The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Gospel Library General Conference
Conferences
April 2000
Uw eeuwige vaart

Uw eeuwige vaart

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

Laten wij denken aan onze roeping, laten wij nadenken over onze taken, laten wij vaststellen wat onze plicht is, en laten wij Jezus Christus, onze Heer, volgen.

President Thomas S. Monson

Wat ik mij nog levendig kan herinner is de tijd dat ik als pasgeordende diaken de priesterschapsvergadering bijwoonde en de openingslofzang meezong: 'Komt, alle zonen Gods, met 't priesterschap gezegend.'1 Vanavond wil ik voor deze volle zaal in het Conferentiecentrum, en in kerkgebouwen over de hele wereld, de geest weergeven van die bijzondere lofzang en tot u zeggen: Komt, alle zonen Gods, met 't priesterschap gezegend, laten wij denken aan onze roeping, laten wij nadenken over onze taken, laten wij vaststellen wat onze plicht is, en laten wij Jezus Christus, onze Heer, volgen.

Ook al verschillen we in leeftijd, gewoontes en nationaliteit, toch zijn wij één in onze priesterschapsroeping.

Als dragers van het priesterschap zijn wij in een moeilijke tijd op aarde geplaatst. Wij leven in een gecompliceerde wereld, waarin overal conflicten zijn. Politieke intriges vernietigen de stabiliteit van landen, potentaten grijpen naar de macht, en delen van onze samenleving lijken voor altijd vertrapt, ontdaan van mogelijkheden en achtergelaten met een gevoel van mislukking.

Wij die tot het priesterschap van God geordend zijn, kunnen iets goeds tot stand brengen. Als we in aanmerking komen voor de hulp van de Heer, kunnen we jongens van stavast maken. We kunnen mannen verbeteren. We kunnen wonderen tot stand brengen in zijn heilige dienst. Onze mogelijkheden zijn onbeperkt.

Hoewel de opdracht enorm lijkt, worden wij gesterkt door deze waarheid: 'De grootste kracht in deze wereld, is de macht van God die door de mens zijn uitwerking heeft.' Als wij in dienst van de Heer zijn, hebben wij recht op zijn hulp. Die goddelijke hulp krijgen we echter uitsluitend als we ervoor in aanmerking komen. Om de zeeën van het sterfelijk leven veilig te bevaren, om een reddingsoperatie onder de mensheid uit te voeren, hebben we de leiding van die eeuwige zeevaarder, de grote Jehova, nodig. Wij strekken onze hand uit, en omhoog, om hemelse hulp te ontvangen.

Zijn onze uitgestrekte handen wel rein? Is ons hart, dat vol verlangen is, wel rein? Als wij naar de geschiedenis kijken, leren wij een les uit de woorden van de stervende koning Darius. 'Darius was, volgens de juiste riten, erkend als de rechtmatige koning van Egypte. Zijn rivaal, Alexander de Grote, was erkend als de rechtmatige zoon van Ammon. Ook hij was farao. Toen Alexander zag dat de verslagen Darius op sterven lag, legde hij zijn handen op Darius' hoofd, gebood hem op te staan en zijn koninklijke macht weer op zich te nemen, en zei tot slot: "Ik zweer u bij alle goden, Darius, dat ik dit oprecht en zonder bedrog doe." [Darius] vermaande hem mild: "Alexander, jongen (. . .) denk je nu echt dat je met die handen van je de hemel kunt raken?"2

Er is een inspirerende les te leren uit een artikel uit de serie 'Viewpoint' dat enige tijd geleden in Church News is verschenen. Ik citeer:

'Voor sommigen lijkt het vreemd om schepen uit vele landen te zien die in de havens van Portland (Oregon) geladen en gelost worden. Die stad ligt 150 kilometer landinwaarts. Om daar te komen, moet men een moeilijke, vaak turbulente vaart maken over de zandbanken bij de monding van de Columbia, en vervolgens een lange reis over de Columbia en de Willamette.

'Maar kapiteins van schepen leggen graag aan in Portland. Zij weten dat als ze met hun schip over de oceaan varen, een merkwaardig zoutwater-schelpdier, baard genaamd, zich vastplakt aan de romp, en daar de rest van zijn leven blijft, waarbij hij zich omringt met een steenachtige schelp. Hoe meer baarden zich aan de romp vastplakken, hoe meer ze het schip ophouden, de snelheid verminderen en het rendement verlagen.

'Af en toe moet het schip een droogdok in, waar de baarden met grote moeite worden weggeschraapt of gebeiteld. Dat is een moeizaam, duur proces, dat het schip dagenlang ophoudt.

'Maar niet als de kapitein erin slaagt met zijn schip naar Portland te varen. Baarden kunnen niet in zoet water leven. Daar, in het zoete, verse water van de Willamette of de Columbia, laten de baarden los en vallen ze eraf; de baarden die blijven zitten kunnen makkelijk verwijderd worden. Aldus kan het schip lichter en verfrist verder varen.

'Zonden zijn net als die baarden. Bijna niemand kan door het leven gaan zonder er enkele op te pikken. Zij maken onze vooruitgang langzamer en verminderen onze doeltreffendheid. Bekeren we ons er niet van, en worden het er steeds meer, dan kunnen ze ons uiteindelijk tot zinken brengen.

'In zijn oneindige liefde en genade, heeft onze Heer ons een haven gegeven waar de baarden er, door bekering, afvallen en vergeten worden. Is onze ziel eenmaal lichter en hernieuwd, dan kunnen we doeltreffend verder gaan met ons werk en het zijne.'3

De priesterschap stelt een machtig leger van rechtschapenheid voor -- een koninklijk leger. We worden geleid door een profeet van God, namelijk president Gordon B. Hinckley. Het opperbevel is in handen van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Onze bevelen zijn duidelijk. Ze zijn bondig. Matteüs beschrijft onze opdracht in deze woorden van de Meester:

'Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.'4

'Zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte.'5

De oproep om te dienen heeft het werk van de Heer altijd gekenmerkt. Die oproep komt echter zelden gelegen. Hij leidt tot nederigheid, nodigt uit tot gebed en inspireert tot toewijding. De oproep kwam -- naar Kirtland. Er volgden openbaringen. De oproep kwam -- naar Missouri. Daar heerste vervolging. De oproep kwam -- naar Nauvoo. Er stierven profeten. De oproep kwam -- naar de vallei van het Grote Zoutmeer. Ontbering lonkte.

Die lange reis, onder zulke moeilijke omstandigheden gemaakt, was een beproeving van het geloof. Maar geloof dat gesmeed wordt in het vuur van beproeving, wordt gekenmerkt door vertrouwen en getuigenis. Alleen God kan de opofferingen tellen; alleen Hij kan het verdriet meten; alleen Hij kan het hart kennen van hen die Hem dienen -- zowel toen als nu.

Lessen uit het verleden kunnen ons geheugen stimuleren, ons leven beroeren en ons gedrag beïnvloeden. 'Daarom (. . .) hebt gij opdracht van de Heer; en wat gij ook doet volgens de wil des Heren, is de zaak des Heren.'6

Velen in deze grote groep priesterschapsdragers zijn dragers van het Aäronisch priesterschap -- diakenen, leraren en priesters. Jongemannen, sommige levenslessen leer je van je ouders, terwijl je andere op school of in de kerk leert. Er zijn echter bepaalde momenten waarop je weet dat onze hemelse Vader je onderricht geeft en je zijn leerling bent. Onze gedachten en onze gevoelens -- zelfs de daden in onze jeugd -- kunnen een eeuwige invloed op ons leven hebben.

Toen ik diaken was, hield ik veel van honkbal. Daar houd ik trouwens nog steeds van. Ik had een honkbalhandschoen met de inscriptie Mel Ott. Hij was de sterspeler in mijn tijd. Mijn vrienden en ik honkbalden altijd in een steeg achter de huizen. Ons speelveld was klein, maar goed genoeg, als je de bal tenminste rechtuit sloeg. Als je de bal echter naar rechts sloeg, dan was er onheil op komst. Daar woonde mevrouw Shinas, die vanuit haar keukenraam naar ons keek; en zodra de bal op haar veranda kwam, pakte haar grote hond de bal en gaf die aan haar zodra ze de deur opendeed. Dan liep ze weer naar binnen en legde de bal bij de vele andere die ze in beslag had genomen. Zij was onze vijand, de bederver van ons plezier -- zelfs de last van ons leven. Niemand van ons had een goed woord voor mevrouw Shinas, maar we hadden wel veel slechte woorden voor haar. Niemand van ons sprak tegen haar, en zij zei nooit iets tegen ons. Ze had een stijf been waardoor ze slecht kon lopen en waardoor ze waarschijnlijk veel pijn had. Zij en haar man hadden geen kinderen, leefden afgezonderd en kwamen bijna nooit het huis uit.

Deze privé-oorlog ging geruime tijd door -- ongeveer twee jaar -- en toen smolt een geïnspireerde dooi het winterijs en bracht een voorjaar vol goede gevoelens voort.

Toen ik op een avond het gras stond te sproeien, wat mijn taak was, en met de tuinslang in mijn handen stond, zag ik dat het gras van mevrouw Shinas droog was en bruin begon te worden. Ik weet echt niet wat me overkwam, maar ik nam wat extra tijd en sproeide met onze slang haar gras. Dat deed ik de hele zomer door, en toen het herfst werd, harkte ik alle bladeren uit haar voortuin, en uit de onze, en legde ze in grote hopen op de stoep zodat ze verbrand of verzameld konden worden. Die hele zomer heb ik mevrouw Shinas niet meer gezien. Wij hadden al lang niet meer in de steeg gehonkbald. We hadden geen ballen meer en geen geld om nieuwe te kopen.

Op een avond ging de voordeur van mevrouw Shinas open, en ze vroeg me over het hek te springen en naar haar veranda te komen. Dat deed ik. Toen ik naar haar toeliep, nodigde ze me in de huiskamer uit. Ze liet me in een lekkere stoel zitten. Ze gaf me koekjes en melk. Toen ging ze naar de keuken en kwam terug met een grote doos vol honkballen en softballen, die ze verscheidene seizoenen lang in beslag had genomen. Ze gaf de doos aan mij. De schat was echter niet in de doos, maar in haar woorden te vinden. Ik zag voor het eerst een glimlach op het gezicht van mevrouw Shinas, en ze zei: 'Tommy, ik wil je deze ballen geven en ik wil je bedanken dat je zo aardig voor me bent.' Ik bedankte haar en liep naar huis; ik was een betere jongen dan daarvoor. We waren geen vijanden meer. We hadden vriendschap gesloten. De 'gulden regel' had weer gezegevierd.

Vaders, bisschoppen, quorumadviseurs -- het is uw taak om deze generatie zendelingen voor te bereiden, om in het hart van deze diakenen, leraren en priesters niet alleen het bewustzijn van hun dienende taak aan te wakkeren, maar ook de visie van de kansen en de zegeningen die zij door een zendingsoproep zullen ontvangen. Het werk is veeleisend, maar de invloed is eeuwig. Dit is geen tijd voor 'vakantiekrachten' in het leger van de Heer.

Iedere zendeling die aan een heilige roeping gehoor geeft, is een dienstknecht van de Heer, wiens werk dit waarlijk is. Vrees niet, jongemannen, want Hij zal bij jullie zijn. Hij laat je nooit in de steek. Hij heeft beloofd: 'Ik zal voor uw aangezicht uitgaan. Ik zal aan uw rechterhand en aan uw linkerhand zijn, en mijn Geest zal in uw hart zijn, en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te bemoedigen.'7

Broeders, we hebben geen idee wanneer de kans om een helpende hand te bieden zich voor ons zal ontvouwen. De weg naar Jericho die een ieder van ons bewandelt heeft geen naam, en de vermoeide reiziger die onze hulp nodig heeft, kan een onbekende zijn. Over het algemeen geeft de ontvanger van een vriendelijke daad geen uiting aan zijn gevoelens, en wordt het enthousiasme en de liefde die ons motiveren om hetzelfde te doen, ons onthouden.

Tweeduizend jaar geleden zat Jezus van Nazaret bij de bron in Samaria en sprak met een vrouw die daar kwam:

'Jezus (. . .) zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven.'8

Als er iemand is die zich te zwak voelt om de koers van zijn leven te veranderen, of niet in staat is om het beter te doen, door de grootste van alle angsten, de angst om te kort te schieten, dan zijn er geen woorden die meer troost verlenen dan de woorden van de Heer: 'Mijn genade', zei Hij, 'is voldoende voor allen, die zich voor Mij vernederen; want indien zij zich voor Mij vernederen, en geloof in Mij hebben, zal Ik zwakke dingen sterk voor hen doen worden.'9

Door middel van nederig gebed, ijverige voorbereiding en getrouw dienstbetoon, kunnen we succesvol in onze heilige roeping zijn.

Weet u nog dat de kapiteins van de zeeschepen die door het gewicht van de baarden verzwaard werden, naar het zoete water van de Columbia en de Willamette voeren om van deze beletsels verlost te worden? Laten wij in ons leven en in onze dienst van God de baarden van twijfel, luiheid, angst en zonde verwijderen door het levende water van het evangelie van Jezus Christus geregeld te bevaren. Geloof, gebed, dienstbetoon, gehoorzaamheid en liefde -- om er maar een paar te noemen. De vuurtoren van de Heer Jezus Christus wijst de weg. Zijn licht zal ons naar de celestiale heerlijkheid leiden.

Moge wij verstandige zeevaarders zijn op zo'n zeereis. Laten we reine vaartuigen in de ogen van de Heer zijn. Laten we de noden van de weduwe herkennen en verlichten; het huilen van een kind; de positie van de werkeloze; de last van de zieken, de invaliden, de ouderen, de armen, de hongerigen, de lammen en de vergeten medemensen. Zij worden door onze hemelse Vader en zijn geliefde Zoon Jezus Christus niet vergeten. Moge u en ik hun goddelijke voorbeeld volgen. Dan zullen we hemelse zegeningen ontvangen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. 'Komt, alle zonen Gods', lofzang 202, tekst naar Thomas Davenport.
2. Geciteerd in Hugh Nibley, Abraham in Egypt (1981), blz. 192.
3. 'Harbor of Forgiveness', Church News, 30 januari 1988, blz. 16.
4. Matteüs 28:19­20.
5. Marcus 16:20.
6. LV 64:29.
7. LV 84:88.
8. Johannes 4:13­14.
9. Ether 12:27.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy