The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
Oktober 2001
De leer van insluiting

De leer van insluiting

Ouderling M. Russell Ballard
van het Quorum der Twaalf Apostelen

'Als wij ware discipelen van de Heer, Jezus Christus, zijn, zullen we al onze naasten altijd liefdevol de helpende hand bieden.'

Elder M. Russell Ballard

Het kan een mooie, heldere herfstdag als vandaag zijn geweest. De Heiland onderrichtte een aantal van zijn discipelen, toen een man, die alleen als 'wetgeleerde' staat aangeduid, vroeg: 'Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?'

Jezus kende het hart van deze man en begreep dat de vraag een zwakke poging was om Hem iets tegenstrijdigs over de wet van Mozes te laten zeggen.

De Heiland reageerde door zelf twee vragen te stellen: 'Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?'

Zoals verwacht kon de wetgeleerde de wet citeren: 'Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf.'

'Gij hebt juist geantwoord', zei de Heiland. 'Doe dat en gij zult leven.'

Maar de wetgeleerde was daar niet mee tevredengesteld. Hij wist dat de Joden strenge regels hadden over omgang met mensen die niet van hun geloof waren. Daarom wilde hij de Heer meer informatie ontlokken, in de hoop Hem op een tegenstrijdigheid te betrappen: 'En wie is mijn naaste?' vroeg hij.

Het was opnieuw tijd voor onderricht. Jezus gebruikte een van zijn favoriete en doeltreffendste onderwijsmethoden: een gelijkenis, wellicht een van de geliefdste en bekendste gelijkenissen in het hele christendom.

U kent de gelijkenis, dat een man vanuit Jeruzalem naar Jericho onderweg was, werd beroofd en halfdood achtergelaten. Er kwam een priester voorbij aan de overkant; ook een Leviet bleef niet staan om hem te helpen. Toen zei Jezus:

'Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen.

'En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.'

Toen stelde Jezus de wetgeleerde nog een vraag: 'Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen?'

En de wetgeleerde antwoordde: 'Die hem barmhartigheid bewezen heeft.'

Toen gaf Jezus zijn laatste instructies aan de wetgeleerde – en aan iedereen die de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan leest: 'Ga heen, doe gij evenzo.' (Zie Lucas 10:25–37.)

Iedere keer dat ik die gelijkenis lees, ben ik onder de indruk van de kracht en de eenvoud ervan. Maar hebt u zich ooit afgevraagd waarom de Heiland een Samaritaan uitkoos als held van dit verhaal? Er was nogal wat antipathie tussen de Joden en de Samaritanen in de tijd van Christus. Onder normale omstandigheden wilden deze twee groepen niets met elkaar te maken hebben. Het was nog steeds een goede, leerzame gelijkenis geweest als de man die in de handen van rovers was gevallen, door een mede-Jood was gered.

Uit zijn opzettelijke gebruik van Joden en Samaritanen blijkt duidelijk dat we allemaal naasten van elkaar zijn en dat we elkaar moeten liefhebben, achten, respecteren en dienen, ondanks al onze verschillen – waaronder religieuze, politieke en culturele verschillen.

Die instructie maakt ook tegenwoordig deel uit van de leringen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Toen hij de belangrijkste leerstellingen van de herstelde kerk vermeldde, heeft Joseph Smith gezegd: 'Wij eisen het goed recht de almachtige God te vereren volgens de stem van ons eigen geweten, en kennen alle mensen hetzelfde goed recht toe, hoe, waar of wat zij ook mogen vereren' (Geloofsartikelen 1:11).

Gelukkig begrijpen veel van onze leden deze leer, en leven die in hun dagelijks leven na. Ik las onlangs een artikel over een tragische dood in een gemeenschap hier in Utah. De verdrietige weduwe werd geciteerd: 'We zijn overspoeld met hulp. We zijn geen lid van de mormoonse kerk, maar de plaatselijke wijk heeft ons geholpen met maaltijden, andere hulp en vertroostende woorden. Het was een volkomen uitstorting van liefde, en daar zijn we dankbaar voor.' (The Provo Daily Herald, 'Former Ute's Death Leaves Wife Coping, Wondering', 11 augustus 2001, blz. A–3.)

En zo hoort het ook. Als wij ware discipelen van de Heer, Jezus Christus, zijn, zullen we al onze naasten altijd liefdevol de helpende hand bieden, vooral in tijden van nood. In deChurch Newsstond onlangs een verhaal van twee vrouwen die een sterke vriendschapsband hebben, een 'Joodse arts uit New York en een huismoeder [lid van de kerk] met zes kinderen uit Utah, die nu allebei in Dallas (Texas) wonen.'

De zuster uit onze kerk zei: 'Als iemand had geprobeerd om met een computer te bepalen of onze vriendschap mogelijk was, denk ik niet dat we de eerste ronde overleefd zouden hebben. (. . .)

