Ouderling Keith K. Hilbig
van de Zeventig
'Wanneer we op rechtvaardige wijze met heel ons hart dienen, (. . .) versterken we onze priesterschapsschakel en verbinden we hem nog vaster met hen die ons zijn voorgegaan en die ons zullen volgen.'
In deze grote menigte priesterschapsdragers, hier en over heel de wereld bijeengekomen, zitten verschillende generaties tienduizenden zoons, vaders, grootvaders en zelfs overgrootvaders die allen geloof in Christus hebben, ernaar streven zijn geboden te onderhouden en Hem verlangen te dienen.
Sommigen maken deel uit van een lange traditie van mannen die het priesterschap dragen in de loop van jaren. Anderen zijn in hun familie de eersten die het priesterschap van God draagt. Maar allen hebben de gelegenheid en de verantwoordelijkheid om een keten te vormen of voort te zetten van goede mannen die het priesterschap eren en dienst doen in het koninkrijk, waardoor ze gezinnen van generatie op generatie met elkaar verbinden. Over uw individuele schakel in die priesterschapsketen wil ik vanavond spreken.
In elke bedeling werd aan getrouwe mannen het priesterschap gegeven om de doeleinden van de Heer te bewerkstelligen. De Schriften verhalen hoe het priesterschapsgezag van profeet op profeet werd doorgegeven, beginnend bij Adam.
Wij maken figuurlijk deel uit van die priesterschapsketen die teruggaat tot de begintijd van de aarde. Elk van ons is nu echter letterlijk betrokken bij de uiterst belangrijke taak om onze eigen sterke priesterschapsschakel te vormen, waardoor we met onze eigen voorvaders en ons eigen nageslacht worden verbonden.
Als iemand er niet in slaagt het Melchizedeks priesterschap te ontvangen of het te eren, zal zijn schakel ontbreken, en zal het eeuwig leven onbereikbaar zijn. (Zie LV 76:79; 84:4142.) Daarom is de grote taak die wij als kerk verrichten, de boodschap van de herstelling te brengen aan allen die bereid zijn te luisteren en allen voor te bereiden die verlangen naar de zegeningen van het priesterschap en de tempel.
Dat wij vanavond het voorrecht hebben om het priesterschap van God te dragen, vindt zijn oorsprong in ons voorsterfelijk bestaan. De profeet Alma legde uit wie de mannen waren die op aarde tot het Melchizedeks priesterschap zijn geordend:
'Zij waren volgens de voorkennis van God wegens hun buitengewoon groot geloof en goede werken sedert de grondlegging der wereld geroepen en voorbereid; in de eerste plaats waren zij vrijgelaten goed of kwaad te kiezen; zij hebben het goede gekozen en een zeer groot geloof geoefend, en daarom werden zij geroepen met een heilige roeping (. . .)' (Alma 13:3).
Het is al lang de bedoeling van de Heer dat u een vormer of voortzetter bent van de keten van getrouwe priesterschapsdragers in uw familie. Door uw geloof en verstandig gebruik van uw keuzevrijheid in het voorsterfelijk bestaan en in dit sterfelijk bestaan werd het u mogelijk de 'heilige roeping' tot het priesterschap te ontvangen.
De profeet Joseph Smith heeft in 1844 gezegd:
'Eenieder die een roeping heeft om tot de inwoners der aarde te prediken, is tot dat doel reeds geordend in de grote raadsvergadering in de hemel vóór deze wereld bestond.' (Teachings of the Prophet Joseph Smith, bezorgd door Joseph Fielding Smith, blz. 365.)
Of u nu de eerste in uw familie bent of tot de vijfde generatie behoort die het priesterschap draagt, we zijn allen naar de aarde gekomen met een persoonlijk erfdeel van getrouwheid en voorsterfelijke ordening. Dat te weten, geeft ons een sterk verlangen om het priesterschap altijd te eren en zodoende een familie van vele generaties in de kerk en in het celestiale koninkrijk te vormen of voort te zetten.
Vaak definiëren wepriesterschapals de macht en bevoegdheid om in Gods naam op aarde te handelen. Maar de Heiland, ons gezin en onze medemens dienen behoort ook tot de definitie van het priesterschap. De Heiland verlangt van ons dat we ons priesterschap in de eerste plaats uitoefenen om anderen tot zegen te zijn. We kunnen onszelf niet dopen of een zegen geven, en evenmin kunnen wij de tempelverordeningen voor onszelf verschaffen. Maar iedere priesterschapsdrager heeft anderen nodig om zijn priesterschapsgezag en -macht in liefde uit te oefenen en eenieder van ons te helpen met zijn geestelijke vooruitgang.
Ik heb de kans gehad om het belang van dienstbetoon door het priesterschap niet alleen te leren door te kijken hoe mijn grootvader, vader en broer hun roeping groot maakten, maar ook te leren van de broeders in mijn wijk die voor mij een voorbeeld van een goed priesterschapsdrager waren.
Toen ik pas als leraar in het Aäronisch priesterschap was geordend, was mijn eerste huisonderwijscollega Henry Wilkening, een hogepriester die bijna 60 jaar ouder was dan ik. Hij was een Duitse immigrant, schoenmaker van beroep, klein van gestalte, maar een energieke en getrouwe herder voor de gezinnen die ons waren toegewezen. Bij onze maandelijkse bezoeken draafde ik achter hem aan, want hij leek altijd sneller te lopen en trappen te beklimmen dan ik kon. We kwamen bij mensen in moeilijke situaties die voor mij, met mijn beschermde leventje, nog nieuw waren. Hij verwachtte van mij dat ik elke keer een deel van de les gaf en dat ik alle afspraken maakte, maar meestal luisterde en keek ik naar hem wanneer hij broeders en zusters hielp met uiteenlopende geestelijke en sociale, economische en emotionele behoeften, die ik als veertienjarige nog niet had gekend.
Ik ben gaan beseffen hoeveel goeds één getrouwe priesterschapsdrager kan doen. Ik heb gezien hoe broeder Wilkening een sterke priesterschapsschakel voor zichzelf smeedde door zijn liefhebbende dienstbetoon aan die gezinnen in nood en aan mij in mijn jeugd.
De vele priesterschapsdragers naar wie ik heb gekeken toen ik opgroeide, hebben mij geleerd dat dienstbetoon door het priesterschap aan anderen niet afhangt van een bepaalde titel of specifieke roeping of officiële functie in het koninkrijk. Die gelegenheid komt juist door en is een deel van het feit dat iemand het priesterschap van God heeft ontvangen.
President J. Reuben Clark jr. heeft tijdens de algemene conferentie van april 1951 wijselijk het volgende gezegd: 'Bij onze dienst aan de Heer gaat het er niet om waar u Hem dient maar hoe. In De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen neemt iemand de plaats in waarvoor hij of zij op de juiste wijze wordt geroepen, een plaats die iemand niet verlangt of weigert.' (Conference Report, april 1951, blz. 154.)
Wanneer we op rechtvaardige wijze met heel ons hart dienen, welke taak ons ook wordt gegeven, versterken we onze priesterschapsschakel en verbinden we hem nog vaster met hen die ons zijn voorgegaan en die ons zullen volgen.
Ik geef plechtig getuigenis van de goddelijke aard en het zoenoffer van de Heiland, en van de herstelling van zijn priesterschap, dat wij mogen dragen en ik bid dat iedere zoon en vader die aan deze bijeenkomst deelneemt, vanavond zal besluiten om de Heer te dienen door het priesterschap getrouw te eren en door zijn persoonlijke schakel stevig vast te maken aan de priesterschapsketen die hem, zijn voorvaders en zijn nageslacht voor eeuwig aan elkaar zal verbinden. In de naam van Jezus Christus. Amen.