The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Gospel Library General Conference
Conferences
Oktober 1999
Het beste van onszelf maken

Het beste van onszelf maken

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

[Als we op de Heer vertrouwen] zullen we gaan beseffen dat wij met zijn heilige werk bezig zijn geweest, dat zijn goddelijke doeleinden vervuld zijn, en dat wij deel hebben gehad aan die vervulling.

President Thomas S. Monson

Heel lang geleden, en heel ver weg, leerde Christus de menigten en zijn discipelen 'de weg en de waarheid en het leven'.1 Hij gaf raad met zijn heilige woorden. Hij was een voorbeeld voor ons door zijn voorbeeldige leven. Eens stelde de Heer iemand deze vraag: 'Hoedanig behoort gij dan te zijn ( . . . )?2

Tijdens zijn bediening in Amerika voegde Hij nog enkele interessante woorden toe toen Hij een soortgelijke vraag stelde: 'Welke soort mensen behoort gij daarom te zijn? Voorwaar zeg Ik u: Zoals Ik ben.'3

Tijdens zijn aardse bediening gaf de Meester aan hoe wij dienen te leven, hoe wij dienen te onderwijzen, hoe wij dienen te dienen, en wat wij moeten doen om het beste van onszelf te maken.

Een dergelijke les staat in het boek Johannes in de Bijbel: 'Filippus vond Natanaël en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret. En Natanaël zeide tot hem: Kan uit Nazaret iets goeds komen? Filippus zeide tot hem: Kom en zie. Jezus zag Natanaël tot Zich komen en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is!'4

Op onze reis door het sterfelijk leven krijgen wij door het advies van de apostel Paulus hemelse leiding: '( . . . ) al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat.' Toen kwam de slotopdracht:

'Wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.'5

In de zoektocht naar het beste wat we van onszelf kunnen maken, zullen verscheidene vragen onze gedachten leiden: Ben ik wat ik wil zijn? Ben ik dichter bij de Heiland dan gisteren? Kom ik morgen nog dichter bij Hem? Heb ik de moed om mijzelf te verbeteren?

Het is tijd om een vaak vergeten pad te kiezen, het pad dat we 'de gezinsmethode' zouden kunnen noemen, zodat onze kinderen en kleinkinderen echt hun volledige potentieel mogen bereiken. Er is een landelijke -- en zelfs internationale -- trend, momenteel. Het heeft het onuitgesproken motto: 'Zoek naar je wortels, kijk naar je familie, naar de lessen die zijn geleerd, de levens die zijn geleefd, de voorbeelden die zijn gegeven, zelfs de normen van de familie.' Vaak is het gewoon een kwestie van naar huis gaan -- thuis de zolder opgaan waar al lang niemand geweest is, kijken naar zelden gelezen dagboeken, of bijna vergeten fotoalbums.

De Schotse dichter James Barrie heeft geschreven: 'God heeft ons herinneringen gegeven opdat wij junirozen hebben in de decembermaand van ons leven.'6 Wat voor herinneringen hebben wij aan onze moeder? Onze vader? Grootouders? Familie? Vrienden?

Welke lessen hebben wij geleerd van onze vader? Jaren geleden vroeg een vader ouderling ElRay L. Christiansen welke naam hij zijn pas gekochte boot zou geven. Broeder Christiansen stelde voor: 'Waarom noemt u hem niet De sabbatsontheiliger?' Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige kapitein erover nagedacht heeft of zijn grote trots een sabbatsontheiliger of sabbatsheiliger zou zijn. Wat zijn beslissing ook was, het heeft ongetwijfeld een blijvende indruk gemaakt op zijn kinderen.

Een andere vader leerde een zoon een onvergetelijke les in gehoorzaamheid en gaf hem een goed voorbeeld in het heiligen van de sabbat. Ik hoorde hiervan bij de begrafenisdienst van een fijne algemene autoriteit, H. Verlan Andersen. Een van zijn zoons sprak een eerbetoon aan hem uit. Het is van toepassing op ons, waar wij ook zijn en wat wij ook doen. Het is een voorbeeld van persoonlijke ervaring.

De zoon van ouderling Andersen vertelde dat hij jaren daarvoor een bijzonder afspraakje op school had op een zaterdagavond. Hij leende de gezinsauto van zijn vader. Toen hij de autosleutels had gekregen en onderweg was naar de deur, zei zijn vader: 'De auto heeft wel wat meer benzine nodig voor morgen. Zorg ervoor dat je hem bijtankt.'

De zoon van ouderling Andersen vertelde dat hij een hele fijne avondactiviteit had. Er waren vrienden van hem, er waren verfrissingen, en iedereen had een fijne tijd. Maar in alle opwinding vergat hij de instructie van zijn vader uit te voeren om de auto bij te tanken voor hij naar huis ging.

De zondagochtend brak aan. Ouderling Andersen ontdekte dat de benzinemeter op leeg stond. De zoon zag zijn vader teruglopen naar het huis en de autosleutels op tafel leggen. Bij de Andersens was de sabbatdag een dag van aanbidding en dankzegging, en niet een dag voor aankopen.

De zoon van ouderling Andersen zei verder in zijn grafrede: 'Ik zag mijn vader zijn jas aandoen, ons gedag zeggen, en de lange weg naar de kerk afleggen om op tijd te komen voor een vroege vergadering.' De plicht riep. De waarheid werd niet ondergeschikt gemaakt aan het gemak.

Hij zei tot besluit van zijn grafrede: 'Geen zoon heeft ooit doeltreffender les gekregen van zijn vader dan ik bij die gelegenheid. Mijn vader kende niet alleen de waarheid -- hij leefde ernaar.'

Thuis vormen we onze houding, onze diepgewortelde overtuiging. Thuis groeit hoop, of wordt hij vernietigd.

Ons thuis moet meer zijn dan een heiligdom, het moet ook een plek zijn waar Gods Geest kan verblijven, waar de storm niet verder gaat dan de deur, waar liefde en vrede heerst.

Niet zo lang geleden schreef een jonge moeder mij: 'Soms vraag ik me af of ik wel een goede invloed heb op het leven van mijn kinderen. Vooral omdat ik er als alleenstaande moeder twee baantjes op na houd om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, kom ik soms thuis in een janboel, hoewel ik nooit de hoop opgeef.

'Mijn kinderen en ik keken naar een tv-uitzending van de algemene conferentie, en u had het over het gebed. Mijn zoon zei: "Moeder, dat hebt u ons al geleerd." En ik zei: "Hoe bedoel je dat?" En hij antwoordde: "Nou, je hebt ons leren bidden en hebt ons laten zien hoe dat moet, maar toen ik laatst je kamer in kwam om je iets te vragen, zag ik dat je op je knieën tot je hemelse Vader aan het bidden was. Als Hij belangrijk is voor jou, dan wordt Hij belangrijk voor mij."' Ze besloot de brief met: 'Het ziet ernaar uit dat je maar nooit weet wat voor invloed je hebt, tot een kind je iets zelf ziet doen wat je geprobeerd hebt hem te leren.' Wat een geweldige les leerde een kind van zijn moeder.

Als jongen deed ik een keer op moederdag een ontstellende ontdekking in de zondagsschool die mij altijd bij is gebleven. Melvin, een blinde broeder uit de wijk, die een getalenteerd zanger was, stond op met zijn gezicht naar de aanwezigen, alsof hij iedereen kon zien. Hij zong 'That Wonderful Mother of Mine'. De helder gloeiende sintels van de herinnering drongen de mensenharten binnen. Mannen pakten hun zakdoek en tranen welden in de ogen van vrouwen.

Wij, diakenen, gingen dan langs alle aanwezigen met een kleine geranium in een aardewerk potje voor elke moeder. Sommige moeders waren jong, andere van middelbare leeftijd, en sommige waren zo oud dat ze nog maar net in leven waren. Ik merkte dat elke moeder vriendelijke ogen had. De woorden van elke moeder waren: 'Dank je.' Ik voelde de geest van de uitspraak: 'Als iemand een ander een bloem geeft, blijft de geur van die bloem achter op de handen van de gever.' Ik heb die les nooit vergeten, en ik zal die ook nooit vergeten.

Sommige moeders, sommige vaders, sommige kinderen, sommige gezinnen worden geroepen om een zware last te dragen in dit sterfelijk leven. Zo'n gezin was de familie Borgstrom in het noorden van Utah. Het was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er waren hevige veldslagen aan de gang in diverse delen van de wereld.

Tragisch genoeg verloren de Borgstroms vier van hun vijf zonen die bij de strijdkrachten waren. Binnen zes maanden gaven alle vier die zonen hun leven -- allen in een ander deel van de wereld.

Na de oorlog werden de lichamen van de vier broers Borgstrom naar huis gebracht, naar Tremonton, en er was een passende dienst -- de Tabernakel in Garland (Utah) zat vol. Generaal Mark Clark woonde de dienst bij. Later sprak hij ontroerd het volgende: 'Op 26 juni vloog ik 's ochtends naar Garland, maakte kennis met de familie, onder meer met de moeder, de vader en de twee resterende zonen. ( . . . ) Een was een jongen in zijn tienerjaren. Ik had nog nooit een groep familieleden gezien die zo stoïsch waren.

'Toen de vier met vlaggen bedekte doodkisten voor ons op een rij stonden in de kerk, en ik bij de moedige ouders zat, was ik diep onder de indruk van hun begrip, hun geloof en hun trots op die geweldige zonen die het grootst mogelijke offer hadden gedaan voor beginselen die hun al sinds hun jeugd waren bijgebracht door edele ouders.

'Tijdens de lunch wendde mevrouw Borgstrom zich tot mij en zei met gedempte stem: "Neemt u mijn jongste ook?" Ik antwoordde fluisterend dat ik, zolang ik het commando voerde over het leger aan de westkust, mijn best zou doen om haar zoon, als hij werd opgeroepen, een taak in zijn vaderland te laten geven.

'Temidden van dit gefluisterde gesprek met de moeder, leunde de vader plotseling naar voren en zei tegen zijn vrouw: "Moeder, ik heb gehoord wat je met de generaal over onze jongste hebt besproken. Wij weten dat als en wanneer zijn land hem nodig heeft, hij zal gaan."

'Ik kon mijn emoties nauwelijks in bedwang houden. Dit waren ouders met vier zonen die dodelijk gewond waren in de strijd, en toch waren zij bereid om ook het laatste offer te doen als hun land dat eiste.'

Het is het evangelie van Jezus Christus dat op die onvergetelijke dag het gezin en het hart raakte.

De jaren zijn gekomen en gegaan, maar de noodzaak om een getuigenis van het evangelie te hebben, blijft van het grootste belang. Op onze weg naar de toekomst, moeten we de lessen uit het verleden niet vergeten. Onze hemelse Vader heeft zijn Zoon gegeven. De Zoon van God heeft zijn leven gegeven. Zij vragen ons om ons leven te geven, als het ware, in de goddelijke dienst aan Hen. Doet u dat? Doe ik het? Doen wij het? Er zijn lessen te geven, goede daden te doen, zielen te redden.

Laten wij de raad van koning Benjamin in gedachten houden: 'Wanneer gij in de dienst van uw naasten zijt, [zijt] gij louter in de dienst van uw God.'7 Strek uw hand uit om hen te redden die uw hulp nodig hebben. Breng ze naar de hogere weg en de betere manier. Zoals we in het jeugdwerk zingen: 'Leid mij, help mij, blijf dicht bij mij, vraag ik hun steeds weer, leer mij al wat ik moet doen dat ik tot Hem wederkeer.'8

Waar geloof is niet beperkt tot de kinderjaren, maar is van toepassing op iedereen. Zoals wij leren uit Spreuken: 'Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken.'9 Doen wij dat, dan zullen we gaan beseffen dat wij met zijn heilige werk bezig zijn geweest, dat zijn goddelijke doeleinden vervuld zijn, en dat wij deel hebben gehad aan die vervulling.

Ik wil die waarheid illustreren met een persoonlijke ervaring. Vele jaren geleden, toen ik bisschop was, had ik het gevoel dat ik langs moest gaan bij Augusta Schneider, een weduwe uit Elzas-Lotharingen die nauwelijks Engels sprak, hoewel ze vloeiend Frans en Duits sprak. Na die eerste ingeving bezocht ik haar jarenlang elke keer rond de Kerst. Een van die keren zei Augusta: 'Bisschop, ik wil u iets geven dat voor mij grote waarde heeft.' Ze ging toen naar een bijzonder plekje in haar bescheiden flat en haalde het geschenk. Het was een prachtig stuk vilt, zo'n 15 bij 20 centimeter groot, waarop ze liefdevol de medailles had gespeld die haar man gekregen had voor zijn verdiensten als lid van de Franse strijdkrachten in de Eerste Wereldoorlog. Ze zei: 'Ik wil u deze schat geven die mij zo dierbaar is.' Ik protesteerde beleefd en stelde voor dat ze het beter kon geven aan het een of andere familielid. 'Nee,' zei ze vastbesloten, 'dit geschenk is voor u, want u hebt de ziel van een Fransman.'

Kort nadat zij mij dat bijzondere geschenk had gegeven, verliet Augusta het sterfelijk leven en ging terug naar God, die haar het leven had gegeven. Af en toe vroeg ik me nog af wat ze bedoeld had met haar verklaring dat ik 'de ziel van een Fransman' had. Ik had niet het geringste idee wat dat betekende. En nu nog steeds niet.

Vele jaren later had ik het voorrecht om president Ezra Taft Benson te vergezellen naar de inwijding van de Frankfurt-tempel, waar Duitstalige, Franstalige en Nederlandstalige leden naar toe zouden gaan. Bij het pakken van de koffers had ik de ingeving om het geschenk met de medailles mee te nemen, zonder enig idee te hebben wat ik daar mee zou doen. Ik had ze al enkele jaren in mijn bezit.

Bij een Franstalige inwijdingsdienst was de tempel helemaal vol. Het zingen en de toespraken waren prachtig. Dankbaarheid voor Gods zegeningen doordrong elk hart. Ik zag in mijn notities voor het leiden van de dienst dat er ook leden uit Elzas-Lotharingen bij waren.

Toen ik zelf sprak, merkte ik dat de organist Schneider heette. Daarom vertelde ik het verhaal van mij en Augusta Schneider, stapte op het orgel af en gaf de organist de medailles, en de opdracht om, daar zijn naam Schneider was, zijn taak te vervullen en de naam Schneider te zoeken bij genealogische activiteiten. De Geest van de Heer bevestigde in ons hart dat dit een bijzondere gebeurtenis was. Broeder Schneider vond het moeilijk om de slotlofzang te spelen, zo ontroerd was hij door de Geest die wij daar in de tempel voelden.

Ik wist dat de dierbare gave -- ja, het penningske van de weduwe, want het was al wat Augusta Schneider bezat -- in handen gegeven was van iemand die ervoor zou zorgen dat velen met de ziel van een Fransman nu de zegeningen zouden ontvangen van de heilige tempel, zegeningen zowel voor de levenden als voor hen die het sterfelijk leven al hebben verlaten.

Ik getuig dat voor God alles mogelijk is. Hij is onze hemelse Vader. Zijn Zoon is onze Verlosser. Streven wij ernaar zijn waarheden te leren en ernaar te leven, dan zullen wij en anderen overvloedig gezegend worden.

Ik verklaar ernstig dat Gordon B. Hinckley een waar profeet is voor onze tijd en dat hij geleid wordt in het grote werk dat voortgaat onder zijn leiding.

Mogen wij altijd onthouden dat gehoorzaamheid aan Gods geboden de beloofde zegeningen geeft.

Moge ieder van ons ervoor in aanmerking komen om ze te ontvangen. Dat bid ik in de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Johannes 14:6.
2. 2 Petrus 3:11.
3. 3 Nephi 27:27.
4. Johannes 1:45­47.
5. Filippenzen 4:8­9.
6. Naar James Barrie, Peter's Quotations: Ideas for Our Time, bezorgd door Laurence J. Peter (1977), blz. 335.
7. Mosiah 2:17.
8. Naomi W. Randall, 'Ik ben een kind van God', lofzang 195.
8. Spreuken 3:5, 6.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy