The Christus statueDe Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen Zoeken | Feedback | Site Map | Help | Landensites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
april 2000
Als duiven op ons raamkozijn

Als duiven op ons raamkozijn

Ouderling Jeffrey R. Holland
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Mogen wij net zoveel doen met de zegeningen die ons gegeven zijn als [onze voorouders] hebben gedaan met het weinige dat zij hadden. Mogen wij in zo'n overvloed 'de Here [nooit] vergeten'.

Ouderling Jeffrey R. Holland

Ouderling Maxwell, wij danken onze Vader in de hemel voor de wonderbaarlijke verlenging van uw apostolisch werk. We zijn dankbaar dat u uw getuigenis ook in dit prachtige, nieuwe gebouw kunt geven. Wij houden van u en bidden voor u.

En president Hinckley, namens de bijna elf miljoen leden van deze kerk, danken wij de Heer voor het feit dat u uw werkzaamheden blijft voortzetten. Ik denk in het bijzonder terug aan de ceremonie van de eerstespadesteek voor dit gebouw die u bijna drie jaar geleden leidde. In zijn slotgebed vroeg president Boyd K. Packer om een veilige bouw, een mooi resultaat en toen nog een gunst uit de hemelen. Hij vroeg, president, dat het u vergund zou worden dit te zien, hier te presideren en hier uw getuigenis af te leggen. Wij danken de hemel voor u en voor het antwoord op dat gebed.

Dit zijn dagen die onze getrouwe en vooruitziende voorouders in de eerste jaren van de herstelling gezien hebben. Tijdens een algemene conferentie van de kerk in april 1844 keken de broeders terug op die eerste bijeenkomsten in 1830. Een van hen zei: 'We [spraken] over het koninkrijk van God alsof we de wereld tot onze beschikking hadden. We spraken vol vertrouwen over grote zaken, hoewel we maar met weinig waren. (. . .) We keken [en] we hadden, alsof we deze [bijeenkomst] niet zagen, een visie van de kerk van God die duizend maal zo groot was [dan toen], hoewel we [destijds] niet genoeg mannen hadden om een boerderij te runnen of een vrouw met een melkemmer te ontmoeten. (. . .) Alle leden [van de kerk] hielden conferentie in een kamer van 18 vierkante meter. (. . .) We spraken over (. . .) mensen die als duiven op een raamkozijn afkwamen; (. . .) dat [alle] volken zouden toestromen [naar de kerk]; (. . .) Als wij de mensen hadden verteld wat onze ogen die dag zagen, zouden ze ons niet geloofd hebben.1

Als zij dat voelden in dat doorslaggevende jaar 1844, juist voor de gewelddadige dood van Joseph Smith, wat moeten diezelfde broeders en zusters op een dag als deze zien vanuit hun eeuwig huis! En natuurlijk is dit het einde niet. We hebben nog zoveel te doen, zowel wat de kwaliteit als de kwantiteit van onze getrouwheid en ons werk betreft. George A. Smith, raadgever in het Eerste Presidium van Brigham Young, heeft eens, bij wijze van waarschuwing gezegd: 'We kunnen tempels bouwen, imposante gewelven, schitterende torenspitsen, en machtige torens ter ere van onze godsdienst, maar als we nalaten de beginselen van die godsdienst na te leven en God niet in alle onze gedachten erkennen, zullen we de zegeningen mislopen die we anders zeker zouden krijgen.'2 We moeten nederig en gewetensvol zijn. De eer en de heerlijkheid van al het goede komt God toe, en er ligt nog veel vóór ons wat louterend, zelfs moeilijk is, maar Hij leidt ons en geeft ons steeds meer kracht.

Bij dit alles zijn mijn gedachten uitgegaan naar die eerste heiligen die te vaak voor de geschiedenis verloren zijn gegaan, die het koninkrijk rustig en getrouw door veel moeilijker dagen hebben voortgestuwd. Zovelen lijken nu bijna anoniem voor ons. De meesten zijn naamloos begraven, meestal te vroeg. Enkelen hebben het gebracht tot enkele regels in de geschiedenis van de kerk, maar de meesten zijn gekomen en gegaan zonder een hoge functie en niet geprezen in de geschiedenis. Die mensen, onze voorouders, zijn net zo stilletjes en anoniem de eeuwigheid ingegleden als zij hun godsdienst naleefden. Dat zijn de stille heiligen over wie president J. Reuben Clark eens sprak toe hij hen allen bedankte, 'in het bijzonder', zei hij, 'de nederigsten en eenvoudigsten onder hen, [grotendeels] onbekend [en] vergeten, [behalve ] rond de haard van hun kinderen en kleinkinderen, die van generatie op generatie het verhaal van hun geloof doorgeven.'3

Of we nu allang lid of pas gedoopt zijn, allemaal hebben we profijt van zulke trouwe voorzaten. In dit prachtige, nieuwe gebouw waar deze historische conferentie gehouden wordt, heb ik gevoeld hoeveel ik verschuldigd ben aan degenen die zoveel minder hadden dan ik maar er in praktisch elk opzicht meer dan ik mee hebben gedaan om het koninkrijk op te bouwen.

Misschien is het in alle bedelingen wel zo geweest. Jezus heeft zijn discipelen er eens aan herinnerd dat zij oogstten van akkers waarop zij niet gewerkt hadden.4 Mozes zei eerder tegen zijn volk:

'De Here, uw God, [zal] u in het land [brengen] waarvan Hij uw vaderen (. . .) gezworen heeft (. . .) u te zullen geven grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt, huizen, vol met allerlei goederen, waarmee gij ze niet gevuld hebt; uitgehouwen bakken, die gij niet uitgehouwen hebt; wijngaarden en olijfbomen die gij niet geplant hebt.'5

Mijn gedachten gaan 167 jaar terug naar een paar vrouwen, oudere mannen en kinderen die konden werken, die achtergelaten waren om de bouw van de Kirtland-tempel voort te zetten terwijl zo goed als elke man die dat zou kunnen, een tocht van 1610 kilometer had ondernomen om de heiligen in Missouri te helpen. De verslagen geven aan dat echt letterlijk elke vrouw in Kirtland aan het breien en spinnen was om de mannen en jongens die aan de tempel werkten, te kleden. Ouderling Heber C. Kimball schreef: 'Alleen de Heer weet hoeveel armoede, rampspoed en leed we hebben doorstaan om [dit] tot stand te brengen.'

Er staat dat een van de leiders die het lijden en de armoede van de kerk zag, regelmatig, overdag en 's avonds de muren van het gebouw beklom en hardop huilde tot de Almachtige en riep om middelen waarmee ze het gebouw konden voltooien.6

Het werd er niet gemakkelijker op toen de heiligen naar het westen trokken en zich in deze dalen gingen vestigen. Als jongeman in de leeftijd van het jeugdwerk en het Aäronisch priesterschap ging ik naar de kerk in de mooie, oude St. George-tabernakel, waarvan de bouw in 1862 begonnen was. Gedurende langdradige preken hield ik mezelf bezig door rond te kijken en het geweldige vakmanschap te bewonderen van de pioniers die dat markante gebouw hadden neergezet. Wist u overigens dat er 184 druiventrossen zijn uitgesneden in deklijst van het plafond van dat gebouw? (Sommigen toespraken waren heel erg lang!) Maar het meest genoot ik ervan de ruiten te tellen, 2.244, omdat ik ben opgegroeid met het verhaal van Peter Nielsen, een van die onopgemerkte en nu vergeten heiligen over wie we het gehad hebben.

Tijdens de bouw van die tabernakel hadden de broeders het glas voor de ramen in New York besteld en het per schip rond de kaap naar Californië laten brengen. Maar er moest een rekening van achthonderd dollar betaald worden voordat de ramen opgehaald en naar St. George gebracht konden worden. Broeder David H. Cannon, die later de St. George-tempel presideerde die ook in die tijd gebouwd werd, kreeg de taak om het nodige geld in te zamelen. Na onverdroten pogingen waarbij de hele gemeenschap voor die twee monumentale gebouwen praktisch alles wat ze hadden gegeven had, hadden ze slechts tweehonderd dollar bij elkaar. Op grond van louter geloof gaf broeder Cannon niettemin een groep mannen opdracht zich klaar te maken om het glas in Californië te gaan ophalen. Hij bleef bidden dat het enorme bedrag van zeshonderd dollar toch op de een of andere manier vóór hun vertrek tevoorschijn zou komen.

In het nabijgelegen Washington woonde Peter Nielsen, een Deense immigrant die jaren had gespaard voor een aanbouw aan zijn bescheiden tweekamerwoning van steen. Op de avond vóór het vertrek van de mannen naar Californië had Peter een slapeloze nacht in dat huisje. Hij dacht aan zijn bekering in het verre Denemarken en zijn aansluiting bij de heiligen in Amerika daarna. Na aankomst in het westen had hij zich in Sanpete gevestigd en moeite gedaan om de kost te verdienen. Net toen het wat voorspoediger leek te gaan, gaf hij gehoor aan de oproep om op te breken en met de 'Cotton Mission' mee te gaan, om de aandoenlijke en verzwakte inspanningen van de met alkali bezoedelde, door malaria en overstromingen geplaagde kolonisten van Dixie [zuidelijk Utah] te versterken. Die avond dacht hij in bed na over zijn jaren in de kerk, woog hij de offers die van hem gevraagd waren af tegen de schitterende zegeningen die hij ontvangen had. Op een bepaald moment kwam hij tot een besluit.

Sommigen zeggen dat het een droom was, anderen noemen het een indruk, weer anderen een oproep om zijn plicht te doen. Hoe dan ook, Peter Nielsen stond op de dag dat de mannen naar Californië zouden vertrekken, voor zonsopgang op. Met slechts een kaars en het licht van het evangelie haalde Peter uit een geheime bergplaats zeshonderd dollar tevoorschijn in gouden munten van vijf, tien en twintig dollar. Zijn vrouw, Karen, die door die vroege bedrijvigheid gewekt was, vroeg waarom hij zo vroeg op was. Hij zei alleen dat hij snel de tien kilometer naar St. George moest lopen.

Toen het eerste licht van die ochtend op de prachtige rode rotsen van zuidelijk Utah viel, werd er op de deur van David H. Cannon geklopt. Daar stond Peter Nielsen, met in zijn uitgestoken hand een rode halsdoek die doorzakte onder het gewicht van wat erin zat. 'Goedemorgen, David', zei Peter, 'Hopelijk ben ik niet te laat. Jij zult wel weten wat je met dit geld moet doen.'

Daarop draaide hij zich om en liep terug naar Washington, terug naar een trouwe vrouw die niets vroeg, en terug naar een klein, stenen huis dat zolang als hij leefde nog steeds maar twee kamers had.7

Nog een verhaal van die eerste, trouwe bouwers van het hedendaagse Zion. John R. Moyle woonde in Alpine (Utah), hemelsbreed ongeveer 35 kilometer van de Salt Lake-tempel, waar hij tijdens de bouw hoofdopzichter was van de metselaars. Om te zorgen dat hij altijd om acht uur op zijn werk was, begon hij op maandagochtend om twee uur te lopen. Hij eindigde zijn werkweek op vrijdag om vijf uur 's middags en ging dan op weg naar huis, waar hij kort voor middernacht aankwam. Dat schema hield hij wekelijks aan zolang hij aan de tempel meewerkte.

Eens, tijdens een weekend thuis, sprong een koe tijdens het melken verschrikt opzij en schopte tegen het been van broeder Moyle, waarbij het bot net onder de knie verbrijzeld werd. Zonder betere medische hulp dan die zij daar op het platteland hadden, tilden familieleden en vrienden een deur van de scharnieren en bonden hem op die provisorische operatietafel. Toen namen zij de zaag waarmee ze takken van een boom hadden gezaagd en amputeerden zijn been een paar centimeter onder de knie. Toen het been eindelijk begon te genezen, wat, gezien de schijnbaar onvermijdelijke infectie, geen klein wonder was, nam broeder Moyle een stuk hout en maakte een kunstbeen. Eerst liep hij in het huis. Daarna liep hij de tuin rond. Uiteindelijk waagde hij zich buiten. Toen hij voelde dat hij de pijn kon verdragen, spalkte hij zijn been, liep hij de 35 kilometer naar de Salt Lake-tempel, beklom de steiger en met een beitel graveerde hij: 'De Here gewijd'.

Met het geloof van onze ouders dat nu overal zo duidelijk blijkt, sluit ik met de rest van de passage die ik aan het begin van mijn toespraak citeerde. Het lijkt vooral toepasselijk in de schitterende omstandigheden van deze tijd. Toen Mozes tegen die vroegere generatie had verteld over de zegeningen die zij genoten door de getrouwheid van degenen die hun voor waren gegaan, zei hij:

'Neem u er dan voor in acht, dat gij de Here niet vergeet, die u (. . .) geleid heeft. Gij zult geen andere goden achterna lopen, (. . .) de goden der volken rondom u, (. . .) gij zult doen wat recht en goed is in de ogen des Heren, opdat het u wél ga. (. . .) Want gij zijt een volk, dat de Here heilig is; ú heeft [Hij] (. . .) uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet omdat gij talrijker waart dan enig ander volk (. . .); veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Maar omdat [Hij] u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had. (. . .) Opdat gij zoudt weten, dat de Here, (. . .) uw God (. . .) is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden tot in duizend geslachten.'9

Wij zijn nog steeds begunstigden van die liefde van God en de getrouwheid van onze geestelijke en letterlijke voorouders van duizend generaties. Mogen wij net zoveel doen met de zegeningen die ons gegeven zijn als zij hebben gedaan met het weinige dat zij hadden. Mogen wij in zo'n overvloed 'de Here [nooit] vergeten' of 'andere goden achterna lopen' maar altijd 'een heilig volk voor de Heer' zijn. Als wij dat doen, zullen degenen die hongeren en dorsten naar het woord van de Heer en verlangen naar de begeleiding van vrienden die toegewijd zijn aan de waarheid, 'als duiven op ons raamkozijn' komen. Zij zullen naar vrede en groei en redding op zoek zijn. Als wij onze godsdienst in praktijk brengen, zullen ze dat vinden, en nog veel meer.

Wij zijn een gezegend volk. In deze wonderbaarlijke tijd voel ik een diepe dankbaarheid. Ik dank mijn Vader in de hemel voor ontelbare zegeningen, waarvan de voornaamste wel is de gave van zijn eniggeboren Zoon, Jezus van Nazaret, onze Heiland en Koning. Ik getuig dat het volmaakte leven van Christus en zijn offer uit liefde werkelijk een koninklijke losprijs zijn, een zoenoffer dat bereidwillig gebracht is, zodat wij niet alleen uit de gevangenis van de dood geleid worden, maar ook uit de gevangenissen van het verdriet en van de zonde en zelfgenoegzaamheid.

Ik weet dat Joseph Smith en Vader en de Zoon gezien heeft, en dat vandaag directe voortzetting van toen is. Ik ben veel verschuldigd vanwege de kostbare kennis waarvan ik hier getuig. Ik ben veel verschuldigd vanwege het kostbare erfgoed dat ik gekregen heb. Ik ben inderdaad alles verschuldigd, en ik beloof met de rest van mijn leven daaraan te voldoen -- in de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Times and Seasons, 1 mei 1844, blz. 522­523. Zie History of the Church, deel 6, blz. 288­289. Cursivering toegevoegd.
2. Deseret News Weekly, 17 juli 1872, blz. 348.
3. 'To Them of the Last Wagon', Ensign, juli 1997, blz. 35­36.
4. Zie Johannes 4:38.
5. Deuteronomium 6:10­11.
6. Zie The Life of Heber C. Kimball, blz. 67­68.
7. Zie Karl Larson, Red Hills of November, (1957), blz. 311­312.
8. Biographies and Reminiscences, James Henry Moyle Collection, The Archives of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, blz. 202­203. Zie ook Vaughn Featherstone, Man of Holiness (1998), blz. 140­141.
9. Deuteronomium 6:12,14, 18; 7: 6­9.

 
© 2009 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacybeleid