The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
Oktober 2001
Mor niet

Mor niet

Ouderling H. Ross Workman
van de Zeventig

'Gehoorzaamheid is essentieel voor de verwezenlijking van de zegeningen van de Heer.'

Elder H. Ross Workman

Als jonge zendelingen getuigden mijn collega en ik dat God in deze tijd spreekt door profeten. Een man vroeg: 'En wat heeft jullie profeet deze week gezegd?' Ik pijnigde mijn hersens welke boodschap van de profeet er stond in de laatsteImprovement Era, destijds het belangrijke tijdschrift van de kerk. Ik begreep ineens bijzonder goed hoe belangrijk het is dat we de leringen van de levende profeet kennen en gehoorzamen.

Ik hoop u er vandaag toe te brengen de levende profeten te volgen en u te waarschuwen voor de misleiding die de tegenstander bedacht heeft om u ervan te weerhouden hen te volgen. In de Schriften wordt die misleiding 'morren' genoemd.

De Heiland heeft ons in een gelijkenis gewaarschuwd voor het verraderlijke pad van ongehoorzaamheid door 'morren'. Die gelijkenis gaat over een edelman die een stuk voortreffelijk land had. Hij liet zijn dienstknechten twaalf olijfbomen planten en gaf ze opdracht een toren te bouwen om er toezicht op te houden. De toren had tot doel de wachters erop plaats te laten nemen om te waarschuwen als de vijand kwam. Zo konden ze de wijngaard beschermen.

De dienstknechten bouwden geen toren. De vijand kwam en vernielde de olijfbomen. De ongehoorzaamheid van de dienstknechten leidde tot een ramp in de wijngaard. (LV 101:43–62.)

Waarom hadden de dienstknechten de toren niet gebouwd? Het zaad van de ramp was gezaaid door gemor.

Volgens de gelijkenis van de Heer, bestaat morren uit drie stappen. Elke stap leidt tot de volgende stap in een neergaande lijn naar ongehoorzaamheid.

Ten eerste: de dienstknechten begonnen te twijfelen. Ze vonden dat ze het beter konden beoordelen dan hun meester. 'Waarvoor heeft onze heer deze toren nodig, aangezien het nu een tijd van vrede is?' zeiden ze. (LV 101:48.) Eerst twijfelden ze zelf en plantten die twijfel vervolgens in de gedachten van anderen. De twijfel kwam eerst.

Ten tweede: ze praatten goed dat ze niet deden wat hun gezegd was. Ze zeiden: 'Kon dit geld niet aan de geldwisselaars worden gegeven? Want deze dingen zijn niet nodig.' (LV 101:49.) Zo bedachten ze een excuus voor hun ongehoorzaamheid.

De derde stap volgt vanzelf: laksheid in het opvolgen van de geboden van de Meester. In de gelijkenis staat: '[Ze werden] zeer nalatig en gaven geen gehoor aan de geboden van hun heer.' (LV 101:50.) Zo was de tijd rijp voor een ramp.

God heeft zijn kinderen gezegend met profeten die hen onderwijzen in zijn wegen en hen voorbereiden op het eeuwige leven. Gods wegen zijn voor de mens niet gemakkelijk te begrijpen. 'Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren' (Jesaja 55:8). Gehoorzaamheid is essentieel voor de verwezenlijking van de zegeningen van de Heer, zelfs als we het doel van het gebod niet begrijpen.

De tegenstander verleidt ons heel subtiel tot morren om zo de kracht te vernietigen die voortkomt uit gehoorzaamheid. Dat patroon zien we duidelijk in de geschiedenis van de kinderen van Israël:

De Heer beloofde de kinderen van Israël dat Hij een engel zou sturen om de Kanaänieten te verdrijven zodat Israël het land van melk en honing kon beërven. (Zie Exodus 33:1–3.) Toen Israël de grens van Kanaän bereikte, stuurde Mozes spionnen het land in, en toen die terugkwamen, rapporteerden ze dat de legers van Kanaän sterk waren, en ze opperden dat Kanaän sterker was dan Israël. Toen begon het morren.

Ze twijfelden aan het gebod van Mozes, hun levende profeet. Ze brachten hun twijfel over op anderen. Hoe kon Israël de reuzen van Kanaän verslaan als de kinderen van Israël zich met sprinkhanen konden vergelijken? (Zie Numeri 13:32–33.)

Twijfel draaide uit op goedpraten en excuses. Ze beweerden dat ze bang waren voor hun vrouwen en kinderen. 'Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren?' zeiden ze. (Zie Numeri 14:2–3.)

Het morren werd ongehoorzaamheid toen Israël een hoofd wilde aanstellen dat hen naar Egypte terug zou brengen. (Zie vers 4.)

Ze weigerden gewoon de levende profeet te volgen. Wegens hun gemor ontnam de Heer de kinderen van Israël de beloofde zegening (dat Hij de Kanaänieten zou verslaan en hun het beloofde land zou geven). In plaats daarvan stuurde Hij Israël de wildernis in, waar ze veertig jaar zouden ronddolen.

Het vertrouwde patroon van morren zien we ook weer in het gezin van Lehi.

Toen de profeet Lehi zijn zoons naar Jeruzalem stuurde om de koperen platen te bemachtigen, ondervonden ze veel tegenslag. Eerst werd Laman uit het huis van Laban gezet toen hij alleen maar om de platen vroeg. Toen de zoons van Lehi goud en zilver voor de platen boden, stond Laban ze naar het leven en nam ze hun bezit af. De broers verborgen zich in een hol in de rotsen om de situatie te bespreken.

Laman en Lemuël morden. Zoals altijd begon dat met twijfel: 'Hoe is het mogelijk, dat de Here Laban aan ons zal overgeven?' zeiden ze (1 Nephi 3:31).

Toen kwamen de excuses: 'Zie, hij is een machtig man en hij kan over vijftig gebieden; hij kan er zelfs vijftig doden, waarom ons dan niet?' (1 Nephi 3:31.)

En ten slotte werden ze laks. Vol boosheid, wrevel en excuses wachtten Laman en Lemuël bij de muren van Jeruzalem terwijl de trouwe Nephi het werk van de Heer volbracht. (Zie 1 Nephi 4: 3–5.)

De Heer heeft zich in onze tijd tegen die houding uitgesproken: 'Maar hij, die niets doet, voordat het hem wordt geboden, en een gebod met een twijfelend hart ontvangt en het traag nakomt, wordt verdoemd' (LV 58:29).

We hebben onze levende profeten steun verleend door het opsteken van onze hand. We hebben het voorrecht dat we het geopenbaarde woord van God in deze tijd horen van onze levende profeten. Wat doen we als we dat horen? Volgen we de aanwijzingen van onze levende profeten precies op, of morren we?

Is het in onze eigen tijd gemakkelijker om een levende profeet te volgen dan in de tijd van Mozes of Nephi? Zouden degenen die tegen Mozes en Nephi morden, ook in deze tijd niet morren? Diezelfde vragen kunnen we omdraaien. Degenen die nu morren, zouden ook net zo gemord hebben als Laman en Lemuël of de kinderen van Israël tegen de profeet van hun tijd, met dezelfde rampzalige gevolgen.

De eenvoudigste aanwijzingen kunnen de neiging tot morren onthullen. Ik woonde eens een dienst bij waarbij de presiderende autoriteit de aanwezigen verzocht om vooraan plaats te nemen. Enkelen deden dat. De meesten niet. Waarom niet?

Ik weet zeker dat er mensen waren die zich afvroegen waarom ze van hun comfortabele plaats moesten komen. 'Waarom zou ik?' Die vraag werd ongetwijfeld gevolgd door een excuus of een redelijke verklaring waarom het niet uitmaakte of ze nu wel of niet een andere plaats innamen. Ik denk dat er enige irritatie ontstond over zo'n verzoek van de presiderende autoriteit. De laatste stap was, duidelijk voor iedereen die dit gevolgd heeft, laksheid in het voldoen aan het verzoek. Weinig mensen stonden op. Was dat een kleinigheid? Ja. Maar daaruit sprak wel een dieper liggend gebrek aan bereidwilligheid om te gehoorzamen. Het weerspiegelde een geest van ongehoorzaamheid. Dat is geen kleinigheid.

Kort geleden was ik in een kerkdienst in West-Afrika toen een priesterschapsleider de broeders vroeg om plaats te nemen op de eerste drie rijen in de kapel. Alle mannen stonden onmiddellijk op en volgden die aanwijzing op. Een kleinigheid? Ja. Maar het weerspiegelde de bereidheid om te gehoorzamen. Dat is geen kleinigheid.

Ik vraag u om na te denken over het gebod van levende profeten waarmee u de meeste moeite heeft. Betwijfelt u of dat gebod op u van toepassing is? Heeft u gemakkelijke 'excuses' waarom u dat gebod nu niet kunt nakomen? Raakt u gefrustreerd of geïrriteerd door degenen die u aan dat gebod herinneren? Bent u laks in het onderhouden ervan? Pas op voor de misleiding van de tegenstander. Pas op voor morren.

Een gelukkige ouder ervaart bijzondere vreugde als zijn kind bereid is om te gehoorzamen. Is dat ook met God niet zo?

Ik kan een beetje begrijpen hoe blij de Heer moet zijn als zijn dienstknechten gehoorzamen zonder te morren. Pas nog woonden mijn vrouw en ik een bijeenkomst bij waar ons verteld zou worden wat onze taak was. We hadden op dat moment geen idee wat die zou zijn, of waar. Ik had zelf gehoord dat we in West-Afrika op zending zouden worden geroepen. Ik was verrast en blij met de opdracht, maar ook moest ik denken aan de mogelijke reactie van degene die al 39 mijn partner is. Hoe zou zij die taak opvatten? Ik wist dat ze zou instemmen. In al onze jaren samen had ze nog nooit een roeping van de Heer geweigerd. Maar wat zou ze voelen?

Ik zat naast haar, en ze zag aan mijn ogen dat ik het wist. Ze zei: 'Nou, waar gaan we heen?' Ik zei alleen: 'Afrika.' Haar ogen straalden en ze zei blij: 'Is dat niet fantastisch!' Mijn vreugde was volkomen.

Zo verheugd moet ook onze Vader zijn als wij met een bereidwillig hart de levende profeten volgen. Ik getuig dat Jezus de Christus leeft. Hij spreekt tot profeten in onze tijd. Ik bid dat wij onze profeten zonder morren zullen volgen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy