The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Gospel Library General Conference
Conferences
Oktober 1999
Macht in het priesterschap

Macht in het priesterschap

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

Het priesterschap is niet zozeer een gave, maar een opdracht om te dienen, een voorrecht om op te bouwen, en een kans om anderen tot zegen te zijn.

President Thomas S. Monson

Broeders van de priesterschap, hier en wereldwijd vergaderd, ik voel me nederig door de opdracht die heb gekregen om u toe te spreken. Ik bid dat de Geest van de Heer bij me zal zijn.

Sommigen van u zijn diaken, anderen leraar of priester -- allemaal ambten in het Aäronisch priesterschap. Velen van u zijn ouderling, een van de zeventigen of hogepriester. Er wordt veel van ons verwacht.

In een proclamatie van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen, die op 6 april 1980 werd uitgegeven, werd de volgende verklaring van getuigenis en waarheid gegeven:

'Wij bevestigen plechtig dat De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen werkelijk de herstelling is van de kerk die was opgericht door Gods Zoon toen Hij tijdens zijn sterfelijk leven zijn werk op aarde organiseerde; dat deze zijn heilige naam draagt, de naam Jezus Christus; dat zij gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten; dat Hij de voornaamste hoeksteen is; dat haar priesterschap, zowel in de Aäronische als in de Melchizedekse orde werd hersteld onder de handen van hen die het vroeger bezaten, namelijk Johannes de Doper, wat betreft het Aäronisch, en Petrus, Jakobus en Johannes wat betreft het Melchizedeks priesterschap.'1

Op 6 oktober 1889 heeft president George Q. Cannon de volgende smeekbede uitgesproken:

'Ik wil de macht van het priesterschap sterker zien worden. ( . . . ) Ik wil deze kracht en macht verspreid zien onder alle priesterschapsdragers, van de top naar beneden, tot de jongste, nederigste diaken in de kerk. Iedere man moet streven naar de openbaringen van God, het licht van de hemel in zijn ziel en de kennis met betrekking tot zijn taken, wat betreft het deel van Gods werk waar hij in zijn priesterschap verantwoordelijk voor is.'2

De Heer zelf heeft gezegd wat onze taak is toen Hij, in de openbaring over het priesterschap, dringend verzocht: 'Laat daarom nu een ieder met zijn plicht bekend worden, en het ambt, waartoe hij is aangesteld, met alle ijver leren uitoefenen.'3

Broeders van de Aäronische priesterschap -- diaken, leraar of priester -- raak met uw plichten bekend. Broeders van de Melchizedekse priesterschap, raak met uw plichten bekend.

Een aantal jaren geleden, toen onze jongste zoon Clark bijna twaalf was, liepen hij en ik het bestuursgebouw van de kerk uit toen president Harold B. Lee ons begroette. Ik zei tegen president Lee dat Clark bijna twaalf was, waarop president Lee aan hem vroeg: 'Wat gebeurt er als je twaalf wordt?' Dat is een van die momenten waarop een vader bidt dat zijn zoon geïnspireerd zal worden om een gepast antwoord te geven. Zonder te aarzelen zei Clark tegen president Lee: 'Dan word ik tot diaken geordend.'

Dat was het antwoord waar president Lee op hoopte. Toen gaf hij onze zoon de volgende raad: 'Onthoud dat het een grote zegen is om het priesterschap te dragen.'

Ik hoop met heel mijn hart en ziel dat iedere jongeman die het priesterschap ontvangt, dat priesterschap zal eren, en trouw zal blijven aan het vertrouwen dat tijdens de ordening in hem wordt gesteld.

44 jaar geleden heb ik William J. Critchlow jr., toen president van de ring Ogden-Zuid tijdens de algemene priesterschapsbijeenkomst van de conferentie tot de broeders horen spreken. Hij vertelde een verhaal over vertrouwen, integriteit en plichtsgetrouwheid. Ik wil dat verhaal graag herhalen. De eenvoudige les ervan is net als vroeger ook nu van toepassing.

Rupert stond aan de kant van de weg en keek naar het ongebruikelijke aantal mensen dat haastig voorbijkwam. Uiteindelijk herkende hij een vriend. 'Waar gaan jullie allemaal zo gehaast naar toe?' vroeg hij.

De vriend zei even niets. Toen vroeg hij: 'Heb je het dan niet gehoord?'

'Ik heb helemaal niets gehoord', antwoordde Rupert.

Zijn vriend zei: 'De koning is zijn koninklijke smaragd kwijt. Gisteren ging hij naar een adellijke bruiloft en droeg hij zijn smaragd aan de dunne gouden ketting om zijn nek. Op de een of andere manier is de smaragd van de ketting afgevallen. Iedereen is ernaar op zoek, want de koning heeft een beloning uitgeloofd. Kom, we moeten ons haasten.'

'Maar ik kan niet weggaan zonder het eerst aan mijn oma te vragen', stamelde Rupert.

'Daar kan ik niet op wachten. Ik wil die smaragd vinden', zei zijn vriend.

Rupert rende terug naar de hut aan de rand van het bos om toestemming aan zijn grootmoeder te vragen. 'Als ik de smaragd vind, hoeven we niet meer in deze vochtige hut te wonen, en kunnen we een stuk land op de heuvel kopen', smeekte hij zijn grootmoeder.

Maar zijn grootmoeder schudde haar hoofd. 'Wat moeten de schapen dan?' vroeg ze. 'Ze zijn al onrustig in het hok, ze willen naar buiten. Vergeet ze niet naar het water te brengen als de zon hoog in de lucht staat.'

Bedroefd nam Rupert de schapen mee naar buiten, en rond het middaguur leidde hij ze naar de beek in het bos. Hij zat op een grote steen bij de beek. 'Had ik maar de kans gehad om naar de smaragd van de koning te zoeken', dacht hij. Hij keek naar beneden, naar de zanderige bodem van de beek. Wat is dat? Dat kon toch niet waar zijn? Hij sprong in het water en pakte met zijn vingers iets groens op. Er zat een deel van een gouden ketting aan. 'De smaragd van de koning!' riep hij uit. 'De smaragd is vast van de ketting afgebroken toen de koning te paard over de brug van de beek galoppeerde. En door de stroom is de smaragd hier terecht gekomen.'

Met glinsterende ogen rende Rupert naar zijn grootmoeder om haar het goede nieuws te vertellen. 'God zegene je, mijn jongen,' zei ze, 'maar je had de smaragd nooit gevonden als je niet je taak als schaapherder had volbracht.' En Rupert wist dat dat waar was.4

De les die uit dit verhaal geleerd kan worden, staat ook in een bekend couplet: 'Doe uw plicht, doe uw best. Laat dan aan de Heer de rest.'

Als iemand zich te zwak voelt om de opwaartse of neerwaartse koers van zijn leven te veranderen, als iemand door de angst om te falen niet in staat is om verbeteringen aan te brengen, is er geen verzekering die meer troost biedt dan de volgende woorden van de Heer: 'Mijn genade is voldoende voor allen, die zich voor Mij vernederen; want indien zij zich voor Mij vernederen, en geloof in Mij hebben, zal Ik zwakke dingen sterk voor hen doen worden.'5

Er gebeuren overal wonderen als roepingen in het priesterschap groot worden gemaakt. Als twijfel door geloof wordt vervangen, als onzelfzuchtig dienstbetoon zelfzuchtige wedijver verdrijft, zal de macht van God zijn doel verwezenlijken.

Het priesterschap is niet zozeer een gave, maar een opdracht om te dienen, een voorrecht om op te bouwen, en een kans om anderen tot zegen te zijn.

Broeders, als we verantwoordelijk voor de jongemannen van de Aäronische priesterschap zijn, moeten we hun niet alleen de kans geven om te leren, maar moeten we een goed voorbeeld zijn dat zij kunnen nastreven.

De dragers van het Melchizedeks priesterschap zijn altijd in de gelegenheid om hun roeping groot te maken. Wij zijn herders die over Israël waken. De hongerige schapen slaan de ogen op, bereidwillig om het brood des levens te ontvangen. Zijn wij voorbereid om de kudde van God te voeden? Het is belangrijk om de waarde van een menselijke ziel te erkennen, zodat we nooit een van zijn kostbare zoons zullen opgeven.

Ik wil graag een brief van een jongeman voorlezen waaruit de geest van liefde en een sterk getuigenis van het evangelie blijkt:

'Geachte president Monson:

'Ik wil u graag bedanken omdat u op de National Scouting Jamboree in Ft. A.P. Hill (Virginia) tot ons hebt gesproken. Op onze tocht hebben we veel beroemde plaatsen bezocht, zoals Niagara Falls, het vrijheidsbeeld, de vrijheidsklok enzovoorts. Maar de plek waar ik het meest van heb genoten was het heilige bos. Onze ouders hadden ons allemaal een brief geschreven die we voor onszelf in het bos moesten lezen. Nadat ik de brief van mijn ouders had gelezen, knielde ik in gebed neer. Ik vroeg of de kerk echt waar was en of Joseph Smith echt een visioen had gehad en een profeet van God was. Ook vroeg ik of president Hinckley een profeet van God is. Vlak nadat ik had gebeden kreeg ik een sterk gevoel van de geest dat deze dingen inderdaad waar waren. Ik had al eerder over deze zaken gebeden, maar ik had nog nooit zo'n krachtig antwoord ontvangen. Ik kan op geen enkele wijze ontkennen dat de kerk waar is en dat president Hinckley een profeet van God is.'

'Ik voel me zo gezegend dat ik lid van deze kerk ben. Nogmaals hartelijk bedankt dat u de Jamboree hebt bijgewoond.

'Met vriendelijke groeten,

'Chad D. Olson

'PS. We hebben onze gids en de buschauffeur een exemplaar van het Boek van Mormon met ons getuigenis erin gegeven. Ze zijn geweldig! Ik wil een zendeling zijn.'

Net als Joseph Smith was deze jongeman naar een heilig bos gegaan om te bidden en antwoord op de vragen in zijn gedachten te krijgen. Nogmaals werd een gebed beantwoord en een bevestiging van de waarheid verkregen.

Er zijn veel minder-actieve leden die wanhopig in de wildernis ronddolen of in het moeras van zonden zijn terechtgekomen. Een van die leden heeft het volgende geschreven:

'Ik ben bang om alleen te zijn. Het evangelie is nooit uit mijn hart verdwenen, maar wel uit mijn leven. Ik wil u vragen voor mij te bidden. Ik zou al gelukkig zijn als ik de kruimels mocht opeten die van de tafel van het minste lid van de kerk vallen, omdat die persoon meer heeft dan ik. Ik dacht altijd dat functies belangrijk in de kerk waren, maar nu besef ik dat ik het al die tijd bij het verkeerde eind had. Het gaat om lidmaatschap, de macht van het priesterschap, vaderschap en dienstbetoon. Ik weet waar de kerk is, maar soms denk ik dat ik iemand nodig heb die me de weg wijst, me aanmoedigt, mijn angst wegneemt en tot mij getuigt. Ik dacht dat de kerk was afgedwaald, terwijl ik juist de afgedwaalde was.'

De oproep tot dienstbetoon komt vanzelf als wij, die het priesterschap dragen, gehoor geven aan de opdrachten die we krijgen. President George Albert Smith, die bescheiden maar effectieve leider, heeft gezegd: 'Het is allereerst uw plicht om erachter te komen wat de Heer van u verwacht. En vervolgens moet u door de macht en de kracht van uw heilig priesterschap uw roeping in de aanwezigheid van uw vrienden zodanig grootmaken dat zij u graag willen volgen.'6

Wat betekent het om onze roeping groot te maken? Het betekent onze roeping opbouwen in waardigheid en belangrijkheid, er eerbaarheid en prijzenswaardigheid in de ogen van alle mensen aan geven, de roeping vergroten en versterken om het licht van de hemel ten behoeve van anderen erdoor te laten schijnen. En hoe maken we onze roeping dan groot? Eenvoudigweg door het werk te verrichten dat van ons verlangd wordt. Een ouderling maakt zijn roeping groot door te leren wat zijn taken zijn en die taken dan uit te voeren. En wat voor een ouderling geldt, geldt ook voor een diaken, een leraar, een priester, een bisschop en alle andere priesterschapsdragers.

Zoals we weten was Paulus, die als Saulus bekend stond, onderweg naar Damascus om de christenen te vervolgen. Toen hij dicht bij de stad Damascus kwam, werd hij omgeven door een helder licht. Hij viel verstomd ter aarde en hoorde een stem: 'Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?' En Saulus vroeg: 'Wie zijt Gij, Here?' En de stem antwoordde: 'Ik ben Jezus.'

De boetvaardige Saulus vroeg aan de Heer wat hij moest doen. Met het antwoord van de Heer veranderde Saulus van de vervolger in de bekeerder, en begon hij aan zijn grote zending.7

Broeders, het gaat om de werken -- niet om de dromen -- waardoor anderen worden gezegend en geleid, en waardoor zielen worden gered. 'Weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden', zei Jakobus.8

Ik hoop dat iedereen die deze priesterschapsbijeenkomst vanavond bijwoont, zich opnieuw zal inspannen om in aanmerking te komen voor de leiding van de Heer in zijn leven. Er zijn veel mensen die om hulp smeken en bidden. Er zijn mensen die ontmoedigd zijn, mensen die een slechte gezondheid hebben of andere problemen in het leven hebben waardoor ze wanhopig zijn.

Ik heb altijd in de waarheid van de volgende woorden geloofd: 'Gods grootste zegeningen worden door zijn dienstknechten hier op aarde verstrekt.'9 Laten we gewillige en reine handen hebben om te kunnen voorzien in wat onze hemelse Vader voor anderen in petto heeft.

Ik wil graag met een voorbeeld uit mijn eigen leven afsluiten. Ik heb ooit een goede vriend gehad die meer problemen en frustraties in zijn leven scheen te hebben dan hij aankon. Uiteindelijk lag hij ongeneeslijk ziek in het ziekenhuis. Ik wist niet dat hij daar lag.

Mijn vrouw en ik waren in dat ziekenhuis om iemand anders te bezoeken die ernstig ziek was. Toen we het ziekenhuis uitkwamen en naar de parkeerplaats liepen, kreeg ik sterk het gevoel om terug naar binnen te gaan en te vragen of Hyrum Adams in dat ziekenhuis lag. Vele jaren daarvoor had ik al geleerd om dergelijke influisteringen van de Heer nooit te negeren. De receptionist zei dat Hyrum inderdaad in dat ziekenhuis lag.

We gingen naar zijn kamer, klopten op de deur en gingen naar binnen. We waren niet voorbereid op wat ons te wachten stond. Er hingen overal ballonnen. Op de muur hing een poster met de woorden 'Van harte gefeliciteerd'. Hyrum zat rechtop in zijn bed met zijn familieleden om zich heen. Toen hij ons zag zei hij: 'Broeder Monson, hoe wist u in vredesnaam dat ik vandaag jarig ben?' Ik glimlachte en liet de vraag onbeantwoord.

De broeders die het Melchizedeks priesterschap droegen, gingen om hem heen staan en gaven hem een priesterschapszegen.

Nadat er was gehuild, dankbaar geglimlacht en omhelsd, leunde ik over Hyrum heen en fluisterde: 'Hyrum, vergeet de woorden van de Heer niet, want daar zul je steun aan hebben. Hij heeft beloofd: "Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u."'10

Ik bid dat een ieder van ons altijd in dienst van de Heer zal zijn en daardoor in aanmerking zal komen voor de hulp van de Heer. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. 'Proclamation', Ensign, mei 1980, blz. 52.
2. Deseret Weekly, 2 november 1889, blz. 598.
3. LV 107:99.
4. Conference Report, oktober 1955, blz. 86.
5. Ether 12:27.
6. In Conference Report, april 1942.
7. Handelingen 9:3--6.
8. Jakobus 1:22.
9. Whitney Montgomery, 'Revelation', in Best-Loved Poems of the LDS People, bezorgd door Jack M. Lyon en anderen (1996), blz. 283.
10. Johannes 14:18.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy