PRESIDENT GORDON B. HINCKLEY
Ik wil u graag bedanken omdat u bent wie u bent en omdat u zoveel tot
stand brengt. Mogen hemelse zegeningen op u rusten.
Iemand heeft gezegd: 'Wees vriendelijk voor vrouwen. Zij vormen de helft
van de wereldbevolking en zijn de moeders van de andere helft.'
Geliefde zusters, u bent geweldige vrouwen die het goede deel hebben gekozen
en ik heb veel bewondering voor alles wat u doet. Ik zie dat u bij van alles
betrokken bent.
Velen van u zijn moeder, en dat kan al uw tijd in beslag nemen.
U bent een huwelijkspartner — de beste kameraad die uw man heeft of
ooit zal hebben.
U bent huishoudster. Dat klinkt niet erg indrukwekkend, vindt u niet? Maar
het is heel wat werk om een huis schoon en netjes te houden.
U bent inkoopster. Totdat ik wat ouder was, heb ik me nooit kunnen voorstellen
wat een veeleisende verantwoordelijkheid het is om altijd voldoende voedsel
en nette en representatieve kleding in huis te hebben, om alles in te kopen
wat een gezin nodig heeft.
U bent verpleegster. Als er iemand ziek wordt, bent u de eerste die dat
te horen krijgt en de eerste die hulp verleent. Als iemand ernstig ziek is,
zit u dag en nacht naast het ziekbed om te troosten, aan te moedigen, te
helpen en te bidden.
U bent de chauffeur in het gezin. U help uw kinderen met hun krantenwijk,
u rijdt ze naar sportevenementen en naar activiteiten van de kerk. U rijdt
maar heen en weer.
En zo kan ik doorgaan. Mijn kinderen zijn nu allemaal volwassen. Sommigen
zijn al over de zestig. Maar als ze opbellen en ik de telefoon aanneem, zeggen
ze: 'Hoe gaat het?' En voordat ik antwoord kan geven, vragen ze: 'Is ma thuis?'
Ze is hun hele leven al hun steun en toeverlaat. Sinds ze een baby waren,
hebben ze haar om hulp gevraagd. En zij heeft daar altijd gehoor aan gegeven
met genegenheid, advies en onderricht. Ze is in alle opzichten een zegen
in hun leven.
Nu hebben we kleindochters die moeder zijn. Zij bezoeken ons en ik bewonder
hun geduld, hun vaardigheid om kinderen te kalmeren, te laten ophouden met
huilen, en in mijn ogen nog duizend andere dingen.
Zij rijden auto, bedienen de computer, bezoeken de activiteiten van hun
kinderen, koken en naaien, geven les en spreken in de kerk.
Als ik naar hun echtgenoten kijk, heb ik soms de neiging om te zeggen: 'Word
wakker en doe ook eens iets. Waardeer jij je vrouw wel voldoende? Weet je
wel hoeveel zij doet? Geef je haar wel eens een complimentje? Bedank je haar
wel eens?'
Geliefde zusters, ik wil u graag bedanken. Ik wil u graag bedanken omdat
u bent wie u bent en omdat u zoveel tot stand brengt. Mogen hemelse zegeningen
op u rusten. Ik hoop dat uw gebeden worden verhoord en uw dromen verwezenlijkt.
U werkt zo hard in de kerk. U vindt dat er zoveel van u vereist wordt. En
dat is ook zo. Maar als we een taak volbracht hebben, worden we gezegend.
Velen van u denken dat ze mislukkelingen zijn. U hebt het gevoel dat het
niet goed gaat, dat al uw inspanningen niet voldoende zijn.
Dat gevoel hebben we allemaal wel eens. Ik heb dat gevoel nu ik vanavond
tot u spreek. Ik verlang naar en bid voor de kracht en de vaardigheid om
u op te bouwen, te inspireren, te bedanken en te prijzen; om u een gevoel
van blijdschap te geven.
Wij maken ons allemaal zorgen om onze prestaties. We willen het allemaal
beter doen. Maar helaas beseffen we niet, of zien we niet, wat de resultaten
van onze inspanningen zijn.
Ik kan me nog herinneren dat ik jaren geleden tijdens een ringconferentie
in het oosten van het land moest spreken. Op weg naar huis voelde ik me een
mislukkeling. Ik dacht dat ik niemand iets goeds had meegegeven. Ik voelde
me ellendig en onbekwaam.
Jaren daarna bezocht ik een ringconferentie in Californië. Na de bijeenkomst
kwam er een man naar mij toe die zei: 'U hebt enkele jaren geleden op een
ringconferentie in het oosten van het land gesproken.'
Ik zei: 'Ja, dat kan ik me nog herinneren.'
De man zei: 'U hebt me toen echt geraakt. Ik was uit nieuwsgierigheid naar
die bijeenkomst gekomen. Ik had geen oprechte interesse. Ik stond op het
punt om de kerk te verlaten. Maar toen ik hoorde dat er een lid van de Twaalf
zou komen, ben ik toch maar gegaan.
'U zei toen iets waardoor ik ben gaan nadenken. Ik werd erdoor geraakt,
bleef eraan denken, het was een stimulans. Ik besloot mijn koers te veranderen.
Ik ben een beter leven gaan leiden. Ik woon nu hier in Californië. Ik
heb een goede baan, waar ik heel dankbaar voor ben. Ik hoop dat ik een goede
echtgenoot en vader ben. En ik ben ook raadgever in de bisschap van onze
wijk. Ik ben gelukkiger dan ooit.'
Ik bedankte hem, nam afscheid en zei hoofdschuddend tegen mezelf: 'Je weet
maar nooit. Je weet nooit of je iets voor iemand betekent. Je weet nooit
hoeveel je bereikt.'
Geliefde zusters, dat geldt ook voor u. U doet uw uiterste best, en daardoor
bent u uzelf en anderen tot zegen. Maak uzelf niet wijs dat u faalt. Ga op
uw knieën en vraag om de zegeningen van de Heer; sta dan op en doe wat
er van u gevraagd wordt. En laat de rest aan de Heer over. Dan zult u ontdekken
dat u iets hebt bereikt wat onbetaalbaar is.
Ik besef dat ik tot allerlei mensen spreek. Onder wie jonge vrouwen die
nog op school zitten of die werken. U bent nog niet getrouwd. U hoopt die
volmaakte man te vinden. Ik heb nog nooit een volmaakte man gezien. Stel
hoge doelen, maar niet zo hoog dat ze onbereikbaar zijn. Het gaat erom dat
hij van u houdt, dat hij u respecteert, dat hij u waardeert, dat hij u volledig
trouw is, dat hij u vrijheid van meningsuiting geeft en u uw eigen talenten
laat ontwikkelen. Hij zal niet volmaakt zijn, maar als hij vriendelijk en
zorgzaam
is, als hij hard werkt om in zijn onderhoud te voorzien, als hij eerlijk
en gelovig is, dan is de kans op succes groot en zult u gelukkig kunnen worden.
Sommigen van u zullen, helaas, in dit leven niet trouwen. Zo gaat dat soms.
Als dat het geval is, blijf daar dan niet over treuren. De wereld heeft behoefte
aan uw talenten. Er is behoefte aan uw bijdrage. De kerk heeft uw geloof
nodig. Er is behoefte aan uw sterke, helpende hand. Het leven is geen mislukking,
tenzij we dat er zelf van maken. Er zijn zoveel mensen die uw helpende hand,
uw liefdevolle glimlach en uw zorgzaamheid nodig hebben. Ik zie zoveel vaardige,
aantrekkelijke, fantastische vrouwen aan wie het huwelijk voorbij is gegaan.
Dat begrijp ik niet, maar ik weet dat er in het plan van de Almachtige, het
eeuwige plan dat we Gods plan van geluk noemen, voor iedereen mogelijkheden
en beloningen zullen zijn.
Als u een jonge moeder met kleine kinderen bent, hebt u een enorme taak.
Vaak is er niet voldoende geld. U moet erg zuinig zijn en sparen. U moet
verstandig en voorzichtig zijn wat uw uitgaven betreft. U moet sterk, moedig
en dapper zijn, en met blijde ogen en liefde in uw hart voorwaarts streven.
Jonge moeders, wat bent u gezegend. U hebt kinderen die voor eeuwig de uwe
zijn. Ik hoop dat u in het huis des Heren bent verzegeld, en dat uw gezin
een eeuwig gezin in het koninkrijk van onze Vader zal zijn.
Ik hoop dat u de kracht zult ontvangen om uw zware last te dragen, om aan
al uw verplichtingen te voldoen, om zij aan zij met een goede, getrouwe en
zorgzame man door het leven te gaan, en samen met hem uw kinderen in rechtschapenheid
en waarheid te verzorgen en op te voeden. Geen enkel bezit, geen enkele wereldse
aangelegenheid zal ooit zoveel waard zijn als de liefde van uw kinderen.
Jonge moeders, ik bid dat God u zal zegenen.
Dan zijn er de iets oudere vrouwen, die jong noch oud zijn. U bevindt zich
in de prachtigste tijd van uw leven. Uw kinderen bevinden zich in hun tienerjaren.
Misschien zijn enkele kinderen al getrouwd. Sommige kinderen zijn op zending
en u moet offers brengen om ze in het zendingsveld te onderhouden. U hoopt
en bidt dat zij succesvol en gelukkig zijn. U wil ik bijzondere raad geven,
geliefde zusters.
Tel uw zegeningen, één voor één. U hebt geen
enorm herenhuis nodig met een hoge, langlopende hypotheek. U hebt een gezellig,
aangenaam huis nodig waar liefde heerst. Iemand heeft ooit gezegd dat er
geen mooier plaatje is dan een goede vrouw die eten klaarmaakt voor de mensen
die zij liefheeft. Denk goed over uw beslissingen na. U hebt niet alle luxe
nodig waardoor u buitenshuis moet werken. Overweeg zorgvuldig hoe belangrijk
het is dat u thuis bent als de kinderen uit school komen.
Moeders, zorg goed voor uw dochters. Heb een goede relatie met hen. Luister
naar ze. Praat met ze. Zorg ervoor dat ze geen domme streken uithalen. Begeleid
ze, zodat ze het goede zullen doen. Zorg ervoor dat zij zich betamelijk en
fatsoenlijk kleden. Behoed ze tegen alle gevaren om hen heen.
Voed uw zoons met liefde en raad op. Leer ze hoe belangrijk het is dat zij
zich goed verzorgen en zich netjes kleden. Slordige gewoonten leiden tot
een slordig leven. Breng ze discipline bij. Zorg ervoor dat zij de geboden
onderhouden en de kerk als zendeling kunnen vertegenwoordigen. Geef ze iets
te doen zodat ze leren werken. Leer ze zuinigheid. Werken en zuinigheid leiden
tot voorspoed. Leer ze dat er na elf uur 's avonds niets goeds meer plaatsvindt.
En verwen ze niet. Als ze op zending gaan, moeten ze misschien ergens wonen
waar het er niet al te best uitziet. Maak u geen zorgen over hen. Maar moedig
ze aan.
Ontwikkel bij uw kinderen ook het verlangen naar een goede opleiding. Dat
is de sleutel tot succes in het leven. Maar leer ze daarnaast ook dat president
David O. McKay heeft gezegd dat geen enkel succes in het leven opweegt tegen
falen in het gezin.1
En nu wil ik spreken tot de alleenstaande moeders die zwaar belast zijn
omdat ze in de steek zijn gelaten of hun man hebben verloren. U draagt een
zware last. Draag die verstandig. Streef naar de zegeningen van de Heer.
Wees dankbaar voor de hulp die u kunt ontvangen van de priesterschapsquorums
om u thuis of in andere zaken bij te staan. Bid zachtjes in het verborgene
en laat zo nodig uw tranen stromen. Maar heb een glimlach op uw gezicht in
het bijzijn van uw kinderen of andere mensen.
En nu wil ik tot de grootmoeders spreken, de oudere weduwen en de oudere
eenzame vrouwen. Wat bent u toch mooi. En dan kijk ik naar mijn lieve vrouw,
die bijna 92 is. Haar haar is grijs, haar lichaam gebogen.
Ik neem een van haar handen in de mijne. Eens was die prachtig, het vlees
stevig en gaaf. Nu is die gerimpeld, een beetje knokig en niet zo sterk meer.
Maar er spreekt liefde, standvastigheid en geloof uit, door jarenlang hard
werken. Haar geheugen is ook niet meer wat het geweest is. Ze kan zich nog
wel herinneren wat er vijftig jaar geleden gebeurd is, maar vaak niet meer
wat er een half uur geleden is voorgevallen. En voor mij geldt hetzelfde.
Maar ik ben zo dankbaar voor haar. 66 jaar lang zijn we hand in hand door
het leven gegaan, met liefde en aanmoediging, met waardering en respect.
Het zal niet lang meer duren voordat een van ons naar de andere kant van
de sluier zal gaan. Ik hoop dat de ander dan snel zal volgen. Zelfs aan de
overzijde zou ik niet weten wat ik zonder haar moest beginnen, en ik hoop
dat zij niet weet wat ze zonder mij moet beginnen.
Mijn dierbare vriendinnen van de zustershulpvereniging, wat uw omstandigheden
ook zijn, mogen de vensters van de hemel geopend worden en mogen er zegeningen
op u worden uitgestort. Ik hoop dat u met liefde voor elkaar door het leven
zult gaan. Ik hoop dat u de mensen zult helpen die zware lasten te dragen
hebben. Ik bid dat u in de wereld licht en schoonheid zult uitstralen, maar
vooral in uw gezin en in het leven van uw kinderen.
Net als ik weet u dat God, onze eeuwige Vader, leeft. Hij houdt van u. Net
als ik weet u dat Jezus de Christus is, zijn onsterfelijke Zoon, onze Verlosser.
U weet dat het evangelie waar is en dat de hemel nabij is als we het in ons
leven toepassen.
U bent de zustershulpvereniging van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen
der Laatste Dagen. Geen enkele andere organisatie kan ermee vergeleken worden.
Heb zelfrespect. Recht uw rug. Werk ijverig. Doe wat de kerk van u verwacht.
Bid in geloof. We weten nooit hoeveel goeds we kunnen bereiken. Iemand zal
door uw inspanningen gezegend worden. Dat u de vertroostende, bevredigende
omhelzing van de Heilige Geest zult ontvangen, bid ik in de heilige naam
van Jezus Christus. Amen.
NOOT
1. Geciteerd uit J. E. McCulloch,Home: The Savior of Civilization (1924),
p. 42; Conference Report, april 1935, p. 116.