Ouderling Henry B. Eyring
van het Quorum der Twaalf Apostelen
'Met (. . .) geloof kunnen we bidden voor wat we willen en op prijs stellen wat we ook krijgen. Alleen met dat geloof zullen we met de ijver bidden die God verlangt.'
De wereld is in beroering. Er zijn oorlogen en geruchten van oorlogen. De economie van hele werelddelen wankelt. Overal ter wereld mislukken oogsten door gebrek aan regen. En de mensen die in gevaar zijn, hebben de hemel overstelpt met gebeden. In het openbaar en privé smeken ze op aarde God om hulp, troost en leiding.
U heeft waarschijnlijk, net als ik onlangs, gemerkt dat de gebeden niet alleen talrijker, maar ook inniger zijn geworden. Ik zit tijdens een bijeenkomst vaak op het podium naast iemand die gevraagd is het gebed uit te spreken. Ik heb in stille verbazing zitten luisteren. De woorden die werden gesproken, zijn duidelijk door God geïnspireerd, welsprekend en wijs. En de toon is die van een liefhebbend kind dat om hulp vraagt, niet zoals aan een aardse vader, maar aan een almachtige hemelse Vader, die onze behoeften kent, voordat we vragen.
De tendens om in een ontwrichte wereld vurig te bidden, is zo oud als de mensheid. In periodes van rampspoed en gevaar wenden de mensen zich in gebed tot God. Zelfs koning David zag wat er gebeurde. U herinnert zich zijn woorden in het boek Psalmen wel:
'Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood.
'Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o Here.'1
Het grote verlangen om vurig te bidden en de algemene acceptatie ervan is mij en anderen opgevallen. De afgelopen dagen heeft meer dan eens iemand tegen mij gezegd, heel intens en met een bezorgde klank in zijn stem: 'Ik hoop dat die verandering blijvend is.'
Die bezorgdheid is terecht. Dat leren we uit eigen ervaring en uit Gods kroniek over de omgang met zijn kinderen. Afhankelijkheid van God kan snel verdwijnen als gebeden verhoord zijn. En als de narigheid vermindert, wordt er ook minder gebeden. In het Boek van Mormon wordt dat verhaal steeds weer verteld.
In het boek Helaman staat: 'O, hoe hebt gij uw God kunnen vergeten, juist nu hij u heeft bevrijd?'2En verderop staat in datzelfde boek, nadat God met genadige goedheid gebeden had beantwoord, wordt dat vreselijke patroon weer ter sprake gebracht:
'En aldus kunnen wij zien, hoe vals en ook hoe onbestendig het menselijk hart is; ja, wij kunnen zien, dat de Here in zijn grote en oneindige goedheid hen zegent en voorspoedig doet zijn, die hun vertrouwen in Hem stellen.
'Ja, juist ten tijde, wanneer Hij zijn volk voorspoedig doet zijn, door de opbrengst van hun landerijen, en de vermeerdering van hun kleinvee en hun grootvee, en van hun goud en hun zilver en allerlei kostbare voorwerpen van iedere soort en bewerking, en door hun leven te sparen, en hen uit de handen hunner vijanden te bevrijden, en door het hart van hun vijanden te verzachten, opdat dezen geen oorlogen aan hen zouden verklaren, ja, kortom, wanneer Hij alles doet, wat voor het welzijn en geluk van zijn volk mogelijk is, ja, te dien tijde kunnen wij zien, dat zij hun hart verstokken en de Heilige met de voeten treden; ja, en dit wegens hun zorgeloosheid en hun buitengewoon grote voorspoed.
'En aldus zien wij, dat, wanneer de Here zijn volk niet met vele beproevingen kastijdt, ja, wanneer Hij hen niet bezoekt met de dood, schrik, hongersnood en allerlei pestilentie, zij Hem niet indachtig willen zijn.'3
En uit de volgende woorden van datzelfde boek leren we ook waarom we de bron van onze zegeningen zo makkelijk vergeten en ophouden met in geloof bidden omdat we daar de noodzaak niet meer van inzien:
'O, hoe dwaas, en hoe ijdel, en hoe boosaardig en duivels zijn de mensenkinderen; en hoe vlug om het kwade te doen, en hoe traag om het goede te doen; ja, hoe gretig om naar de woorden van de boze te luisteren, en hun hart op de ijdele dingen der wereld te zetten!
'Ja, hoe vlug om zich in hoogmoed te verheffen; ja, hoe vlug om te roemen en allerlei ongerechtigheden te bedrijven; en hoe traag zijn zij om de Here, hun God, indachtig te zijn en aan zijn raadgevingen gehoor te geven, ja, hoe traag om de paden der wijsheid te bewandelen!
'Ziet, zij verlangen niet, dat de Here, hun God, die hen heeft geschapen, over hen zal regeren en hen besturen; ondanks zijn grote goedheid en zijn barmhartigheid jegens hen slaan zij zijn raadgevingen in de wind, en zij willen niet dat Hij hun Leidsman zal zijn.'4
In die drie korte verzen zien we drie redenen voor de bedroevende ontwikkeling waarin we afstand nemen van nederig gebed. Ten eerste: hoewel God ons dringend vraagt om te bidden, wordt dat door de vijand van onze ziel gebagatelliseerd en vervolgens bespottelijk gemaakt. In 2 Nephi wordt terecht gewaarschuwd: 'En nu, mijn geliefde broederen, bemerk ik, dat gij nog in uw hart overlegt; en het doet mij leed, dat ik hierover moet spreken. Want indien gij naar de Geest zoudt willen luisteren, die de mens leert te bidden, dan zoudt gij weten dat gij moet bidden; want de boze geest leert een mens niet te bidden, maar leert hem, dat hij niet moet bidden.'5
Ten tweede: We vergeten God door onze ijdelheid. Een beetje welvaart en vrede, of zelfs een kleine positieve wending, kan ons een gevoel van onafhankelijkheid geven. We kunnen al snel het gevoel krijgen dat we ons leven onder controle hebben, dat we er zelf die positieve wending aan hebben gegeven, en niet God, die met ons communiceert door de stille, zachte stem van de Geest. Hoogmoed veroorzaakt zoveel lawaai in ons binnenste dat de zachte stem van de Geest moeilijk te horen is. En al gauw, in onze ijdelheid, willen we er zelfs niet meer naar luisteren. We kunnen al snel denken dat we hem niet nodig hebben.
De derde oorzaak is diep in ons geworteld. Dat zit in onze natuur. Wij zijn geestkinderen van een liefdevolle, hemelse Vader die ons in de sterfelijkheid heeft geplaatst om te zien of we zouden kiezen in vrijheid zouden kiezen om zijn geboden te onderhouden en tot zijn geliefde Zoon zouden komen. Zij dwingen ons niet. Dat kan niet, want dat zou niet in overeenstemming zijn met het heilsplan. En daarom hebben we een door God ingegeven verlangen om verantwoordelijk te zijn voor onze eigen keuzen.
Dat verlangen om onze eigen keuzen te doen, is onderdeel van ons ingebouwde verlangen om vooruitgang te maken in de richting van het eeuwige leven. Maar het kan, als we het leven slechts door onze sterfelijke ogen bekijken, afhankelijkheid van God moeilijk of zelfs onmogelijk maken als we een dergelijk overweldigend verlangen naar onafhankelijkheid voelen. Deze ware leerstelling kan dan hard klinken:
'Want de natuurlijke mens is een vijand van God, en is dat geweest sedert de val van Adam en zal dat voor eeuwig en immer zijn, tenzij hij zich aan de ingevingen des Heiligen Geestes overgeeft, en de natuurlijke mens afsterft en een heilige wordt door de verzoening van Christus, de Here, en wordt gelijk een kindeke, onderworpen, zachtmoedig, nederig, geduldig, vol liefde, gewillig zich aan alles te onderwerpen wat de Here geschikt acht hem op te leggen, evenals een kind zich aan zijn vader onderwerpt.'6
Wie zich als een kind onderwerpen, doen dat omdat ze weten dat de Vader alleen wil dat zijn kinderen gelukkig zijn en omdat Hij alleen weet hoe. Dat is het getuigenis dat we nodig hebben om te blijven bidden als een nederig kind, zowel in goede als in slechte tijden.
Met dat geloof kunnen we bidden voor wat we willen en op prijs stellen wat we ook krijgen. Alleen met dat geloof zullen we met de ijver bidden die God verlangt. In die gevallen waarin God ons gebiedt te bidden, gebruikt Hij woorden als 'bidden zonder ophouden', 'bidt altijd', en 'krachtig gebed'.
Dat gebod houdt niet in dat we veel woorden hoeven te gebruiken. In feite heeft de Heiland ons geleerd dat we niet in herhaling hoeven te vallen. Voor het ijverige gebed dat God verlangt hoeven we niet breedsprakig te zijn noch ons urenlang af te zonderen. Dat wordt heel duidelijk in Alma in het Boek van Mormon geleerd:
'En als gij de Here niet overluid aanroept, laat dan uw hart voortdurend tot Hem in gebed uitgaan voor het welzijn van hen, die rondom u zijn.'7
Ons hart kan alleen naar God uitgaan als het vervuld is met liefde voor Hem en vertrouwt op zijn goedheid. Joseph Smith heeft ons als jongen al een voorbeeld gegeven hoe we kunnen beginnen met bidden vanuit een hart, vervuld met liefde voor God, en vervolgens de rest van ons leven onophoudelijk kunnen blijven bidden.
Joseph ging naar het bos om te bidden, omdat hij geloofde dat een liefhebbende God zijn gebed zou beantwoorden en zijn verwarring zou wegnemen. Hij kreeg die zekerheid doordat hij het woord van God las, en een getuigenis ontving van de waarheid ervan. Hij vertelde dat hij in Jakobus las: '(. . .) [d]at hij ze van God begere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.'8Zijn geloof om God in gebed te vragen, kreeg hij toen hij nagedacht had over een tekst waardoor hij de zekerheid kreeg dat God liefdevol is. Hij bad zoals wij moeten bidden met geloof in een liefdevolle God.
Hij bad niet alleen om te luisteren, maar ook om te gehoorzamen. Hij vroeg niet alleen om de waarheid te weten te komen. Hij was bereid om te doen wat God hem ook zou vertellen. Uit zijn verslag blijk dat hij bad met de oprechte bedoeling om zich te schikken naar het antwoord dat hij ontving, ongeacht wat het was.
'Nog nooit had een tekst uit de Schriften een menshart sterker getroffen dan deze, toen, het mijne. Hij leek wel met grote kracht in iedere vezel van mijn hart door te dringen. Ik dacht telkens en telkens weer over deze tekst na, in het besef dat, als iemand ooit wijsheid van God nodig had, ik het was; ik immers wist niet wat ik moest doen, en als ik niet meer wijsheid zou krijgen dan ik toen bezat, zou ik het nooit te weten komen; want de godsdienstleraars van de verschillende sekten vatten dezelfde bijbelteksten zo verschillend op, dat al iemands vertrouwen aan de hand van de Bijbel tot een oplossing te komen de bodem werd ingeslagen.'9
De Vader en zijn geliefde Zoon verschenen hem in antwoord op zijn gebed. En hem werd verteld wat hij moest doen, zoals hij verlangd had. Hij gehoorzaamde als een kind. Hem werd verteld zich bij geen van de kerken aan te sluiten omdat ze allemaal ongelijk hadden. Hij deed wat hem gezegd was. En door zijn getrouwheid werden zijn gebeden in de dagen, maanden en jaren daarna beantwoord met een overvloed aan licht en waarheid. De volheid van het evangelie van Jezus Christus en de sleutels van Gods koninkrijk werden op aarde hersteld. Zijn nederige afhankelijkheid van God leidde tot zegeningen voor alle kinderen van onze hemelse Vader. Door de herstelling van het evangelie met bevoegdheden en heilige verordeningen, hebben we de kans om de onafhankelijkheid te kiezen, die onbetaalbaar is vrij te zijn van de slavernij van zonde door de reinigende macht van de verzoening van Jezus Christus.
De zending van Joseph Smith was uniek, en toch kan zijn nederig gebed ons tot voorbeeld zijn. Hij begon en dat moeten wij ook doen met geloof in een liefdevolle God die met ons kan en wil communiceren en ons wil helpen. Dat geloof was gebouwd op indrukken die hij kreeg toen hij nadacht over de woorden van Gods dienstknechten in de Schriften. Wij kunnen en moeten het woord van God veelvuldig en aandachtig bestuderen. Als we nonchalant worden in onze studie van de woorden van Gods dienstknechten, worden onze gebeden nonchalant.
Als we de woorden des levens van onze profeten negeren, houden we misschien niet op met bidden, maar onze gebeden zullen steeds hetzelfde en ondoordachter worden, zonder blijk te geven van een oprechte bedoeling. Ons hart kan niet uitgaan naar een God die we niet kennen, en door de Schriften en de woorden van de levende profeten leren we Hem kennen. Als we Hem beter kennen, houden we meer van Hem.
We moeten Hem ook dienen om van Hem te gaan houden. Joseph Smith deed dat, gaf in zijn dienst uiteindelijk zelfs zijn leven. Joseph bad met de bedoeling om te gehoorzamen. Die gehoorzaamheid houdt altijd hulp aan anderen in. Door ons aandeel in Gods werk voelen we een deel van wat Hij voelt en leren we Hem kennen.
'Want hoe kent iemand de meester die hij niet heeft gediend, en die voor hem een vreemdeling is, en verre is van de gedachten en voornemens van zijn hart?'10Naarmate onze liefde voor Hem toeneemt, wordt ook ons verlangen om de Vader in gebed te naderen, groter.
De woorden en de muziek van deze conferentie zullen u ertoe brengen te doen wat u sterkt tegen het gevaar om nederig gebed na te laten. Door wat u hoort, zult u zich gedrongen voelen de Schriften te bestuderen. Geef daar gehoor aan. U zult er tijdens deze conferentie aan herinnerd worden dat u, toen u afdaalde in de wateren van de doop, beloofd heeft te dienen. Kies ervoor te gehoorzamen.
Als u de Schriften overpeinst en gaat doen wat u beloofd heeft, kan ik u beloven dat u meer liefde voor God gaat voelen en meer van zijn liefde voor u. En daarbij zullen uw gebeden uit uw hart komen, vol dank en smeking. U zult zich afhankelijker voelen van God. U zult de moed vinden om in zijn dienst te zijn, zonder angst, en met vrede in uw hart. En u zult Hem niet vergeten, ongeacht wat de toekomst brengt.
Ik geef u mijn getuigenis dat God, de Vader leeft. Hij houdt van ons. Hij hoort onze gebeden en verhoort ze met wat voor ons het beste is. Als we Hem leren kennen door zijn woorden en in zijn dienst, zullen we nog meer van Hem gaan houden. Ik weet dat dit waar is.
De volheid van het evangelie van Jezus Christus en de ware kerk van Jezus Christus zijn hersteld door de profeet Joseph Smith. De sleutels van het priesterschap zijn alleen in deze kerk. Ik weet zo zeker als ik leef dat president Gordon B. Hinckley de sleutels op aarde draagt en gebruikt. Jezus Christus leeft en Hij leidt zijn kerk in deze tijd. Hij zal u in deze conferentie onderwijzen door middel van zijn dienstknechten.
In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. Psalmen 9:1011.
2. Helaman 7:20.
3. Helaman 12:13.
4. Helaman 12:46.
5. 2 Nephi 32:8.
6. Mosiah 3:19.
7. Alma 34:27.
8. Jakobus 1:5; zie Geschiedenis van Joseph Smith 1:11.
9. Geschiedenis van Joseph Smith 1:12.
10. Mosiah 5:13.