Een vrouw met een drukke artsenpraktijk zou volgens mij weinig interesse hebben om over de kleur van de servetjes voor de vergadering van de schoolraad te praten.

'Maar onze veronderstellingen zijn niet altijd juist – ze kunnen de wortels vernietigen van iets dat kan bloeien en groeien. Ik ben zo dankbaar dat we veronderstellingen aan de kant hebben gezet.' ('Unlikely Friends Sharing a Lifetime',Church News,18 augustus 2001, blz. 10.)

Waarnemingen en veronderstellingen kunnen uitermate gevaarlijk en oneerlijk zijn. Er zijn leden van onze kerk die niet met een glimlach, een handdruk en liefdevol dienstbetoon de helpende hand aan hun naasten bieden. Er kunnen mensen bij ons in de buurt komen wonen die geen lid van de kerk zijn en een vooroordeel hebben over de kerk en haar leden. Goede buren moeten uiteraard hun uiterste best doen om elkaar te begrijpen en vriendelijk voor elkaar te zijn, ongeacht godsdienst, nationaliteit, ras of cultuur.

Soms hoor ik dat leden mensen van andere geloofsrichtingen beledigen door ze te negeren en ze nergens bij te betrekken. Dat geldt vooral voor gebieden waar de leden in de meerderheid zijn. Ik heb gehoord dat sommige kleingeestige ouders hun kinderen verbieden om met kinderen te spelen die geen lid van de kerk zijn. Dergelijk gedrag is niet in overeenstemming met de leringen van de Heer, Jezus Christus. Ik kan niet begrijpen waarom leden van onze kerk zoiets kunnen laten gebeuren. Ik ben al mijn hele leven lid van de kerk. Ik ben op zending geweest, ik ben twee keer bisschop geweest, zendingspresident, een van de zeventigen en nu ben ik apostel. Ik heb nooit een leer van uitsluiting verkondigd – en heb die nooit horen verkondigen. Ik heb nooit iets anders gehoord dan dat de leden van deze kerk aangemoedigd worden om liefdevol, vriendelijk en verdraagzaam te zijn, en welwillend ten opzichte van onze vrienden en naasten van andere geloofsrichtingen.

De Heer verwacht veel van ons. Ouders, leer uw kinderen en praktiseer zelf het beginsel insluiting en niet uitsluiting vanwege godsdienstige, politieke of culturele verschillen.

Het is waar dat wij in de wereld de volheid van het evangelie van Jezus Christus verkondigen, dat door middel van de profeet Joseph Smith op aarde is hersteld, en dat wij onze leden aanmoedigen om met anderen over het evangelie te praten en hun getuigenis te geven. Maar het is nooit het beleid van de kerk geweest dat de mensen die niet luisteren of onze boodschap niet accepteren vermeden of genegeerd moeten worden. Het tegenovergestelde is zelfs waar. President Gordon B. Hinckley heeft ons zelfs herhaaldelijk herinnerd aan deze taak die wij als volgelingen van de Heer, Jezus Christus, hebben. Ik citeer er slechts één:

'Wij zijn allemaal individuen. We zijn allemaal anders. Er moet respect voor die verschillen bestaan. (. . .)

Wij moeten harder werken om, ondanks afwijkende leerstellingen en denkbeelden, wederzijds respect, geduld en verdraagzaamheid voor elkaar te ontwikkelen. U en ik zijn het misschien niet eens. Maar met respect en beleefdheid is het mogelijk.' (Teachings of Gordon B. Hinckley, blz. 661, 665.)

Als lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen begrijpen we dat we een 'volk [Gode] ten eigendom' (1 Petrus 2:9) zijn. Onze leerstellingen en geloofsovertuigingen zijn belangrijk voor ons. We houden ze stevig vast en koesteren ze. Ik zeg niet dat we dat niet moeten doen. Onze eigenheid en de unieke boodschap van het herstelde evangelie van Jezus Christus zijn noodzakelijke elementen om de bevolking op aarde een duidelijke keus te bieden. Ik wil ook niet adviseren dat we relaties aangaan waardoor wij of ons gezin geestelijk risico lopen. We moeten echter begrijpen dat niet iedereen onze leer van de herstelling van het evangelie van Jezus Christus zal accepteren. Over het algemeen zijn onze naasten die geen lid van de kerk zijn, goede en eerzame mensen – even goed en eerzaam als waar wij naar streven. Zij geven om hun gezin, net als wij. Ze willen de wereld verbeteren, net als wij. Ze zijn vriendelijke, liefdevolle, grootmoedige en trouwe mensen – net als waar wij naar streven. Bijna 25 jaar geleden heeft het Eerste Presidium gezegd: 'Onze boodschap (. . .) is er een van liefde en zorg voor het eeuwig welzijn van alle mensen, ongeacht religieuze achtergrond, ras of nationaliteit, in het besef dat we waarlijk broeders en zusters zijn, omdat we zoons en dochters van dezelfde hemelse Vader zijn.' (Verklaring van het Eerste Presidium, 15 februari 1978.)

Dat is onze leer – een leer van insluiting. Dat geloven we. Dat hebben we geleerd. Door die leer behoren wij van alle mensen op aarde de liefdevolste, vriendelijkste en verdraagzaamste mensen te zijn.

Ik wil graag drie eenvoudige dingen noemen die we kunnen doen zodat anderen in onze omgeving zich niet uitgesloten voelen.

Ten eerste, leer uw buren kennen. Verzamel informatie over hun gezin, hun werk en hun zienswijze. Kom met hen samen als ze dat willen. Wees niet opdringerig en heb geen bijbedoelingen. Vriendschap mag nooit met een ander doel worden ontwikkeld; de vriendschap zelf moet het doel zijn. Ik kreeg onlangs een brief van een vrouw die pas naar Utah verhuisd was. Ik zal een klein stukje citeren: 'Ouderling Ballard, ik moet zeggen dat als ik mijn buren gedag zeg of naar hen zwaai, zij helemaal niet reageren. Als ik ze tijdens mijn ochtend- of avondwandeling begroet, zeggen ze niets terug. Andere kleurlingen zeggen dat zij dezelfde ervaring hebben.' Als er leden van de kerk in haar buurt wonen, moeten die weten dat dat niet mag gebeuren. Laten wij zinvolle relaties van wederzijds vertrouwen en begrip ontwikkelen met mensen van andere achtergronden en geloofsrichtingen.

Ten tweede, ik geloof dat het goed zou zijn als we een aantal zinsneden uit onze woordenschat zouden verwijderen: 'niet-lid' en 'niet-mormoon'. Dergelijke woorden kunnen vernederend en kleinerend zijn. Ik beschouw mijzelf ook niet als 'niet-katholiek' of 'niet-joods'. Ik ben een christen. Ik ben lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Zo wil ik graag genoemd worden – wie en wat ik ben, en niet wie ik niet ben. Laten wij de mensen in onze omgeving met dezelfde beleefdheid behandelen. Als we een algemeen woord willen gebruiken, is 'buren' of 'naasten' in de meeste gevallen gepast.

En ten derde, als onze naasten geïrriteerd of gefrustreerd raken door een geschil met De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen of door een wet die we om morele redenen steunen, raad hen dan niet aan om te verhuizen, ook niet als grapje. Ik kan niet begrijpen dat een lid van onze kerk zoiets zou kunnen zeggen! De pioniers zijn door onjuist geïnformeerde en onverdraagzame mensen van plaats tot plaats verdreven. Zij hebben veel moeilijkheden en vervolgingen moeten doorstaan omdat zij anders dachten, handelden en geloofden dan andere mensen. Als we iets van onze geschiedenis hebben geleerd, hoop ik dat we respect voor de rechten van alle mensen hebben geleerd, zodat we in vrede met elkaar kunnen leven.

Nu wil ik me graag richten tot de mensen die geen lid van onze kerk zijn. Als er kwesties zijn waar u zich zorgen over maakt, laten we daar dan over praten. We willen graag helpen. Ik hoop echter dat u begrijpt dat onze leerstellingen en leringen van de Heer afkomstig zijn, dus soms moeten we ons erbij neerleggen dat we het niet eens worden, maar dat kunnen we op vriendelijke wijze doen. In onze gemeenschappen kunnen en moeten we beleefd en beschaafd met elkaar omgaan en respect voor elkaar hebben. Hier in Utah heeft een groep burgers de 'Alliance for Unity' (federatie voor eenheid) opgericht. Dit initiatief wordt door onze kerk en andere kerken en organisaties gesteund. Een van de doelstellingen is 'een samenleving op te bouwen waar verschillende standpunten erkend en gewaardeerd worden.' Misschien is er geen beter moment voor de mensen op aarde om met elkaar samen te werken.

Slechts een aantal uren voordat Hij aan het pijnlijke, lichamelijke en geestelijke proces van de verzoening begon, kwam de Heiland met zijn discipelen bijeen om aan het Pascha deel te nemen – zijn laatste maaltijd – en om hun zijn laatste instructies te geven. Een van die instructies is de inspirerende verklaring die ons leven kan veranderen: 'Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.

'Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander' (Johannes 13:34–35).

Dat heeft Jezus zijn discipelen geleerd – en ook 'een wetgeleerde' – door middel van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. En dat leert Hij ons tegenwoordig door middel van hedendaagse profeten en apostelen. Heb elkaar lief. Wees vriendelijk voor elkaar, ondanks grote verschillen. Behandel elkaar met respect en fatsoen. Ik weet en getuig dat Jezus de Christus is, onze Heiland en Verlosser. En ik weet dat Hij van ons allemaal verwacht dat wij zijn aanmoediging opvolgen om betere naasten te worden. In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy