OUDERLING WILLIAM W. PARMLEY
van de Zeventig
De aansporing 'Kom (...), volg Mij' en de vraag 'Wat zou Jezus doen?'
zijn uitstekende richtlijnen voor onze levenswijze.
Wij
zijn discipelen van Jezus Christus. Nephi heeft gezegd: 'Wij geloven in Christus
(...) wij spreken van Christus, wij verheugen ons in Christus,
wij prediken Christus, wij profeteren van Christus' (2 Nephi 25:24, 26).
De krachtigste instructie die Hij alle gelovigen ooit gegeven heeft, was:
'Kom (...), volg Mij' (Lucas 18:22; zie ook Matteüs 16:24, Marcus 1:17,
Lucas 9:23). Toen Hem door een schriftgeleerde werd gevraagd wat het belangrijkste
gebod was, antwoordde Jezus:
'(...) gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel
uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste
gebod.
'Het tweede (...) is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander
gebod groter dan deze, bestaat niet' (Marcus 12:30-31).
Laten we die twee geboden als richtlijn gebruiken en bespreken hoe we Hem
het beste kunnen volgen.
De Heiland heeft altijd een duidelijk voorbeeld gegeven van de wederzijdse
liefde tussen Hem en zijn Vader. De veelvuldige, lange en intense gebeden
van de Heiland zijn een voorbeeld dat wij dienen te volgen. De liefde van
de Vader voor zijn Zoon was duidelijk, vooral toen Jezus zich liet dopen
door Johannes: 'En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon,
de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb' (Matteüs 3:17).
De eenheid tussen die Twee werd duidelijk toen de Heiland zei: 'Ik en de
Vader zijn één' (zie Johannes
10:30). Als we begrijpen dat zijn wil en die van de Vader soms zelfs even
zouden kunnen verschillen, zoals in Getsemane (zie Matteüs 26:39), herinnert
dat ons eraan dat onze gebeden misschien ook niet altijd zo worden verhoord
als we hadden verwacht. Niettemin is gebed een krachtig actiebeginsel. De
Heiland heeft gezegd dat je, als je geloof hebt en niet twijfelt, al wat
je in het gebed gelovig vragen zult, zult ontvangen (zie Matteüs 21:21-22).
Onze liefde voor de Heiland moet in de praktijk worden toegepast: 'Wanneer
gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren" (Johannes 14:15).
Laten we vervolgens eens naar het tweede grote gebod kijken: 'Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf ' (Matteüs 22:39), of de tegenhanger ervan,
op hoger niveau, zoals Jezus het de apostelen leerde: 'dat gij elkander liefhebt,
gelijk Ik u liefgehad heb' (Johannes 13:34). Hoewel de buren uitnodigen voor
een etentje een prima manier is om liefde te uiten, koos de Heiland een veel
moeilijker voorbeeld toen een wetgeleerde Hem de vraag stelde: 'En wie is
mijn naaste?' (Lucas 10:29.)
Daarop volgt het bekende verhaal van een man die van Jeruzalem naar Jericho
reist, beroofd en mishandeld wordt, en half dood langs de weg wordt achtergelaten.
De Leviet en de priester zien hem en gaan aan de andere kant van de weg voorbij.
Maar een Samaritaan, die door de Joden veracht werd, had mededogen en verzorgde
hem. De Samaritaan vroeg niet naar zijn afkomst alvorens hem barmhartigheid
te betonen. Jezus besloot dit indrukwekkende verhaal met de aansporing 'Ga
heen, doe gij evenzo' (Lucas 10:37).
In elke grote stad zijn er mensen die mishandeld en langs de kant van de
weg achtergelaten zijn — daklozen, armen, hongerigen en zieken. Sommigen
zeggen dat we, als we ze geld geven, alleen maar hun drugsof alcoholverslaving
in stand houden, waarmee we ze in staat stellen om de levenswijze die ze
gekozen hebben voort te zetten. Het is zo makkelijk om die mensen te oordelen
en, net als de vrienden van Job, te speculeren over de vergissingen die zij
begaan hebben waardoor ze in deze enorme ellende zijn terechtgekomen. (Zie
Job 22; Mosiah 4:17.)
Maar voordat we net als de Leviet en de priester voorbijlopen, moeten we
eens denken aan de aansporing van de Heiland: 'Kom (...), volg Mij.' Bedenk
dat de Heiland ook dakloos was, dat Hij alleen de kleren bezat die Hij aan
had, en dat Hij vaak honger had. Wat zou Hij doen? Dat lijdt geen twijfel.
Hij zou barmhartigheid tonen en ze helpen.
Er zijn veel manieren om de daklozen te helpen, bijvoorbeeld door van uw
tijd, goederen en geld te geven aan liefdadigheidsorganisaties, gaarkeukens
of andere instellingen die zich met deze problemen bezighouden. Toch vind
ik dat we ze ook barmhartigheid moeten betonen. De gevestigde beginselen
van de welzijnszorg zijn een goede richtlijn. Bedenk dat er altijd armen
onder ons zullen zijn (zie Marcus 14:7).
De Heiland heeft dit beginsel beklemtoond toen Hij de dag des oordeels en
het scheiden van de bokken en de schapen besprak:
'Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben
wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U
te drinken gegeven?
'Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of
naakt en hebben U gekleed?
'Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?
'En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre
gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan,
hebt gij het Mij gedaan' (Matteüs 25:37-40).
Petrus heeft het belang van deze soort naastenliefde beklemtoond toen hij
zei: 'Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de liefde bedekt
tal van zonden' (1 Petrus 4:8).
Mormon heeft iets soortgelijks gezegd in deze aansporing:
'Daarom, mijn geliefde broederen, indien gij geen naastenliefde hebt, zijt
gij niets, want naastenliefde vergaat nimmer.
'Houdt daarom vast aan de naastenliefde, die het voornaamste van alles is,
want alle dingen moeten vergaan —
'Maar naastenliefde is de reine liefde van Christus, en duurt voor eeuwig;
en wie ook ten laatsten dage in het bezit er van wordt bevonden, met hem
zal het wél zijn.' (Moroni
7:46-47.)
Jezus leerde ons dat wij aan veel eigenschappen moeten denken als we Hem
proberen te volgen, en Hij was er zelf een goed voorbeeld van. Die eigenschappen
zijn onder meer liefde, zachtmoedigheid, ootmoed, mededogen, dorsten naar
gerechtigheid, vroomheid, barmhartigheid en zuiverheid van hart. We moeten
nooit een ander oordelen, maar moeten onze naaste behandelen zoals wij zelf
behandeld willen worden. Hij heeft ons geleerd dat we het zout der aarde
en een licht voor de wereld moeten zijn. Hij heeft gezegd dat wat een mens
in zijn hart denkt net zo belangrijk is als zijn uiterlijke daden. Er is
ons gezegd dat we iedereen moeten vergeven, inclusief onze schuldenaren,
en dat we onze vijanden moeten liefhebben. We moeten niet alleen vredestichters
zijn, maar bovendien moeten we ons verheugen in onze vervolging. Hij heeft
ons geadviseerd om onze gaven te geven, en in het verborgene te vasten en
bidden. Hij heeft ons geleerd om de andere wang toe te keren en de tweede
mijl te lopen. Hij heeft ons vooral gewaarschuwd dat we beter schatten in
de hemel kunnen verzamelen dan hier op aarde (zie Matteüs 5-7).
Als we denken aan de volledige betekenis van de zinsnede 'Kom (...), volg
Mij', dan wordt duidelijk dat we veel te leren hebben en veel te doen alvorens
wij volledig gehoor kunnen geven aan die opdracht. Het is in dat opzicht
interessant om te bedenken dat Jezus de eerste dertig jaar van zijn leven
in Nazaret schijnbaar weinig aandacht trok, ook al leidde Hij een zondeloos
leven (zie Matteüs 13:54-56; Marcus 6:2-3). Dat zou voor ons een aanmoediging
moeten zijn om ons leven in stilte en ootmoed te beteren, zonder aandacht
te trekken. De aansporing 'Kom (...), volg Mij' en de vraag 'Wat zou Jezus
doen?' zijn uitstekende richtlijnen voor onze levenswijze. Als we meer aandacht
schenken aan die richtlijnen, worden we allemaal christelijker in onze gedachten
en onze daden.
Ik geef mijn getuigenis van de Heiland, die ons voorbeeld is, dat Hij leeft.
In de naam van Jezus Christus. Amen.