Ouderling Neal A. Maxwell
van het Quorum der Twaalf Apostelen
'Maken wij gebruik van de verzoening, dan verschaffen wij ons toegang tot de gaven van de Heilige Geest, die "met hoop en volmaakte liefde vervult" (Moro. 8:26).'
Toegegeven, broeders en zusters, de wereld is 'in beroering', maar het koninkrijk maakt vooruitgang als nooit tevoren! (Zie LV 88:91; 45:26.) Het onderscheidt zich steeds duidelijker door verkeerde trends in de wereld, waar traditionele normen die niet met de hamer van de herstelling zijn vastgezet, snel wegzakken. (Zie LV 105:31.)
De gevolgen zijn tegenstrijdige mengelingen zoals verveling en geweld. Sommigen bestaan alleen maar, 'zonder hoop en zonder God in de wereld' (Efeziërs 2:12; zie ook Alma 41:11). De trektocht van het hedendaags discipelschap voert door een vijandige wildernis met culturen die heel tegenstrijdig wél grenzen stellen en geen remmen hebben!
Ja, we hebben massacommunicatie en -entertainment als nooit tevoren, maar tevens zoveel eenzame menigten. Het samenzijn door de techniek is geen vervanging van het gezin.
Maar hoezeer ik mij ook beklaag over de resulterende, dreigende stormen, ze kunnen ook enig nut hebben. Daardoor kunnen wij in geestelijk opzicht verder getemd worden, want 'wanneer de Here zijn volk niet met vele beproevingen kastijdt, [zullen] zij Hem niet indachtig willen zijn' (Helaman 12:3). De Heer is sowieso altijd in stilte bezig om de individuele mensen van zijn volk te louteren, maar de gebeurtenissen zullen ook Gods hogere wegen en zijn koninkrijk verlichten. (Zie LV 136:31.)
Onze omstandigheden zijn echter moeilijk. Er zijn veel ouders die het niet meer zien zitten, en nog meer huwelijken die op barsten staan, en veel gezinnen met gestoorde onderlinge verhoudingen. Er zijn voortdurend vernietigende gevolgen van drugs, geweld en pornografie. Met recht, 'wanhoop [komt] tengevolge van ongerechtigheid'. Daar de tegenstander 'alle mensen even ellendig [wil] maken als hij zelf is', is dat wat zijn plan van ellende inhoudt. (2 Nephi 2:27; zie ook vs. 18.)
De kloekmoedigen onder ons blijven ondanks dit alles toch voorwaarts gaan, omdat zij weten dat de Heer hen liefheeft, zelfs al weten zij 'niet de betekenis van alle dingen' (1 Ne. 11:17). U en ik zien hoe zij zich met succes door ernstige, onophoudelijke beproevingen heenslaan, en prijzen hen om, en verheugen ons in, hun toenemende kracht en goedheid. Maar de anderen onder ons schrikken terug voor het leergeld dat gevraagd wordt voor het vormen van een dergelijk zuiver karakter, hopend dat wij zelf niet zullen wankelen als wij met dergelijke omstandigheden geconfronteerd worden!
Het mag dan voor sommige samenlevingen te laat zijn om orde op zaken te stellen, maar het is niet te laat om de personen en gezinnen te helpen die bij zichzelf orde op zaken willen stellen. Het is voor sommigen ook niet te laat om pionierende discipelen te worden in hun familie of omgeving, of voor mensen om plaatselijke vredestichters te worden in een wereld waaraan de vrede ontnomen is. (Zie LV 1:35.) Als weer anderen vinden dat er een tekort aan goede voorbeelden is, kunnen ze dat zelf worden.
Terwijl Jozua kon zeggen: 'Maar ik en mijn huis (. . .)', kunnen sommige mensen, die momenteel geen intact gezin hebben, toch nog zeggen: 'Maar ik (. . .)', en kunnen zij vervolgens zo leven dat zij in aanmerking komen voor al wat de Heer voor hen bereid heeft om hier en nu te doen. (Jozua 24:15.) Discipelen zijn dus 'standvastig' (LV 9:14), blijven 'tot het einde getrouw' (LV 6:13) en 'vervolgen [hun] weg' in een wereld vol problemen. (LV 122:9.)
Standvastig zijn en ons onderwerpen zijn echter geen passieve reacties, maar stellen ons daarentegen voldoende in staat om ons te melden voor grotere taken, onderwijl -- ootmoedig maar succesrijk -- de blauwe plekken van vorige slagen dragend.
Wat betekenen die paar spottende vingers ook eigenlijk (zie 1 Ne. 8:33), als de getrouwen uiteindelijk te weten kunnen komen hoe het is om 'door de armen van Jezus [te worden] omvangen'? (Mormon 5:11.)
Wat betekenen die spottende woorden nu, als we later die heerlijke woorden horen: 'Wèl gedaan, gij goede en getrouwe slaaf ' (Matteüs 25:21).
Intussen spoort Paulus ons aan om te 'ploegen in hope' (1 Korintiërs 9:10).
Wat wij dus hard nodig hebben, is het langetermijnperspectief en de hoop van het evangelie. Als wij dan nu neergehaald worden, kunnen we dat in het perspectief zien van verheffing door Gods plan van geluk later. (Alma 42:8, 16.)
Daar de Heer een volk wil dat 'in alle dingen [. . .] beproefd' wordt, waarin zullen we dan precies beproefd worden? (LV 136:31.) Hij zegt tegen ons: 'Ik beproef het geloof en het geduld van mijn volk'. (Zie Mosiah 23:21.) Laten wij, daar ons geloof in de timing van de Heer beproefd kan worden, leren niet alleen maar 'Uw wil geschiede' te zeggen, maar er geduldig aan toe te voegen: 'Uw timing geschiede.'
Hoop verheugt zich in het woord van Christus, 'in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften', die 'tot opbouwing' geschreven zijn, en wordt geschraagd door 'al deze getuigenissen [te] hebben'. (Rom. 15:4; Jakob 4:6; zie ook 2 Nephi 31:20.) Geloof houdt in 'de zekerheid der dingen, die men hoopt' en 'het bewijs der dingen, die men niet ziet'. (Hebreeën 11:1; zie ook Ether 12:6.) Daarom, hoe bescheiden onze voren ook mogen zijn, we dienen te 'ploegen in hope' (1 Korintiërs 9:10) en uiteindelijk 'onverzwakte hoop' te krijgen (2 Ne. 31:20; zie ook Alma 29:4).
Toch wachten te veel mensen met slechts een gedeeltelijke toewijding, net als Naäman, tot de Heer hun 'iets moeilijks' opdraagt, onderwijl zijn kleine opdrachten afslaand. (2 Koningen 5:13.) Toen Naäman verootmoedigd en terechtgewezen was, werd niet alleen zijn vlees als dat van een klein kind, maar ook zijn hart. (Zie 2 Kon. 5:1415.) Als wij de Meester niet in het kleine dienen, vervreemden wij van Hem. (Mos. 5:13.)
Zij die 'ploegen in hope' begrijpen niet alleen de wet van de oogst, maar zien ook in waar het wat betreft de seizoenen allemaal om gaat. Toegegeven, zelfs zij die ware hoop hebben, krijgen hun onmiddellijke omstandigheden als een caleidoscoop door elkaar geschud, maar met 'een oog van geloof' zien zij toch nog de goddelijke bedoeling. (Alma 5:15.)
De ultieme hoop is uiteraard verbonden met Jezus en de grote verzoening met de bijbehorende gave van de opstanding van alle mensen en het aanbod van Gods 'grootste gave', het eeuwige leven. (Zie Moro. 7:4041; Alma 27:28; LV 6:13; 14:7.)
In diverse schriftteksten wordt de essentie van die heerlijke, reddende verzoening beschreven, inclusief een adembenemende, autobiografische tekst waarin ons wordt toevertrouwd hoezeer Jezus 'wenste, dat Ik de bittere drinkbeker niet behoefde te drinken, en kon terugdeinzen' (LV 19:18). Daar de 'eindeloze verzoening' eindeloos lijden vereiste, was er het gevaar van terugdeinzen! (2 Ne. 9:7; Alma 34:12.) De hele mensheid was afhankelijk van het karakter van Christus! Gelukkig deinsde Hij niet terug, maar 'voleindigde [zijn] voorbereidingen voor de kinderen der mensen' (LV 19:19).
Maar Christus' unieke onderworpenheid is altijd al een feit geweest. Hij heeft zich 'in alle dingen sedert den beginne aan de wil des Vaders onderworpen' (3 Nephi 11:11), daarvoor zijn Vader nauwlettend observerend: '(. . .) Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo' (Johannes 5:19).
Dat vers doet grootse dingen vermoeden -- zelfs nog voorbij de nabije toekomst.
Bij het kwellende verzoeningsproces liet Jezus zijn wil 'geheel in de wil des Vaders [opgaan]' (Mos. 15:7). Het is voor ons, als personen die zichzelf besturen, de meest hoogstaande keuze die we kunnen doen om te besluiten onze wil over te geven aan de allerhoogste Bestuurder. Het is de enige overgave die tevens een overwinning inhoudt! Het afleggen van de natuurlijke mens maakt het mogelijk om de gehele wapenrusting Gods aan te doen die aanvankelijk niet helemaal paste! (Ef. 6:11, 13.)
Zo gaf de verlossende Jezus 'zijn ziel over [. . .] in de dood'. (Mos. 14:12; Is. 53:12; zie LV 38:4.) 'Geven' wij onze ziel over in onze smeekbeden, dan maken wij onszelf in feite leeg, wat ruimte schept voor meer vreugde!
In een andere fundamentele schriftuurplaats wordt beschreven hoe Jezus de wijnpers heeft getreden van de 'grimmigheid des toorns van de almachtige God'. (LV 88:106; zie ook LV 76:107; 133:50.) Anderen kunnen en moeten bemoedigen, prijzen, bidden en troosten, maar het oppakken en dragen van ons eigen kruis blijft iets wat wij zelf moeten doen. Gezien de 'grimmigheid' die Christus voor ons heeft doorstaan, kunnen we geen discipelschap verwachten dat alleszins gemakkelijk is. Streven wij bijvoorbeeld naar het ontvangen van vergiffenis, dan moeten wij misschien een zwaar regime volgen als deel van onze bekering. En tussen twee haakjes: laten we niet, zoals sommigen doen, de gevolgen van vergissingen die we zelf maken, aanzien voor een kruis!
Jezus, die de verzoening tot stand heeft gebracht, deed iets unieks doordat Hij 'beneden alles nederdaalde, omdat Hij alles omvatte' (LV 88:6; zie ook 122:8). Hoe diep moet die afdaling in de afgrond van de wanhoop zijn geweest! Hij heeft het gedaan om ons te redden en om het menselijk lijden te bevatten. Laten wij ons daarom niet afzetten tegen de leerervaringen waardoor wij ons eigen meegevoel verder kunnen ontwikkelen. (Zie Alma 7:1112.) Een lui hart voldoet niet, en een haatdragend hart ook niet. Volledig toegang krijgen tot 'de gemeenschap aan zijn lijden' vereist de volledige bijdrage van het discipelschap. (Filippenzen 3:10; zie ook 1 Kor. 1:9.)
Bovendien heeft Jezus niet alleen onze zonden op zich genomen om er verzoening voor te brengen, maar tevens onze ziektes en smarten. (Zie Alma 7:1112; zie ook Matt. 8:17.) Daardoor weet Hij persoonlijk alles wat wij doormaken en hoe Hij zijn volmaakte barmhartigheid moet verstrekken -- alsmede hoe Hij ons moet schragen. Zijn kwelling was des te verbazender omdat Hij de wijnpers 'alleen' getreden heeft (LV 133:50).
Daar de God des hemels weleens weent (zie Mozes 7:28.), geeft dat te denken wat betreft de kwellingen van Jezus' eindeloze verzoening en de gevoelens van de Vader -- voor zijn Zoon en voor ons. Er zijn geen openbaringen die ons daar-over informatie geven, maar onze beperkte, emotionele extrapolaties overspoelen ons toch!
Als wij, net als de Heiland, niet 'terugdeinzen', dan moeten wij voldoen aan de hoge eisen van het discipelschap, inclusief alle eisen die de leerstellingen van de Meester aan ons stellen. Anders kunnen wij tot op zekere hoogte met Jezus wandelen, maar zullen wij op een zeker moment terugkeren en niet langer met Hem meegaan. (Zie Joh. 6:66.) Zowel stoppen als terugkeren is een vorm van terugdeinzen.
Hoe meer wij van Jezus weten, hoe meer wij Hem liefhebben. Hoe meer wij van Jezus weten, hoe meer wij Hem vertrouwen. Hoe meer wij van Jezus weten, hoe meer wij op Hem willen gaan lijken en bij Hem willen zijn door de soort mensen te worden die Hij wil dat wij zijn (zie 3 Nephi 27:27), en door 'gelukkig' te leven. (2 Nephi 5:27.)
Daarom kunnen wij, met de hulp van de Heilige Geest, Christus 'verheerlijken' door ons te bekeren en ons toegang te verschaffen tot de zegeningen van de verbazende verzoening die Hij ons heeft gegeven voor zo'n overweldigende prijs! (Zie Joh. 16:14.) Dus, broeders and zusters, zijn wij, in het licht van waar Jezus voor is gestorven, bereid om te leven met de moeilijkheden die ons zijn toegewezen? (Zie Alma 29:4.) Beven is soms zowel toegestaan als begrijpelijk.
Er zijn veel concrete manieren waarop wij deze essentiële schriftteksten over Jezus en de verzoening op onszelf 'toepasselijk' kunnen maken, maar ze zijn alle te scharen onder de paraplu van dit concept: 'Neemt mijn juk op u en leert van Mij' (Matt. 11:29). In feite is er geen enkele andere manier om iets echt goed te leren! (Zie 1 Ne. 19:23.) De eindeloze verzoening is zo veelomvattend en universeel, maar is uiteindelijk ook zo uiterst persoonlijk! Gelukkig kunnen wij door de verzoening vergiffenis ontvangen, en -- uiterst belangrijk -- kunnen wij te weten komen dat wij vergeven zijn -- die uiteindelijke, vreugdevolle vrijverklaring van dwaling.
Maken wij gebruik van de verzoening, dan verschaffen wij ons toegang tot de gaven van de Heilige Geest, die 'met hoop en volmaakte liefde vervult' (Moro. 8:26). Geen van ons kan zich veroorloven om het zonder die hoop en liefde te doen, die zo hard nodig zijn, in de trektochten door de woestijnen van onze omstandigheden!
Wij moeten dus in het discipelschap dat ons is toegewezen de wereld overwinnen (1 Johannes 5:34); het werk volbrengen dat ons persoonlijk gegeven is; in staat zijn bittere drinkbekers te drinken zonder verbitterd te raken; ervaren wat het inhoudt om onze ziel over te geven; onze wil steeds meer op laten gaan in de wil van de Vader; erkennen -- hoe zwaar onze beproevende leerervaringen ook zijn -- dat het echt waar is dat 'dit alles u ondervinding zal geven, en voor uw welzijn zal wezen' (LV 122:7); volharden tot het einde en ploegen tot het einde van de voor -- Hem intussen verheerlijkend en gebruik makend van de ongeëvenaarde gaven die Hij ons heeft gegeven, inclusief op zekere dag 'alles' wat Hij heeft (LV 84:38).
In de heilige naam van Jezus Christus. Amen!