The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
oktober 2001
'Als een besproeide hof'

'Als een besproeide hof'

Ouderling Jeffrey R. Holland
van het Quorum der Twaalf Apostelen

'Wij zouden [tiende en gaven] moeten betalen als persoonlijke manier om onze liefde voor een milddadige en barmhartige Vader in de hemel te laten zien.'

Elder Jeffrey R. Holland

Zeker en gestaag verbreidt De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen zich, zoals geprofeteerd, over de aarde. In de woorden van Daniël is het de steen die 'zonder toedoen van mensenhanden (. . .) van de berg losraakte'.1De beste beschrijving die Jesaja kon geven aan hetgeen hij voorzag, was 'wonderlijk en wonderbaar'.2Hetiseen wonder! Die herstelling en verbreiding van het evangelie van Jezus Christus zijn vervuld van allerlei wonderen, openbaringen en manifestaties. Veel daarvan hebben in onze dagen plaatsgevonden.

Ik was 17 jaar voordat er ook maar ergens buiten Noord-Amerika een ring van Zion bestond. Er zijn nu ruim duizend ringen in andere werelddelen. Er zijn nu 125 tempels in gebruik of aangekondigd, waarvan meer dan de helft (64) buiten de Verenigde Staten. En ik was al bijna 16 jaar voordat er slechts één tempel buiten de Verenigde Staten en Canada was.

We hebben meegemaakt dat de openbaring werd ontvangen waardoor het priesterschap aan alle goede mannen op de juiste leeftijd kan worden gegeven, een zegen die het werk op veel plaatsen in de wereld heeft versneld. We hebben meegemaakt dat onze Schriften, volledig of gedeeltelijk, in bijna honderd talen zijn uitgegeven. We hebben de langverwachte vorming meegemaakt van de quorums van zeventig met geweldige mannen afkomstig uit vele naties, die op hun beurt in vele naties werkzaam zijn. Onlangs heeft president Hinckley het permanente studiefonds bekendgemaakt, dat het potentieel bezit om velen, tot in de verste uithoeken van de aarde, tot zegen te zijn. En zo wordt de kerk steeds internationaler.

Ik geef deze korte samenvatting om u nu op een ander wonder te wijzen — nog een openbaring, zo u wilt — een wonder dat misschien de meeste leden van de kerk is ontgaan. In zekere zin was het ook niet de bedoeling dat het op zou vallen. Ik heb het over het besluit van de algemene autoriteiten, ruim tien jaar geleden, om van de leden van de kerk, zowel hier als in andere landen, geen aanvullende bijdragen meer te verlangen voor bijzondere projecten en om ze niet meer te verplichten aan bepaalde fondsen bij te dragen.

Die beslissing werd genomen midden in de periode van internationale groei die ik zojuist heb beschreven, maar hoe was dat financieel mogelijk? Hoe konden we naar plaatsen gaan die nog verder weg lagen en waar de economische situatie vaak nog slechter was en tegelijkertijd onze mensen vrijwaren van alle aanvullende financiële aanslagen? Het zou lijken of het logischer was geweest om precies het tegengestelde te doen.

Hoe is het dan gegaan? Ik zal u vertellen hoe het is gegaan — met het oprechte geloof van de kant van de broeders in het Presidium dat alle leden, tot en met het nieuwste lid, het beginsel van tiende en vrijwillige gaven zouden eren en we er door getrouwheid aan zo'n goddelijk beginsel wel zouden komen.

Ik hoorde nog niet bij het Quorum der Twaalf toen die belangrijke beslissing werd genomen, maar ik kan me voorstellen hoe die uitvoerig werd besproken, en wat voor geloof er van die liefhebbende en voorzichtige mannen werd vereist. Wat te doen als de kerk geen aanvullende bijdragen meer vergde en de heiligen hun tiende en gavennietbetaalden? Voor zover ik weet, is dat idee nooit serieus overwogen. De algemene autoriteiten handelden met geloof — geloof in God, geloof in het geopenbaarde beginsel, geloof in ons. Ze hebben nooit achterom gekeken. Dat was een schitterende (maar haast onopgemerkte) dag in het volwassen worden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Maar om dat besluit te eren, moeten wij, als individuele leden van de kerk, net zo volwassen zijn. Ik wil u graag vijf redenen noemen waarom wij allen, rijk of arm, doorgewinterd lid of recente bekeerling, getrouw onze tienden en gaven moeten betalen.

Ten eerste: betaal het en leer het uw kinderen en kleinkinderen, de opkomende generatie, die, als we niet oppassen, op zou kunnen groeien in deze gezegende nieuwe werkwijze van de kerk zonder ook maar iets te begrijpen van hoe er gezorgd wordt dat er tempels, kerkgebouwen, seminaries en activiteiten komen. Laat uw kinderen weten dat veel van de zegeningen van de kerk er zijn omdat u en zij tienden en gaven aan de kerk geven, en dat die zegeningen praktisch niet op een andere manier mogelijk zijn.

Neem uw kinderen dan met u mee naar de tiendeafrekening aan het einde van het jaar, zoals de kleinzoon van president Howard W. Hunter enkele jaren geleden door zijn vader werd meegenomen. Bij die gelegenheid maakte de bisschop zijn genoegen kenbaar dat de jonge broeder Hunter een volledige tiende wilde betalen. Terwijl hij de muntjes in ontvangst nam, vroeg hij de jongen of hij dacht dat het evangelie waar was. Toen de jongen zijn volledige tiende, 14 cent, overhandigde, zei de zevenjarige dat hij dacht dat het evangelie waar was, maar 'het kost wel een boel geld.'3Maar aan de gebouwen, programma's en materialen die ik heb genoemd hangt een prijskaartje, en dat is een belangrijke les die onze kinderen al in hun jeugd moeten leren.

Ten tweede: betaal uw tiende om aanspraak te kunnen maken op de zegeningen die zijn beloofd aan hen die dat doen. 'Beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.'4President Joseph F. Smith vertelde altijd graag het verhaal over zijn moeder, Mary Fielding Smith, die, nadat ze in Nauvoo haar man als martelaar was kwijtgeraakt en met vijf vaderloze kinderen naar het westen was getrokken, in haar armoede nog steeds haar tiende betaalde. Toen iemand op het tiendekantoor eens de misplaatste suggestie deed dat zij van de enige aardappels die ze had kunnen oogsten, geen tiende zou moeten geven, zei ze tegen die man: 'William, je moet je schamen. Zou je mij een zegen willen ontzeggen? Als ik mijn tiende niet betaalde, zou ik verwachten dat de Heer mij zijn zegens zou onthouden. Ik betaal mijn tiende niet alleen omdat het een wet van God is, maar omdat ik verwacht ervoor gezegend te worden. [Ik heb een zegennodig.] Door me aan deze en andere wetten te houden, verwacht ik (. . .) in staat te zijn voor mijn gezin te zorgen.'5

Ik kan nietallemanieren opnoemen waarop zegeningen zullen volgen op gehoorzaamheid aan dit beginsel, maar ze zullen komen op een manier die veel verder gaat dan alleen het financiële. In mijn leven bijvoorbeeld heb ik de vervulling gezien van Gods belofte 'Dan zal ik, u ten goede, de afvreter dreigen.'6Die zegen, bescherming tegen hem die ons wil vernietigen, hebben mijn geliefden en ik rijkelijk ontvangen, meer dan ik onder woorden kan brengen. Ik geloof dat die goddelijke bescherming, tenminste voor een deel, is gekomen door ons vaste besluit om individueel en als gezin tiende te betalen.

Ten derde: betaal uw tiende om te laten zien dat het bezit van materiële goederen en het vergaren van wereldse rijkdomniethet belangrijkste doel van uw bestaan is. Een jonge echtgenoot en vader die van een studenteninkomen leeft, vertelde mij onlangs: 'De beslissende momenten voor ons als heiligen der laatste dagen komen wanneer we rechtstreeks tegen de stroom in onze cultuur op moeten zwemmen. Tiende betalen is zo'n moment. Terwijl we in een wereld leven waar het verkrijgen van materiële zaken belangrijk is, en wantrouwen in iedereen die of alles wat iets met ons geld wil, in de hand wordt gewerkt, schudden wij al die zelfzucht af om vrijwillig, vol vertrouwen en royaal te geven. Door dat te doen, zeggen we werkelijk dat we anders zijn, dat we Gods eigen volk zijn. In een maatschappij die ons voorhoudt dat geld het belangrijkst voor ons is, zeggen wij nadrukkelijk dat dit niet zo is.'7

President Spencer W. Kimball heeft eens verteld over een man die zich beroemde op zijn grote grondbezit en enorme eigendommen — bossen en wijngaarden, kudden en velden, vijvers en huizen, allerlei soorten bezit. Hij beroemde zich daarop, maar tot het einde van zijn leven wilde hij er geen tiende van betalen, of zelfs maar erkennen dat het gaven van God waren. President Kimball sprak toen op de begrafenis van die man, en merkte op dat deze grootgrondbezitter te ruste werd gelegd in een klein, rechthoekig stuk grond, 'ter grootte van de lengte van een lange man en de breedte van een zware.'8Het antwoord op de eeuwenoude vraag: 'Hoeveel heeft hij nagelaten?' is: 'Alles' — daar kunt u zeker van zijn. We zouden er dus goed aan doen om schatten te vergaren in de hemel, waar geen belastingen maar leerstellingen betekenis geven aan woorden als nalatenschap, erfenis, testament en wilsbeschikking.9

Ten vierde: betaal uw tienden en gaven omdat u eerlijk en rechtschapen bent en ze God rechtmatig toekomen. Een van de opvallendste regels in de Schriften is Jehova's krachtig gestelde vraag: 'Mag een mens God beroven? [Wij vragen:] Waarin beroven wij U? [En Hij antwoordt:] In de tienden en de heffing.'10

Tiende betalen isnieteen symbolisch bedrag geven dat we uit een soort liefdadigheid aan God schenken. Tiende betalen is een schuld inlossen. Ouderling James E. Talmage heeft het eens beschreven als een contract tussen ons en de Heer. Hij stelde zich voor dat de Heer zei: '"Je hebt veel nodig in deze wereld — voedsel, kleding, een onderdak voor je gezin en jezelf, de normale gemakken van het leven. (. . .) Je zult de middelen hebben om die dingen te verkrijgen; maar onthoud dat ze van Mij zijn, en Ik verwacht van jou dat je Mij huur betaalt van hetgeen Ik je in handen heb gegeven. Je zult echter niet je hele leven dezelfde inkomsten hebben, [dus] (. . .) in plaats van wat sterfelijke landeigenaars doen — die vereisen dat je vooruit betaalt, wat je lotgevallen of vooruitzichten ook mogen zijn — zul je Mij [alleen] betalen wanneer je wat hebt ontvangen; en je zult Mij betalen overeenkomstig hetgeen je ontvangt. Als het zo zou zijn dat je inkomen in een zeker jaar overvloedig is, dan [zal je tien procent] wat meer zijn; en als het zo is dat het volgende jaar er een van tegenspoed is en je inkomen niet is zoals het geweest is, dan [zal je tien procent] minder zijn. [Wat de omstandigheden ook mogen zijn, de tiende zal eerlijk zijn.]"

'Hebt u ooit een verhuurder gevonden die bereid was om een dergelijk billijk contract met u te sluiten?' vraagt ouderling Talmage. 'Wanneer ik de gulheid van dit alles overdenk,' zegt hij, 'krijg ik het gevoel in mijn hart dat ik mijn gezicht nauwelijks naar de hemel zou kunnen wenden (. . .) als ik probeerde [God] te onthouden wat [rechtmatig van Hem is].'11

Dat brengt ons bij de vijfde reden om onze tienden en gaven te betalen. Wij zouden ze moeten betalen als persoonlijke manier om onze liefde voor een milddadige en barmhartige Vader in de hemel te laten zien. Door zijn genade heeft God de hongerigen brood gegeven en de armen kleding. Op verschillende tijden horen wij daar allemaal bij, hetzij in materiële of in geestelijke zin. Voor ieder van ons zijn het evangelie en de zegeningen ervan doorgebroken als het licht van de dageraad, en is de duisternis van onwetendheid en verdriet, angst en wanhoop verdreven. In natie na natie hebben zijn kinderen geroepen en heeft de Heer geantwoord. Door de verbreiding van zijn evangelie over de wereld, verlicht God de lasten van de vermoeiden en laat Hij de verdrukten vrij. Zijn liefhebbende goedheid heeft het leven van onze leden, rijk of arm, dichtbij of ver weg, gemaakt 'als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt'.12

Ik wil mijn diepste dankbaarheid uiten voor alle zegeningen van het evangelie, vooral voor de grootste van Gods gaven, de verzoenende gave van Gods Eniggeboren Zoon. Ik weet dat ik de hemel nooit voor enige gunst terug kan betalen, maar er zijn veel manieren waarop ik mijn dankbaarheid moetproberente tonen. Een van die manieren is door tienden en vrijwillige gaven te betalen. Ikwiliets teruggeven, maar ik wil niet (met de woorden van koning David) iets geven 'wat niets kost'.13

Ik getuig dat het beginsel tiende van God afkomstig is, verkondigd in een schriftuurlijke eenvoud dat zijn goddelijke herkomst verraadt. Het is mijn gebed dat wij allen deze zegen voor altijd veilig stellen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Daniël 2:45.
2. Jesaja 29:14.
3. Geciteerd door David B. Haight,De Stervan oktober 1981, blz. 57.
4. Maleachi 3:10.
5. Conference Report,april 1900, blz. 48.
6. Maleachi 3:11.
7. Persoonlijke correspondentie.
8. Conference Report,april 1968, blz. 74.
9. Zie Matteüs 6:19–21.
10. Maleachi 3:8.
11. The Lord's Tenth(brochure, 1968), blz. 10–11.
12. Jesaja 58:11; zie ook Jesaja 58:6–10.
13. 2 Samuël 24:24.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy