The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
april 2001
'Wie Mij eren, zal Ik eren'

'Wie Mij eren, zal Ik eren'

President James E. Faust
Tweede raadgever in het Eerste Presidium

Neem vier heilige beginselen in acht: eerbied voor de Godheid; respect en eerbied voor het gezin; eerbied voor en gehoorzaamheid aan de verordeningen en verbonden van het heilig priesterschap; respect voor jezelf als zoon van God.

President James E. Faust

Geliefde broeders, in deze grote, wereldwijde broeder schap van priesterschapsdragers sta ik nederig en met een gebed in mijn hart voor u. Tot u te spreken is een heilige en overweldigende taak. Ik wil graag dat u mij begrijpt. Ik hoop dat u allen de belofte van de Heer kunt opeisen: 'Wie Mij eren, zal Ik eren.'1

Ik erken alles wat door de dienstknechten van de Heer in voorgaande bedelingen is bereikt, maar ik ben van mening dat jullie, jongemannen die het priesterschap dragen en jongevrouwen van jullie leeftijd, in veel opzichten een veelbelovende generatie in de geschiedenis van de wereld zijn. Ik heb verschillende redenen voor die conclusie. Toen zuster Faust en ik de patriarchale zegens van onze kleinkinderen lazen, merkten we dat ze bijna zonder uitzondering meer beloofden dan de onze.

Als jullie je potentieel willen bereiken, moeten jullie vier heilige beginselen in acht nemen. Deze vier zijn:

1. Eerbied voor de Godheid.

2. Respect en eerbied voor het gezin.

3. Eerbied voor en gehoorzaamheid aan de verordeningen en verbonden van het heilig priesterschap.

4. Respect voor jezelf als zoon van God.

Vanavond wil ik graag over die vier grootse beginselen spreken.

Ten eerste: eerbied voor de Godheid. Ik ben dankbaar dat de Heer ons als volk met materiële zegeningen gezegend heeft, zoals nooit eerder in de geschiedenis van de kerk. Deze middelen zijn ons gegeven om goede werken te verrichten en ons werk op aarde te bespoedigen. Maar ik vrees dat velen van ons vanwege die voorspoed in beslag worden genomen door zaken die Daniël omschreef als goden 'van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien of horen of kennis hebben.'2 Dat zijn uiteraard afgoden.

Uit eerbied voor wat heilig is, zijn liefde en respect voor God belangrijker dan, en de basis van, al het andere. In de wereldgeschiedenis heeft de mensheid zich vaak aan afgoderij overgegeven, door aanbidding van afgoden of door het vergaren van wereldse rijkdom.

Na de opstanding van de Heiland bevonden Petrus en een aantal discipelen zich aan het meer van Tiberias. Petrus zei dat hij ging vissen. De discipelen zeiden dat ze met hem mee zouden gaan. Ze waren ogenschijnlijk vergeten dat ze als vissers van mensen waren geroepen. Ze visten de hele nacht, maar vingen niets. 's Ochtends zei Jezus dat ze hun netten aan de rechterzijde van de boot in het water moesten gooien. De netten zaten al snel vol met vissen. Jezus zei dat zij de gevangen vissen aan land moesten brengen. Petrus en de discipelen hadden 153 vissen gevangen. Toen ze aan wal kwamen, zagen ze dat er vis op een vuur bereid werd. De Heiland nodigde hen uit om vis en brood te eten. Toen ze hadden gegeten, zei Jezus tegen Simon Petrus: 'Hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?'3 Petrus was een hartstochtelijk visser. Vissen was zijn broodwinning, en de Heiland had hem geroepen om een visser van mensen te worden.

De vereiste dat wij de Heer meer moeten liefhebben dan vissen, bankrekeningen, auto's, kleding, aandelen, obligaties, spaarrekeningen of andere bezittingen, is volledig; zij is onvoorwaardelijk. Het eerste gebod aan de Israëlieten luidde: 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.'4 De Heiland heeft dit gebod uitgebreid toen Hij aan de schriftgeleerde uitlegde wat het grootste gebod was: 'Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.'5

Ik word vaak gekrenkt als ik mensen in het openbaar en op de televisie zo gemakkelijk het volgende gebod hoor overtreden: 'Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken.'6 In Leer en Verbonden 107 worden we eraan herinnerd dat 'om het te veelvuldig herhalen van zijn [heilige] naam te voorkomen'7 het heilig priesterschap genoemd werd naar de grote hogepriester Melchizedek. Eerbied en respect voor heilige zaken komen voort uit het eerste gebod: 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.'8

Wij, die het priesterschapsgezag hebben ontvangen om in de naam van de Heiland te handelen, moeten God de Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest boven alles respecteren.

Ten tweede: respect en eerbied in het gezin. Dit behoort te beginnen met eerbied voor de heilige liefde van de moeder. Alle moeders gaan door een dal van diepe duisternis als ze bevallen om ons het leven te geven. Mijn moeder is jaren geleden gestorven. Ik mis haar liefdevolle invloed in mijn leven. Ik mis haar algemene raad en berisping. Maar ik mis vooral haar onvoorwaardelijke liefde. Het verlangen om bij haar te zijn rust soms zwaar op mij. De meesten van ons kunnen net als Abraham Lincoln zeggen: 'Alles wat ik ben of hoop te worden, heb ik aan mijn lieve moeder te danken.'9 Mijn moeder kookte, naaide, verstelde en vernieuwde kleding. Ze ontzegde zich bepaalde zaken, zodat de beperkte hoeveelheid geld gebruikt kon worden om haar zoons meer kansen te geven dan zij ooit had gehad. Maar nog belangrijker was haar onwankelbare geloof dat ze diep in onze ziel wilde griffen.

Broeders, door edel vaderschap krijgen we een indruk van de goddelijke eigenschappen van onze Vader in de hemel. Er wordt veel van een vader verwacht. Hij moet zijn priesterschap grootmaken en een voorbeeld van rechtschapenheid zijn. Samen met zijn vrouw moet hij een bron van evenwicht en kracht in het gezin zijn. Hij is de beschermer, de kostwinner en verdediger van de gezinsleden. Zijn liefde voor de kinderen komt tot uitdrukking in zijn voorbeeld van liefde, zorg en trouw ten opzichte van hun moeder. Door zijn standvastige voorbeeld draagt hij bij aan de karaktervorming van zijn kinderen.

Toen ouderling LeGrand Richards uit huis ging om te studeren, zei zijn vader, George F. Richards, tegen hem en zijn broer, George F. jr.: 'Ik vertrouw erop dat jullie zullen doen wat ik zou doen.' Zij werden door zijn woorden vervuld met liefde en trots. LeGrand heeft later gezegd: 'Ze maakten grote indruk en we konden het niet over ons hart verkrijgen om hem teleur te stellen.'10

Een vader mag zijn vrouw of kinderen nooit bewust teleurstellen. In 1989 was er een verschrikkelijke aardbeving in Armenië, waarbij dertigduizend mensen binnen vier minuten om het leven kwamen. Een verontruste vader ging naarstig op zoek naar zijn zoon. Hij ging naar de school van zijn zoon en zag dat die volledig was ingestort. Maar hij werd gedreven door de belofte aan zijn zoon: 'Wat er ook gebeurt, ik zal altijd voor je klaarstaan!' Hij probeerde zich voor te stellen waar het klaslokaal van zijn zoon zich had bevonden, rende ernaartoe en begon steen voor steen in het puin te graven.

Andere mensen kwamen naar hem toe -- de brandweerofficier en toen de politie -- om hem te waarschuwen voor brand en explosies. Ze zeiden dat hij het zoeken aan de hulpverleners moest overlaten. Maar hij bleef onophoudelijk graven. Het werd avond, en toen de nacht voorbij was, meende hij in het 38ste uur de stem van zijn zoon te horen. 'Armand', riep hij uit. Toen hoorde hij: 'Papa, ik ben het! Ik heb tegen de andere kinderen gezegd dat ze zich geen zorgen hoeven te maken, dat als u nog leefde u mij zou komen redden, en hen dan uiteraard ook. (. . .)

Van de 33 kinderen zijn er nog 14 in leven (. . .) Toen het gebouw instortte, vormde er zich een wig, net als een drievoet. Daardoor zijn we gered.'

'Kom er gauw uit, jongen!'

'Nee, papa! Laat de andere kinderen er maar eerst uitkomen, want ik weet dat u mij er in ieder geval uit zult halen! Wat er ook gebeurt, ik weet dat u voor mij klaar zult staan!'11

Alle familierelaties moeten in ere worden gehouden, ook die met onze overleden verwanten. Er moet liefde, dienstbaarheid en hulpvaardigheid tussen broers, zussen en familieleden zijn.

Ten derde: eerbied voor en gehoorzaamheid aan de verordeningen en verbonden van het heilig priesterschap. Vroeger droegen degenen die aan priesterschapsverordeningen deelnamen priesterlijke kleding. Hoewel we tegenwoordig geen priesterlijke kleding meer dragen, tonen we respect door gepaste kleding te dragen als we het avondmaal bedienen of de zieken zalven.

De priester Eli werd van zijn taak ontheven omdat hij goddeloosheid in het huis des Heren toeliet. De Heer zei: 'Want wie Mij eren, zal Ik eren.'12 De grote macht en bevoegdheid van het priesterschap die aan ons zijn toevertrouwd, moeten worden uitgeoefend door hen die de bevoegdheid hebben ontvangen en hebben bewezen dat ze het waardig zijn. Alleen op deze manier kunnen onze handelingen door de Heilige Geest der belofte worden verzegeld en door de Heer aanvaard.13

Wij eren de Heer als we onze doopverbonden naleven, de avondmaalsverbonden, onze tempelverbonden en als we de sabbat heiligen. De Heer heeft gezegd: 'Allen onder hen, die weten, dat hun hart eerlijk en gebroken, en hun geest verslagen is, en gewillig zijn hun verbonden door opoffering na te komen -- ja, iedere opoffering, die Ik, de Here zal eisen -- worden door Mij aangenomen.'14

Ten vierde: Respect voor jezelf als zoon van God. Degenen onder ons die op zending zijn geweest, hebben het wonder zien plaatsvinden in het leven van mensen die we onderwezen hebben toen zij gingen beseffen dat zij een zoon of dochter van God zijn. Jaren geleden zei een zendeling die in Groot-Brittannië op zending was geweest: 'Ik denk dat mijn zending een mislukking is geweest. Ik heb mijn hele zending hard gewerkt en ik heb slechts één vies Iers jongetje gedoopt. Meer niet.'

Jaren later bezocht iemand hem thuis in Montana. De bezoeker vroeg: 'Bent u de zendeling die in 1873 in Groot-Brittannië werkzaam was?'

'Ja.'

Toen zei de man: 'Herinnert u zich nog dat u gezegd hebt dat uw zending een mislukking was omdat u slechts één vies Iers jongetje had gedoopt?'

Hij zei: 'Jazeker.'

De bezoeker stak zijn hand uit en zei: 'Ik wil u graag de hand schudden. Ik ben Charles A. Callis, lid van het Quorum der Twaalf Apostelen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Ik ben dat vieze Ierse jongetje dat u tijdens uw zending hebt gedoopt.'15

Dat Ierse jongetje had geleerd wat zijn potentieel als zoon van God was. Ouderling Callis liet een duurzaam erfgoed voor zijn grote familie achter. In zijn 25 jaar als zendingspresident en zijn 13 jaar als apostel is hij een zegen geweest voor letterlijk duizenden mensen. Ik vind het een voorrecht dat ik deze grote apostel van de Heer als jongeman heb mogen kennen.

Als wij ons voortdurend bewust zijn van de zaden van goddelijkheid in ons, zullen wij in staat zijn om onze aardse beproevingen en moeilijkheden te overwinnen. Brigham Young heeft gezegd: 'Als ik naar de gezichten kijk van de intelligente wezens, dan kijk ik naar het beeld van de God die ik dien. Er is er geen één onder hen die niet een zeker mate van goddelijkheid in zich heeft. We zijn bekleed met een lichaam dat naar Gods beeld is geschapen, maar dit sterfelijk lichaam is niets vergeleken bij dat stukje goddelijkheid dat we van onze Vader hebben geërfd.'16 Als jonge en oude mannen zich hun goddelijk erfgoed bewust zijn, zullen zij groeien en de goddelijkheid in eenieder van ons grootmaken.

Als wij door de Heer erkend willen worden en zijn goedheid, genade en eeuwige zegeningen willen ontvangen, moeten wij deze vier grote beginselen naleven.

1. Eerbied voor de Godheid.

2.Respect en eerbied in het gezin.

3.Eerbied voor en gehoorzaamheid aan de verordeningen en verbonden van het heilig priesterschap.

4.Respect voor jezelf als zoon van God.

Broeders, ik bid dat de Heer eenieder van ons zal zegenen in dit grote leger rechtschapen priesterschapsdragers. Individueel lijkt onze bijdrage misschien niet zo groot, maar volgens mij is de macht van het priesterschap die wij gezamenlijk dragen, de grootste goede macht op aarde. We zijn werkzaam onder de sleutels van het priesterschap die president Gordon B. Hinckley als presiderende hogepriester op aarde draagt. Ik bid dat wij zijn geïnspireerde leiding zullen gehoorzamen en zijn voorbeeld zullen volgen. Ik hoop dat deze opmerkelijke bediening nog vele jaren mag voortduren.

Broeders, als jongen en als man draag ik al 68 jaar de warme, vertroostende en geestelijke mantel van het heilig priesterschap. Ik kan niet in woorden uitdrukken welk een grote en prachtige invloed dit op mij en mijn gezin gehad heeft. Vaak heb ik niet aan alle vereisten voldaan. Maar in mijn zwakheid wilde ik toch graag zijn goddelijke zegen verdienen. Zolang ik leef, wil ik getuigen van het wonder en de heerlijkheid van het herstelde evangelie, met de bijbehorende sleutels en bevoegdheid van het priesterschap. Mogen wij de belofte 'Wie Mij eren, zal Ik eren' waardig zijn, in de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. 1 Samuël 2:30.
2. Daniël 5:23.
3. Zie Johannes 21:1–15.
4. Exodus 20:3.
5. Marcus 12:30.
6. Exodus 20:7.
7. LV 107:4.
8. Exodus 20:3.
9. Geciteerd in Burton Stevenson, The Home of Quotations, zesde editie (1934), blz. 1350.
10. Lucille C. Tate, LeGrand Richards: Beloved Apostle, (1982), blz. 28.
11. Mark V. Hansen, 'Are You Going to Help Me?', Chicken Soup for the Soul, onder redactie van Jack Canfield en Mark Victor Hansen (1993), blz. 273–274.
12. 1 Samuël 2:30.
13. Zie LV 132:7.
14. LV 97:8.
15. The Teachings of Harold B. Lee, samengesteld door Clyde J. Williams (1996), blz. 602–603.
16. Discourses of Brigham Young, samengesteld door John A. Widtsoe (1941), blz. 168.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy