Ouderling Henry B. Eyring
van het Quorum der Twaalf Apostelen
De Heiland zal u de liefde laten voelen die Hij voelt voor de mensen die u dient. De roeping is een uitnodiging om net als Hij te worden.
Honderdduizenden mensen hebben zich het afgelopen jaar als lid van de kerk laten dopen en bevestigen. Ze hebben allemaal een roeping gekregen. Voor hen en voor de kerk zal die ervaring de toekomst bepalen. Velen van ons herinneren ons nog de eerste keer dat we een toespraak hielden, een bijeenkomst leidden of als officiële bezoeker bij iemand aanbelden. Mijn hart begint wat sneller te kloppen nu ik er aan terugdenk.
De nieuwe leden zijn misschien een aantal dagen of weken na hun doop geroepen. Sommigen hadden nog nooit iemand zien doen wat er nu van hen verwacht werd. Daar we geen betaalde geestelijken hebben, gold de uitdaging van een roeping niet alleen de nieuwe leden. In het afgelopen jaar hebben naar schatting bijna twee miljoen heiligen der laatste dagen een nieuwe roeping als herder ontvangen, of nieuwe schapen onder hun hoede gekregen. Iets minder dan de helft hiervan waren jongeren, sommigen slechts twaalf of dertien jaar oud. Er zijn in die tijd meer dan dertigduizend zendelingen geroepen en aangesteld. De meesten van hen waren jonger dan twintig jaar. Ze zijn met een korte opleiding en weinig ervaring op pad gestuurd.
Iemand die organisaties in de wereld kent, zou kunnen voorspellen dat een snelgroeiende kerk met zoveel nieuwe lekenbroeders en zusters, gedoemd is om te falen. Zelfs de mensen die zijn geroepen, maken zich misschien wel ongerust. En toch, als ze de uitdaging met geloof aanschouwen, wordt angst door vertrouwen vervangen, omdat ze zich tot God wenden.
Mijn toespraak is allereerst gericht tot de mensen die onlangs zijn geroepen, vervolgens tot de mensen die hen hebben geroepen en tenslotte tot de mensen voor wie zij verantwoordelijk zijn.
Allereerst zeg ik tot de pasgeroepenen: Vertrouwen is afhankelijk van de manier waarop u uw roeping beschouwt. Uw roeping is niet van de mens afkomstig. Het is een opdracht van God. En die dienst is niet eenvoudigweg het uitvoeren van een taak. Wat voor naam er ook aan gegeven wordt, iedere roeping is een kans en een plicht om over de kinderen van onze hemelse Vader te waken en hen te sterken. De opdracht van de Heiland is om de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van de mens tot stand te brengen (zie Mozes 1:39). Hij heeft ons geroepen om anderen te dienen zodat we ons en hun geloof kunnen versterken. Hij weet dat we Hem beter zullen leren kennen als we Hem dienen.
Een geïnspireerde profeet beschouwde dienstbetoon als de manier om hetzelfde te willen als de Heer. Hij schreef: 'Want hoe kent iemand de Meester, die hij niet heeft gediend, en die voor hem een vreemdeling is, en verre is van de gedachten en voornemens van zijn hart?' (Mosiah 5:13.)
Omdat u door Jezus Christus bent geroepen, kunt u met veel vertrouwen voorwaarts gaan. Ten eerste kunt u ervan verzekerd zijn dat Hij u en uw vermogen om te groeien kent. Hij heeft u voorbereid. Een roeping vergt veel van u, vaak in het begin en altijd in de loop der tijd, maar Hij zal u de Heilige Geest als metgezel geven. De Heilige Geest zal u vertellen wat u moet doen als uw eigen vermogen en inspanningen niet voldoende zijn (zie Johannes 14:26). De Heilige Geest zal u influisteren om met overtuiging uw getuigenis te geven. De Heiland zal u de liefde laten voelen die Hij voelt voor de mensen die u dient. De roeping is een uitnodiging om net als Hij te worden (zie 3 Nephi 27:27).
U kunt zich afvragen: 'In hoeverre zal ik door een dergelijk inzicht in mijn roeping meer vertrouwen op succes hebben?' Het antwoord is dat als u uw roeping op die verheven manier beschouwd, u te rade zult gaan bij de enige bron die het nooit laat afweten.
Onlangs merkte ik dat een jongeman door zijn nieuwe roeping bijna van zijn stuk raakte. De Heer had zijn dienstknecht geïnspireerd om hem als ringpresident te roepen. De jongeman was nog nooit bisschop geweest. Hij was nog nooit in een ringpresidium werkzaam geweest. In de ring woonden veel broeders met veel meer volwassenheid en ervaring.
Hij voelde zich erg nederig toen hij geroepen werd. Zijn vrouw vroeg aan de dienstknecht van de Heer die hem riep: 'Weet u het zeker?' Haar man zei zachtjes dat hij zijn best zou doen. Zijn vrouw knikte dat zij hem zou steunen, terwijl de tranen over haar wangen rolden. Net zoals u in die omstandigheden gedaan zou hebben, wilde hij met zijn vader praten, die ver weg woonde. Hij belde hem die middag op. Zijn vader was heel zijn leven melkveehouder geweest. Hij had de jongen grootgebracht door hem koeien te laten melken en hem te laten zien dat hij altijd een praatje met de buren maakte om te vragen hoe het met ze ging. De volgende ochtend, tijdens zijn eerste toespraak als ringpresident, vertelde hij over het gesprek met zijn vader:
'Velen van u die mij kennen, weten dat ik een man van weinig woorden ben. Dat heb ik waarschijnlijk van mijn vader. Toen ik hem gisteren opbelde om hem te vertellen dat ik als ringpresident was geroepen, was zijn enige reactie: 'Nou, dan zul je heel wat moeten bidden." Dat was zijn raad voor mij. Wat voor betere raad had hij kunnen geven?'
Zijn vader had niets beters kunnen doen. En u begrijpt wel waarom. De Heer is zijn enige hoop op succes. De meeste hulp is van de Heilige Geest afkomstig. De dienstknechten van de Heer kunnen niet zonder die hulp. We kunnen de Heilige Geest uitsluitend als metgezel hebben als we erom smeken en als we ervoor in aanmerking komen. En we moeten veel bidden, met oprecht geloof in onze hemelse Vader, in zijn geliefde Zoon en in de Heilige Geest (zie LV 90:24; Geloofsartikelen 1:1).
Om het gezelschap van de Heilige Geest te kunnen ontvangen, moeten we van onze zonden zijn gereinigd (zie LV 50:29). Dat komt uitsluitend tot stand door voldoende geloof in Jezus Christus om ons te bekeren en voor vergeving in aanmerking te komen (zie LV 3:20). En vervolgens moeten we de zonde uit de weg gaan. Daar is geregeld en vurig gebed voor nodig (zie 3 Nephi 18:18).
'Dan zul je heel wat moeten bidden' is goed advies voor al Gods dienstknechten, nieuw of ervaren. Dat doen zijn verstandige dienstknechten. Ze bidden.
De discipelen van Jezus Christus merkten dat van Hem op tijdens zijn aardse leven. Hij was de Zoon van God. Hij was Jehova. En toch bad Hij vaak genoeg tot zijn hemelse Vader dat zijn discipelen zouden beseffen dat zij moesten leren bidden om zijn dienstknechten te kunnen zijn. Dus vroegen ze of Hij het hun wilde leren. U kent de Schrift:
'En het geschiedde, terwijl Hij ergens in gebed was, dat een van zijn discipelen, toen Hij ophield, tot Hem zeide: Here, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.
'Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zegt: Vader, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; (. . .) uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. (. . .)
'En vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven een ieder, die ons iets schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.' (Zie Lucas 11:12, 4; en Matteüs 6:913.)
We gebruiken die exacte woorden zelden als we bidden. Maar de woorden van dat gebed zijn een volmaakte samenvatting van wat een dienstknecht van de Heer vraagt om voor de belofte van de Heiland in aanmerking te komen: 'En wie u ook ontvangt, daar zal Ik eveneens zijn, want Ik zal voor uw aangezicht uitgaan.' Ik zal aan uw rechterhand en aan uw linkerhand zijn, en mijn Geest zal in uw hart zijn, en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te bemoedigen' (LV 84:88).
Beschouw dat gebed als norm voor dienstbetoon. Het gebed begint met eerbied voor onze hemelse Vader. Vervolgens spreekt de Heer over het koninkrijk en zijn komst. De dienstknecht met het getuigenis dat dit de ware kerk van Jezus Christus is, ervaart vreugde in de vooruitgang ervan en wil zijn of haar uiterste best doen om het op te bouwen.
De Heiland zelf was het voorbeeld van de norm vervat in de volgende woorden van het gebed: 'Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde' (Matteüs 6:10). Dat bad Hij ook tijdens zijn uiterste nood, toen Hij de verzoening voor alle mensen en de hele wereld tot stand bracht (zie Matteüs 26:42). De getrouwe dienstknecht bidt dat zelfs de kleinste opdracht volgens de wil van de Heer wordt uitgevoerd. Het is erg belangrijk om meer voor zijn succes dan voor ons eigen succes te werken en te bidden.
Daarna stelde de Heiland de norm voor persoonlijke zuiverheid: 'En vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven een ieder, die ons iets schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.' (Lucas 11:4 en Matteüs 6:13.) De kracht die we aan de mensen geven over wie wij waken, is van de Heiland afkomstig. Wij en zij moeten vergeven om vergeving van Hem te kunnen ontvangen (zie Matteüs 6:14). Wij en zij kunnen alleen maar hopen om rein te blijven met zijn bescherming en met onze innerlijke verandering die door zijn verzoening mogelijk wordt gemaakt. We hebben die verandering nodig om het voortdurende gezelschap van de Heilige Geest te kunnen hebben. Een dergelijke gave lijkt misschien te verheven of te ver weg voor ons en voor de mensen die wij dienen. Maar Samuël, een profeet van God, riep en zalfde een jongeman die Saul heette. 'Dan zal de Geest des Heren u aangrijpen; gij zult met hen in geestvervoering geraken en tot een ander mens worden' (1 Samuël 10:6).
Die belofte werd vervuld, en niet na vele jaren, maanden of zelfs dagen. Luister naar het verslag in 1 Samuël 10:
'Terwijl hij zich omkeerde om van Samuël weg te gaan, schonk God hem een ander hart.
'Toen zij daar te Gibea kwamen, zie, een schare profeten trad hem tegemoet; de Geest Gods greep hem aan en hij geraakte onder hen in geestvervoering' (1 Samuël 10:910).
Misschien werkt u vol vertrouwen in dienst van de Heer. De Heiland zal u leiden bij wat Hij u te doen heeft gegeven, hetzij tijdelijk als werker in de kerk, hetzij voor altijd als ouder. U kunt om de benodigde hulp bidden om het werk te kunnen doen en om te weten dat u die hulp zult ontvangen.
Nu wil ik graag iets zeggen tegen hen die mensen in de kerk hebben geroepen. Toen u dat deed, hebt u het vertrouwen van de Heer overgebracht. Maar Hij vertrouwt ook op u. Net als die leden zijn geroepen om over anderen te waken en hen te sterken, hebt u de plicht om over hen te waken en hen te sterken. Als u mensen hebt geroepen en hen niet hebt opgeleid, of er niet voor hebt gezorgd dat de opleiding voldoende was, is dat een teleurstelling voor hen en de Heer. Zelfs met die opleiding is de weg al moeilijk genoeg. Dat weet u, daarom moet u opletten en luisteren om erachter te komen wanneer zij uw hulp nodig hebben. U geeft hun net genoeg hulp om hun geloof te versterken in het feit dat de Heer over hen en hun leden waakt, en dat zij zich vol vertrouwen tot Hem kunnen richten. Om dat op de juiste wijze te kunnen doen, moet u zelf veel bidden, om leiding en voor hen.
Tenslotte wil ik iets zeggen tegen de mensen die werkzaam zijn onder hen die pas zijn geroepen. Onze kansen en plichten zijn hetzelfde als die van hen. Wij moeten waken en sterken. En wij krijgen bijna eindeloze kansen om dat te doen. Tijdens iedere bijeenkomst, les of activiteit is er wel iemand die op de grens van zijn of haar vaardigheden werkzaam is, misschien zelfs wel over die grens. Velen van ons hebben in dergelijke situaties de neiging om net als in de wereld snel op de zwakke punten te letten. Het is maar al te gemakkelijk om te denken: In de ware kerk van de Heer zijn onze kwaliteitseisen hoger.
We kunnen de Heer op verschillende manieren helpen om hen naar die eisen op te trekken. Een van die manieren is ons ongenoegen kenbaar maken. Ik heb gelukkig een andere, betere manier meegemaakt. Ik merkte zelf wel tijdens een toespraak, een les of een bijeenkomst als het niet erg goed ging. De meeste mensen voelen het wel als ze tekort schieten. Ik wist het maar al te goed als ik tekortschoot, want dan zag ik onder de aanwezigen wel eens mensen met gesloten ogen zitten. Ik heb mijzelf afgeleerd om niet geïrriteerd te zijn. En als ze hun ogen weer openden, glimlachten ze naar me, met een onmiskenbare, aanmoedigende blik. Het waren blikken die zo duidelijk als het gesproken woord zeiden: Ik weet dat de Heer je zal helpen en opbouwen. Ik heb voor je gebeden. Ik heb in bepaalde omstandigheden veel mensen dat zien doen. En dan werd ik verder dan de grenzen van mijn vaardigheden verheven. Dat kunt u ook doen als u mensen in hun werk ziet strijden. Er zijn veel gebeden voor nodig, maar u kunt waken en sterken, zelfs als uw enige roeping in de kerk op dit moment volgeling van Jezus Christus is, en uw enige hulpmiddelen het gebed, uw glimlach en uw aanmoedigingen zijn.
Ik zie een wonder in de kerk plaatsvinden. Ik zie het als ik naar bepaalde landen ga waar ik een tijdje niet ben geweest. De leden en de leiders zijn veranderd. Net als Alma heeft beloofd, is hun ziel verruimd en hun verstand verlicht (zie Alma 32:28, 34). Zij hebben elkaar in het geloof in de Heer Jezus Christus gediend. Hij heeft in antwoord op hun vurige gebed de Heilige Geest als metgezel gegeven. Door het feit dat zij getuigen, elkaar liefhebben, waken en helpen, heeft de Heer een wonder van groei in hun hart en in hun talenten als nederige zoons en dochters van God teweeggebracht.
Ik weet dat God de Vader leeft. Hij hoort en beantwoordt onze gebeden. Ik getuig dat zijn geliefde Zoon, Jezus Christus, Gordon B. Hinckley als zijn profeet en president heeft geroepen. Ik getuig dat de Heiland ons door middel van zijn bevoegde dienstknechten roept, en ons in ons werk steunt en verandert. In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.