gevoelens die wij hebben.

Ouderling David B. Haight

Iets meer dan twee jaar geleden kondigde president Gordon B. Hinckley aan dat dit gebouw voltooid zou worden in het jaar 2000, waarop hij zich tot mij wendde en zei: 'David, ik verwacht van jou dat jij erbij bent.'

President, ik ben er. En ik hoop dat als hij zegt dat we nog een jaar of zo nodig hebben, dat hij wil dat ik erbij ben -- ik hoop dat hij dat zegt, want ik zal zijn instructies opvolgen.

Het is een plezier om hier bij u te zijn en tot u te getuigen in dit fijne, historische centrum. Ik heb genoten van president Hinckley's verhaal over de walnotenboom waarvan dit spreekgestoelte gemaakt is. In de Tabernakel had het spreekgestoelte een rood lampje en een oranje lampje om te zorgen dat de spreker zich aan de hem toegewezen tijd hield. Worden we echter ouder, dan is ons gezichtsvermogen niet meer zo goed als het eens was. Het oranje lampje ging na een tijdje branden, en als je daar niet op lette, dan begon het rode lampje te knipperen. Toen het lampje pas was geïnstalleerd, zei broeder LeGrand Richards: 'Iemand heeft hier een gek lampje gemaakt. Ik leg mijn hand er wel overheen.' Er zit hier geen lampje, dus ik weet niet wanneer ik klaar ben met mijn toespraak.

Wat is het een vreugde om hier bij u allen te zijn. Ik kijk naar de grote aantallen aanwezigen en denk aan ons begin, ons uiterst bescheiden begin -- denkt u maar eens aan Peter Whitmers blokhut in Fayette (New York). Als ik het goed heb, dan waren de afmetingen ongeveer zes bij negen meter. Boven waren er twee kleine slaapkamers. Daar woonde het gezin van Peter Whitmer. Er waren geen sanitaire voorzieningen in de woning. Er was buiten een put, en verder was er alleen een open haard om te koken en de woning te verwarmen, maar in dat bescheiden gebouwtje is 170 jaar geleden de kerk gesticht. Stelt u zich dat eens voor.

De profeet Joseph Smith had een openbaring ontvangen met instructies aangaande de oprichting van de kerk. En in dat bescheiden hutje werd niet alleen de kerk gesticht, maar werd bovendien de vertaling van het Boek van Mormon afgemaakt in een van die slaapkamers boven, die de profeet Joseph Smith en Oliver Cowdery ter beschikking was gesteld. En in dat kleine boerderijtje werden de eerste ouderlingen van de kerk geordend, namelijk toen de profeet Joseph Oliver Cowdery ordende en Oliver vervolgens de profeet Joseph Smith ordende. En in dat boerderijtje werd na de oprichting van de kerk de eerste avondmaalsdienst gehouden. Stelt u zich dat eens voor. De zusters namen brood en wat druivensap mee voor dat eerste avondmaal. Dat was het bescheiden begin van wat wij hier vandaag zien.

Zitten wij hier, en kijken wij naar de vele aanwezigen, dan is het opwindend om te denken aan onze toekomst en om het bescheiden pioniersbegin te overpeinzen. In 1820 verschenen, in antwoord op het ootmoedig gebed van de profeet Joseph, God de Vader en zijn Zoon aan die jongen van veertien, waarmee zij een begin maakten aan dit werk, de herstelling van het evangelie.

Denk eens aan 1830 -- de bijeenkomst in dat blokhutje, dat een tijdlang de hoofdzetel van de kerk was. Denkt u zich eens een dergelijke historische, maar hemelse bijeenkomst in dat eenvoudige hutje van zes bij negen meter in. In het verslag daarvan lezen we ook iets over Peter Whitmers vrouw, Mary. Mary Whitmer stond die zondagochtend eerder op en ging naar de woonkamer, waar mensen op de grond sliepen, onder zelfgemaakte quilts. Ze waren met paard en wagen gekomen -- het waren vrienden en andere mensen die hadden gehoord wat er op 6 april zou gebeuren. Er waren waarschijnlijk ongeveer vijftig mensen aanwezig voor die bijeenkomst.

Na dat uiterst bescheiden begin, zijn wij hier vandaag bijeen. We willen alleen maar zeggen: 'Halleluja! Dank zij de Heer voor alles wat er is voorgevallen.' Nu ik hier sta, krijg ik woorden ingegeven van geloof, toewijding en dankbaarheid -- het geloof van de mensen en het geloof waar wij blijk van geven door hier vandaag te zijn; en ons hart is vervuld met dankbaarheid voor wat er is gebeurd en wat nog in het verschiet ligt.

Ik ben zeer dankbaar dat ik in staat ben om hier te zijn, voor mijn voorouders, voor mijn vrouw, Ruby, voor onze kinderen, en al onze kleinkinderen. Onze familie heeft een traditie ingesteld dat wij op deze dag, waar we ook wonen, voor de tv staan als we thuis zijn, of in ons kerkgebouw of het Conferentiecentrum, en onze rechterhand opsteken om de functionarissen van de kerk steun te verlenen, met name onze hedendaagse profeet. In gedachten zag ik vandaag onze eigen nakomelingen in Brussel, Londen, Virginia, North Carolina, Texas en Californië hun rechterhand opsteken, leren hoe ze dat moeten doen, leren dat het in de kerk belangrijk is om de leiders steun te verlenen.

Mijn hart is vervuld van dankbaarheid voor deze dag, voor de openbaringen die aan de profeet Joseph Smith gegeven zijn, voor alles wat hij heeft gedaan om de herstelling op gang te brengen, en voor de openbaringen die nodig waren om dit werk te ontvouwen, regel op regel en voorschrift op voorschrift. Denk eens aan het moeilijke begin dat wij hadden -- dat uiterst bescheiden begin -- en kijk dan eens naar ons, in deze tijd.

Hij ontving de openbaring die nu afdeling 1 in de Leer en Verbonden is, waarin de Heer beloofde dat Joseph Smith en anderen de macht en het gezag zouden ontvangen om de kerk 'uit het verborgene en uit duisternis te voorschijn te brengen' (LV 1:30). Denk eens aan wat er gebeurd is onder de geïnspireerde leiding van president Hinckley: het Joseph Smith Memorial Building dat wij hebben, het behouden van dat geweldige oude gebouw dat eens het Hotel Utah was, en dat nu een prachtig gebouw is; we hebben dat zien voortkomen uit de inspiratie die president Hinckley gekregen heeft. En denk eens aan dit gebouw, aan wat hij ons vandaag heeft uitgelegd over de inspiratie die hij daarover gekregen heeft. En daarom hoop ik dat ieder van ons die hier vandaag vergaderd is een dankbaar hart heeft vanwege de kennis, het getuigenis en de gevoelens die wij hebben, dat dit nog maar het begin is. Dit is slechts een hoofdstuk in de ontvouwing van dit werk.

Als we denken aan dat bescheiden begin in Fayette (New York), als we denken aan wat daar sindsdien heeft plaatsgevonden, en wat er in ons eigen leven en dat van onze voorouders is gebeurd, dan hoop ik dat wij allen die dankbaarheid hebben en een verlangen willen hebben om dat door te geven aan ons nageslacht, alsmede de kennis en het getuigenis dat wij hebben dat dit werk waar is. Ik hoop dat we dankbaar zijn voor de eeuwige zegeningen die wij kunnen ontvangen bij het aanschouwen van de uitbreiding van het aantal tempels over de hele wereld, en voor de zegening die de mensen daardoor krijgen.

Broeder Pace sprak net over de moeilijkheden die we in Ghana ondervinden, maar ik weet dat ze opgelost zullen worden. Ik heb op de campus van de universiteit in dat land onder een boom gestaan en Ghana toegewijd aan de verkondiging van het evangelie. Broeder Banyan Dadson, die vice-president van de universiteit was, en lid van de kerk is, stond daar uit te leggen aan de mensen hoe de inboorlingen in Ghana zich in dat deel van West-Afrika gevestigd hadden, wat een zegening het was geweest voor de plaatselijke stammen. Ik weet dat het probleem opgelost zal worden; dat zal slechts een hoofdstuk zijn in de ontvouwing van dit werk.

President Hinckley had het kort geleden over de schakels in zijn familieketen, en zei dat hij hoopte een sterke schakel in die keten te zijn, en dat zijn schakel sterk zou blijven. Hij vertelde dat hij op zijn eigen land geprobeerd had een boomstronk te verwijderen en dat daarbij de gebruikte ketting gebroken was. Hij ging naar de winkel om een nieuwe schakel te zoeken waarmee de ketting gemaakt kon worden, zodat ze de boomstronk eruit konden halen, wat uiteindelijk lukte. Hij zei dat hij dacht aan zijn eigen verantwoordelijkheid tegenover zijn nageslacht om een sterke schakel te blijven in die keten. (Zie 'Keep the Chain Unbroken', Brigham Young Magazine, voorjaar 2000, blz. 6.)

Ik hoop en bid dat wij allen het verlangen hebben om een sterke schakel in onze eigen familieketen te zijn, in ons nageslacht, zodat onze familieleden op een dusdanige manier bekend raken met de eeuwige zegeningen die deel uitmaken van het evangelie -- de zegeningen van de tempel en de eeuwigheid -- dat zij heel veel mensen ten goede zullen beïnvloeden. Zorg ervoor dat de schakels in uw keten sterk zijn, en dat u uw getuigenis en toewijding doorgeeft aan toekomstige generaties. De vele aanwezigen hier vandaag zijn slechts een hoofdstuk in wat er zal plaatsvinden in de verbreiding van dit werk over de hele wereld.

De Heiland verscheen na zijn opstanding op de oevers van het meer waar Petrus en de anderen weer waren gaan vissen. Hij riep ze, vroeg of ze al wat hadden gevangen, maar dat was niet het geval. Hij zei dat ze hun netten aan de andere kant moesten uitwerpen. U herinnert zich dat verhaal beslist.

Ze haalden netten vol vis binnen. En toen ze op de oever gingen zitten, vroeg de Heiland aan Petrus: 'Hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?'[De spreker leest deze bijbeltekst als volgt: 'meer dan deze' -- red.], wijzend op de kostbare vissen die in de netten lagen te spartelen. 'Hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?'

En Petrus zegt: 'Ja Here, Gij weet dat ik U liefheb.'

Toen zei Hij: 'Weid mijn lammeren.' Toen vroeg Hij Petrus een tweede en derde keer, en gaf de opdracht: 'Hoed mijn schapen.' (. . .) 'Weid mijn schapen' (zie Johannes 21:15­17).

Mogen wij dat getuigenis en dat verlangen in ons hart hebben om anderen iets te leren, iets uit te leggen over wat wij geloven; en een rechtschapen leven te leiden en een voorbeeld te zijn voor onze medemensen, zodat we dit werk niet alleen zullen verbreiden door onze woorden, maar ook door onze daden, door onze levenswijze, door de manier waarop we de kerk vertegenwoordigen, en door het voorbeeld dat wij voor de mensen zijn.

Ik weet dat God leeft, dat Hij onze Vader is -- Hij houdt van ons allemaal -- en dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, en dat Zij werkelijk bestaan, dat Zij leven. Dat getuig ik, en ik spreek hierbij mijn liefde voor u uit, en geef u dit getuigenis, in de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy