The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
april 2001
De reddende hand

De reddende hand

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

'Broeders, de wereld heeft uw hulp nodig. We moeten voeten in evenwicht brengen, handen beetpakken, geesten aanmoedigen, harten inspireren en zielen redden.'

President Thomas S. Monson

Ik heb de overweldigende en nederige taak om u vanavond toe te spreken -- priesterschapsdragers van God, die in het Conferentiecentrum en over de hele wereld bij elkaar zijn gekomen.

Sommigen van u zijn diaken, misschien zelfs pas geordend. Anderen zijn hogepriester en zijn lang en trouw in heilige roepingen werkzaam geweest. We zijn allemaal bij elkaar gekomen om beter met onze plicht bekend te worden.

Broeders, de wereld heeft uw hulp nodig. We moeten voeten in evenwicht brengen, handen beetpakken, geesten aanmoedigen, harten inspireren en zielen redden. Er liggen eeuwige zegeningen op ons te wachten. U hebt het voorrecht om geen toeschouwer te zijn, maar deelnemer op het toneel van hulpverlening door de priesterschap.

President Wilford Woodruff heeft gezegd: 'Alle priesterschapsorganisaties hebben macht. De diaken heeft macht door het priesterschap dat hij draagt. En dat geldt ook voor de leraar. Zij hebben de macht om de Heer aan te spreken en antwoord op hun gebeden te ontvangen, net als de profeet. (. . .) Door dit priesterschap krijgen de mensen verordeningen, worden hun zonden vergeven en worden zij verlost. Daarom is het op hen bevestigd en verzegeld.'1

Eens kreeg ik het volgende te horen van een Aäronisch-priesterschapsdrager die kort daarvoor tot diaken was geordend. Hij zei: 'Vandaag is de eerste dag dat ik het avondmaal kan ronddienen. Ik kan niet wachten. Ik weet dat het een heel heilige verordening is, daarom doe ik het heel nauwkeurig. Ik heb een getuigenis van de kerk en ik hoop op zending te kunnen gaan.'

Ik wil graag een brief aan u voorlezen die ik enige tijd geleden heb ontvangen. Hij is geschreven door een echtgenoot die van het pad van het priesterschap, van dienstbetoon en plichtsbesef, was afgedwaald. Hij is typerend voor de smeekbede van veel broeders:

'Geachte president Monson,

'Ik had zoveel, maar nu heb ik nog zo weinig. Ik ben ongelukkig en heb het gevoel dat ik overal in faal. Het evangelie is nooit helemaal uit mijn hart gewist, hoewel het geen plaats in mijn leven meer inneemt. Zou u voor mij willen bidden?

'Vergeet alstublieft niet de mensen die zijn afgedwaald -- de verloren heiligen der laatste dagen. Ik weet waar de kerk is, maar soms heb ik het gevoel dat ik iemand anders nodig heb om mij de weg te wijzen, me aan te moedigen, mijn angst weg te nemen en zijn getuigenis te geven.'

Toen ik die brief las, dacht ik terug aan mijn bezoek aan een van de grootste kunstgalerijen, het beroemde Victoria en Albert Museum in Londen. Daar hing, prachtig ingelijst, een meesterwerk uit 1831 van Joseph Mallord William Turner. Het is een schilderij met donkere wolken en een woeste zee die gevaar en dood voorspellen. In de verte zie je een lichtje van een gestrand schip. Op de voorgrond zie je op de kolkende golven een grote reddingsboot. De mannen trekken hard aan de riemen van deze reddingsboot in de storm. Op de oever staat een vrouw met twee kinderen, nat van de regen in de snijdende wind. Ze kijken angstig naar de zee. In mijn gedachten korte ik de naam van het schilderij af: 'De reddende hand'.

In de storm van het leven schuilt ook gevaar. En mensen stranden net als schepen, en zij zien de verdelging onder ogen. Wie zal de reddingsboot bemannen, vrouw en kinderen achterlaten om te hulp te snellen?

President John Taylor heeft ons gewaarschuwd: 'Als u uw roeping niet grootmaakt, zal God u verantwoordelijk houden voor de mensen die u had kunnen redden als u uw plicht had gedaan.'2

Broeders, onze taak is niet onmogelijk. We zijn in dienst van de Heer en hebben recht op zijn hulp. Maar we moeten het wel proberen. In het toneelstuk Shenandoah komen de volgende inspirerende woorden voor: 'Als we het niet proberen, dan doen we het ook niet; en als we het niet doen, waarom zijn we dan hier?'

Toen de Meester onder de mensen werkzaam was, riep hij in Galilea vissers om hun netten achter te laten en Hem te volgen. Hij zei: 'Ik zal u vissers van mensen maken.' 3 En dat deed Hij. Vanavond roept Hij eenieder van ons op om ons bij de gelederen aan te sluiten.4 Ons strijdplan heeft Hij als volgt omschreven: 'Laat daarom nu een ieder met zijn plicht bekend worden, en het ambt, waartoe hij is aangesteld, met alle ijver leren uitoefenen.' 5

Ik houd van het edele woord plicht. Laten wij gehoor geven aan de inspirerende woorden in de brief van Jakobus: 'Weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden.'6

Er is een ouderwets liedje dat luidt: 'Als ik het wens, zal het gebeuren.' Dat is niet waar. Wensen alleen is niet voldoende. De Heer verwacht van ons dat wij nadenken. Hij verwacht dat wij in actie komen. Hij verwacht dat wij aan het werk gaan. Hij verwacht ons getuigenis. Hij verwacht onze toewijding. Helaas zijn er mensen die van het pad van het priesterschap zijn afgedwaald. Laten wij hen helpen terugkeren op het pad dat naar het eeuwige leven leidt. Laten wij aan die sterke basis van de Melchizedekse priesterschap werken die de fundering van de activiteit en de groei van de kerk is. Het is de fundering om ieder gezin en ieder quorum in de wereld te versterken.

Broeders, wij kunnen de helpende hand uitsteken naar de mensen voor wie we verantwoordelijk zijn en hen naar de Heer leiden, zodat zij zich in zijn woord kunnen verheugen en het gezelschap van de Geest kunnen ontvangen. Dan zijn zij 'geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.' 7

In de loop der tijd is de vaardigheid van de Verlosser om het leven van de mens te veranderen -- ons leven en dat van de mensen met wie wij werken -- niet gewijzigd. Net als Hij tegen de overleden Lazarus zei, zegt Hij tegen ons: 'Kom naar buiten.' 8 Kom naar buiten uit de wanhoop van de twijfel. Kom naar buiten uit het verdriet van de zonde. Kom naar buiten uit de dood van ongeloof. Kom naar buiten en begin een nieuw leven. Kom naar buiten.

We zullen ontdekken dat de mensen met wie wij werken, die door middel van ons werk de hand van de Meester hebben gevoeld, niet echt de verandering in hun leven kunnen uitleggen. Ze hebben een verlangen om getrouw werkzaam te zijn, nederig door het leven te gaan en meer op de Heiland te gaan lijken. Als ze dat geestelijke gezichtsvermogen hebben ontvangen, en de beloften van de eeuwigheid hebben aanschouwd, herhalen zij de woorden van de blinde man die door Jezus weer kon zien: 'Eén ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan.' 9

Hoe kunnen we die wonderen verklaren? Waarom de plotselinge opleving van activiteit die zo lang sluimerend is geweest? De dichter heeft over de dood geschreven: 'God raakte hem aan en hij sliep.'10 Maar ik zeg over zijn wedergeboorte: 'God raakte hem aan en hij ontwaakte.'

Er zijn twee fundamentele redenen voor deze veranderingen in houding, gewoonte of gedrag. Ten eerste heeft de mens zijn eeuwige potentieel gezien en besloten dat te bereiken. De mens kan niet lang tevreden zijn met middelmatigheid als hij eenmaal heeft gezien dat volmaaktheid binnen zijn bereik is.

Ten tweede hebben andere mensen de aanmoediging van de Heiland opgevolgd. Zij hebben hun medemensen lief als zichzelf en hebben bijgedragen aan de vervulling van hun dromen en de verwezenlijking van hun ambities.

De katalysator in dit proces is het beginsel der liefde -- en dat zal altijd zo blijven.

Een ander waar beginsel is dat jongens en mannen kunnen veranderen. Ik moet denken aan de woorden van een gevangenisdirecteur die daar iets over heeft gezegd. Een criticus die wist dat directeur Duffy veel aandacht aan rehabilitatie besteedde, zei: 'Weet u niet dat luipaarden hun vlekken niet kunnen veranderen?'

Directeur Duffy antwoordde: 'U weet toch dat ik niet met luipaarden werk. Ik werk met mensen, en mensen veranderen iedere dag.'

Vele jaren geleden, voordat ik als president van het zendingsgebied Canada naar Toronto (Ontario) vertrok, was ik bevriend met een man die Shelley heette. Hij woonde in onze wijk, maar was geen lid van de kerk, hoewel zijn vrouw en kinderen dat wel waren. Toen hij jong was, stond Shelley bekend als de moeilijkste man in de stad. Hij was nogal een vuistvechter. Hij gebruikte zijn vuisten nauwelijks in de ring, maar elders. Wat ik ook probeerde, ik kon geen verandering in zijn houding aanbrengen. Het leek een hopeloze zaak. Na verloop van tijd verhuisden Shelley en zijn gezin uit onze wijk.

Toen ik uit Canada terugkwam en als lid van het Quorum der Twaalf werd geroepen, kreeg ik een telefoontje van Shelley. Hij zei: 'Wilt u mij en mijn vrouw en kinderen in de Salt Lake-tempel verzegelen?'

Ik antwoordde aarzelend: 'Dan moet je je eerst laten dopen en lid van de kerk worden.'

Hij lachte en zei: 'O, dat heb ik geregeld toen u in Canada was. Mijn huisonderwijzer was schoolbrigadier en iedere schooldag als we elkaar tegenkwamen bij het zebrapad, spraken we over het evangelie.'

De verzegelingen werden verricht; een gezin was verenigd en vreugde was het resultaat.

Abraham Lincoln heeft het volgende gezegd, dat zeker van toepassing is op huisonderwijzers: 'Als u iemand ergens van wilt overtuigen, moet u hem eerst overtuigen dat u een oprechte vriend bent.'11

Een vriend doet meer dan een plichtmatig maandelijks bezoek. Een vriend vindt het belangrijker om mensen te helpen dan erkenning te krijgen. Een vriend bekommert zich om anderen. Een vriend heeft lief. Een vriend luistert. En een vriend steekt de helpende hand uit.

In iedere wijk zijn er broeders die een bijzondere vaardigheid en aanleg hebben om de buitenkant te doordringen en het hart te bereiken. Dat gold ook voor Raymond L. Egan, die mijn raadgever in de bisschap is geweest. Hij vond het fijn om vriendschap te sluiten met vaders en hen te activeren, waardoor ook een lieve vrouw en kinderen in de kudde van de Heer terugkeerden. Dit prachtige fenomeen vond vele malen plaats, totdat broeder Egan dit aardse leven verliet.

Er zijn ook andere manieren waarop wij kunnen opbouwen en dienen. Ik sprak een keer met een gepensioneerd directeur die ik al jaren kende. Ik vroeg: 'Ed, wat doe je tegenwoordig in de kerk?' Hij antwoordde: 'Ik heb de beste taak in onze wijk. Ik help werkloze mannen bij het zoeken naar een baan. Dit jaar hebben twaalf werkloze broeders met mijn hulp een goede baan gevonden. Ik heb me nog nooit zo gelukkig gevoeld.' Klein van stuk stond 'kleine Ed', zoals we hem hartelijk noemden, die avond rechtop. Zijn ogen schitterden en zijn stem trilde. Hij gaf uiting aan zijn liefde door behoeftigen te helpen. Hij herstelde het gevoel van eigenwaarde van vele mensen. Hij deed deuren open voor mensen die zelf niet wisten hoe dat moest.

Ik geloof echt dat mensen die de vaardigheid hebben om de helpende hand uit te steken en anderen op te bouwen de formule gebruiken waarmee broeder Walter Stover beschreven kan worden -- een man die zijn leven in dienst van zijn naasten heeft doorgebracht. Tijdens zijn begrafenis zei zijn schoonzoon lovend over hem: 'Walter Stover was in staat om in iedereen het gelaat van Christus te zien, en zo behandelde hij iedereen ook.' Zijn liefdevolle hulp is legendarisch, evenals zijn talent om iedereen hemelwaarts te verheffen. Hij liet zich leiden door de stem van de Meester: 'In zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.' 12

Broeders, leer de taal van de geest. Die wordt niet geleerd uit studieboeken of brieven van mensen, of door te lezen of uit het hoofd te leren. De taal van de geest wordt ontvangen door de mens die met heel zijn hart God wil leren kennen en zijn geboden wil onderhouden. Door vaardigheid in die 'taal' wordt iemand in staat gesteld om barrières te doorbreken, obstakels te overwinnen en het hart van de medemens te beroeren.

In tijden van gevaar of beproeving is dergelijke kennis, hoop en begrip een troost voor de verontruste ziel en het bedroefde hart. Schaduwen van wanhoop worden verdreven door sprankjes hoop; verdriet wordt vervangen door vreugde; en het gevoel van eenzaamheid in de massa verdwijnt met de zekere kennis dat onze hemelse Vader eenieder van ons indachtig is.

Tot slot keer ik terug naar het schilderij van Turner. De mensen die op het gestrande schip in de storm zitten, zijn te vergelijken met de jongemannen -- en oudere mannen -- die op hulp zitten te wachten van hen die de taak in het priesterschap hebben om de reddingsboten te bemannen. Zij verlangen naar hulp. Ouders bidden voor hun kinderen. Vrouwen en kinderen pleiten dat vader en anderen bereikt zullen worden.

Vanavond bid ik dat alle priesterschapsdragers zich van hun taak bewust zijn en eensgezind onze leider -- de Heer Jezus Christus -- en zijn profeet, president Gordon B. Hinckley, zullen volgen en de reddende hand bieden.

In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Collected Discourses Delivered by President Wilford Woodruff, His Two Counselors, the Twelve Apostles, and Others, onder redactie van Brian H. Stuy, vijf delen (1987–1992), deel 2, blz. 87.
2. Deseret News Semi-Weekly, 6 augustus 1878, blz. 1.
3. Matteüs 4:19.
4. Zie 'Moedig doen wij mee', lofzang 168.
5. LV 107:99.
6. Jakobus 1:22.
7. Efeziërs 2:19.
8. Johannes 11:43.
9. Johannes 9:25.
10. Alfred, Lord Tennyson, In Memoriam A. H. H., sectie 85, stanza 5, regel 4.
11. The Collected Works of Abraham Lincoln, onder redactie van Roy P. Basler, 8 delen (1953), deel 1, blz. 273.
12. Matteüs 25:40.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy