OUDERLING QUENTIN L. COOK
van de Zeventig
Als wij heiligen willen zijn in onze tijd, moeten we ons verre houden
van slecht gedrag en ondermijnende activiteiten die in de wereld wijd verspreid
zijn.
Een aantal jaren geleden was ik in Atlanta (Georgia) als advocaat van een
man die een zaak kocht. Na dagen van onderhandelen kwamen we tot een overeenkomst
en tekenden de laatste papieren. Die avond nodigde een van de verkopers ons
uit voor een diner om de overeenkomst te vieren. Toen ik aankwam, bood hij
me een alcoholisch drankje aan, dat ik afsloeg. Toen vroeg hij: 'Bent u een
heilige?' Ik begreep niet goed wat hij bedoelde, en hij herhaalde: 'Bent
u een heilige der laatste dagen?' Ik antwoordde: 'Jazeker', en hij zei dat
hij tijdens onze onderhandelingen mijn gewoonten had geobserveerd en geconcludeerd
had dat ik lid van de kerk was, of last had van mijn maag. We grinnikten
allebei. Hij vertelde toen dat hij maar één lid van de kerk
persoonlijk gekend had: David B. Haight. Na de Tweede Wereldoorlog zaten
ze allebei in Chicago in het bestuur van een grote winkelketen. Hij vertelde
me hoeveel invloed ouderling Haight op hem had gehad, en dat hij het grootste
respect voor hem had.
Terwijl ik terugvloog naar San Francisco, dacht ik na over wat er, vooral
in twee opzichten, was gebeurd: ik verbaasde me over wat ik voelde toen me
gevraagd werd of ik een heilige was, en ik was onder de indruk van de positieve
invloed van het voortreffelijke voorbeeld (van ouderling Haight) op die goede
man.
Wat houdt het in om een heilige te zijn? In de kerk van de Heer zijn de
leden heiligen der laatste dagen, en zij trachten de Heiland na te streven,
zijn leringen toe te passen en heilbrengende verordeningen te ontvangen om
met God de Vader en onze Heiland, Jezus Christus in het celestiale koninkrijk
te wonen.1 De Heiland heeft gezegd: '(...) dit is mijn evangelie;
en gij weet, wat gij in mijn kerk moet doen; want de werken die gij Mij hebt
zien doen, zult gij eveneens doen (...).'2
Het is niet makkelijk om heilige der laatste dagen te zijn. Dat was ook
niet de bedoeling. Het uiteindelijke doel: wonen bij God de Vader en zijn
Zoon, Jezus Christus, is een bijna niet te bevatten voorrecht.
Een van de grootste beproevingen waarmee de kerk ooit te maken heeft gehad,
was het martelaarschap van de profeet Joseph Smith, en de uiteindelijke verdrijving
van de heiligen uit Nauvoo. Toen ze onder zeer ongunstige omstandigheden
over de vlakten trokken, schreef William Clayton de prachtige lofzang 'Komt,
heil'gen, komt'. Het was een lofzang die hen aansprak en herinnerde aan hun
heilige zending. Wie van ons wordt niet emotioneel, als we, denkend aan hun
offer, moed en toewijding, zingen: 'En sterven wij alvorens daar te zijn,
blijde dag, ongehoord!'3
Die lofzang gaf troost, bemoediging en hoop in een tijd van grote moeilijkheden
met schier onoverkomelijke obstakels. Het monterde hen op en wierp licht
op het feit dat dit sterfelijk leven een reis is tussen het voorsterfelijke
leven en het komende eeuwige leven — het grote plan van geluk. Broeder
Claytons inspirerende lofzang gaat over offers en wat het werkelijk betekent
om een heilige te zijn. Onze pioniers probeerden in hun tijd uit alle macht
om heiligen te zijn.
Het Griekse woord voor 'heilig' betekent 'apart gezet, onderscheiden en
heilig'.4 Als wij heiligen willen zijn in onze tijd, moeten we
ons verre houden van slecht gedrag en ondermijnende activiteiten die in de
wereld wijd verspreid zijn.
We worden bedolven onder beelden van geweld en onzedelijkheid. Ongepaste
muziek en pornografie worden steeds meer gedoogd. Drugen alcoholgebruik neemt
hand over hand toe. Er ligt minder nadruk op eerlijkheid en karakter. Men
eist zijn recht, maar plicht, verantwoordelijkheid en verplichtingen worden
veronachtzaamd. Het taalgebruik verruwt en we worden blootgesteld aan verachtelijke,
vulgaire zaken. De tegenstander is meedogenloos in zijn pogingen om het plan
van geluk te ondergraven. Als wij ons distantiëren van dat wereldse
gedrag, hebben we de Geest bij ons en zijn we blij dat we rechtschapen heiligen
der laatste dagen zijn.
Wij, heiligen, moeten geen wereldse afgoden aanbidden. President Hinckley
heeft uiting gegeven aan zijn verlangen dat 'iedereen iets van het goede
des levens mag hebben' maar hij heeft ook gewaarschuwd: 'Bezetenheid van
rijkdom verziekt en vernietigt.'5
In 1630 heeft John Winthrop aan boord van de Arbella zijn medepassagiers
verteld over een visioen van het nieuwe land (Amerika). Het is bekend geworden
als de toespraak over 'De stad op een berg'. In het laatste deel verwijst
Winthrop naar Deuteronomium 30 en waarschuwt hij voor afgodendienst met de
nadruk op 'genot en winstbejag'.6 In het recente verleden heeft
president Kimball gezegd dat huizen, boten, status, titels en dergelijke
zaken afgoden kunnen worden die ons weglokken van de liefde en ons werk voor
God.7
De profeet Moroni heeft in verband met onze tijd gewaarschuwd voor de liefde
voor geld en materie, en gezegd dat we daar meer van houden 'dan van de arme
en de behoeftige, en van de zieke en de lijdende.'8
Willen we goede heiligen zijn, dan moeten we anderen helpen en gehoor geven
aan de aansporing van de Heiland om God en onze naasten lief te hebben.
Afzondering van het kwaad van de wereld moet samengaan met heiligheid. Een
heilige houdt van de Heiland en volgt Hem in heiligheid en overgave.9 Die
heiligheid en overgave bewijzen we door onze toewijding en opoffering. President
Hinckley heeft ons geleerd: 'Zonder opoffering is er geen ware aanbidding
van God.'10 Opoffering is de opperste test van het evangelie.
Het betekent dat we tijd, talenten, energie en aardse bezittingen toewijden
aan de voortgang van Gods werk. Leer en Verbonden 97 vers 8 eindigt met:
'(...) Allen (...) die (...) gewillig zijn hun verbonden door opoffering
na te komen — ja, iedere opoffering, die Ik, de Here zal eisen — worden
door Mij aangenomen.'
Heiligen die gehoor geven aan de boodschap van de Heiland worden niet misleid
door afleidende en destructieve bezigheden, en zijn voorbereid om passende
offers te brengen. Het belang van opoffering voor wie heiligen willen zijn,
wordt aangetoond door het zoenoffer van de Heiland, wat centraal staat in
het evangelie.11
Terugkomend op de oorspronkelijke vraag van mijn kennis in Atlanta: 'Bent
u een heilige?' stel ik u drie vragen die tot zelfonderzoek kunnen leiden.
Ten eerste: komt onze levenswijze overeen met wat we geloven, en zouden
onze vrienden en kennissen, net als de vriend van ouderling Haight, zien
dat we ons van het kwaad van de wereld hebben gedistantieerd?
Ten tweede: leiden werelds genot, winstbejag en dergelijke zaken ons af
van navolging, aanbidding en dienen van de Heiland?
Ten derde: brengen we, om God te dienen en heilig te zijn, offers die stroken
met onze verbonden?
Wat een zegen is het om een heilige der laatste dagen te zijn. Ik hou van
de tekst in de laatste twee zinnen van de lofzang 'O volk van Zion'.
O volk van Zion, wees uw God
met vreugde toegewijd,
want eer en macht en heerlijkheid
is Hem in eeuwigheid!12
Ik getuig dat we, als we het kwaad en destructieve zaken vermijden en opofferingen
brengen om te dienen, blij zullen zijn dat we toegewijde heiligen der laatste
dagen zijn, en dat we, volgens de belofte in de Schriften, vrede in deze
wereld en eeuwig leven in de komende wereld zullen ontvangen.13 In
de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. Zie 2 Nephi 9:18.
2. 3 Nephi 27:21.
3. Lofzang 15.
4. Daniel H. Ludlow, ed.,Encyclopedia of Mormonism, 5
delen (1992), 3:1249.
5. Gordon B. Hinckley, 'Gij zult niet begeren',De
Ster, februari 1991,
p. 6.
6. 'A Model of Christian Charity', in Robert L. Ferm, red.,Issues
in American Protestantism (1969), p. 11.
7. ZieThe Miracle of Forgiveness (1969), p. 40-41.
8. Mormon 8:37.
9. Zie Wm. Grant Bangerter, 'What It Means to Be a Saint',Ensign, mei
1987, p. 11.
10.Teachings of Gordon B. Hinckley, [1997],
p. 565.
11. Zie Alma
34:8-16.
12. Lofzang 28.
13. LV 59:23.