Ouderling Stephen B. Oveson
van de Zeventig
De vraag is nu wat wij doen om dit erfgoed door te geven aan onze geliefde kinderen en kleinkinderen?
Mijn geliefde broeders en zusters, ik ben erg dankbaar dat ik hier vandaag met u in deze historische Tabernakel kan zijn. Mijn grootvader, Lars Peter Oveson, was als president van de ring Emery County (Utah) 47 jaar geleden uitgenodigd om hier zijn getuigenis te geven.
Ook al stierf hij toen ik nog jong was, mijn grootvader is altijd een held voor mij geweest. Ik heb zijn dagboek bestudeerd en keer op keer spreekt daaruit zijn bereidheid om de taken waarvoor hij in de loop van zijn leven werd geroepen, te aanvaarden. Zijn ouders en hij bekeerden zich in Denemarken tot het evangelie, emigreerden naar dit land en staken de vlakten over om zich bij de heiligen in Utah aan te sluiten. Een van zijn roepingen vereiste dat hij zijn jonge vrouw met wie hij pas getrouwd was, achterliet om zes maanden te gaan helpen bij de bouw van de St. George-tempel. Hij liet zijn vrouw en jonge gezin opnieuw achter om twee jaar op zending te gaan naar zijn vaderland Denemarken. Later was hij nog werkzaam als bisschop en gemeentepresident waardoor hij driemaal genoodzaakt was met zijn gezin te verhuizen en elders opnieuw te beginnen. Te midden van al deze omwentelingen bleef hij dankbaar, opgewekt en getrouw aan de evangeliebeginselen en hij liet een groot erfgoed van geloof na aan hun die zijn naam dragen.
Dit erfgoed is aan mij doorgegeven door mijn vader, Merrill M. Oveson, de jongste in het gezin van dertien kinderen. Hij en mijn moeder, Mal Berg Oveson, ook uit een getrouw voorgeslacht, werden in de Salt Lake-tempel aan elkaar verzegeld. Daarna stapten ze op de trein naar Oregon waar mijn vader zijn opleiding vervolgde. Ze bleven er veertig jaar. Het grootste gedeelte van die tijd woonden ze in een kleine agrarische gemeenschap waar ze de enige leden van de kerk waren.
Ik heb er vaak over nagedacht hoe makkelijk het voor mijn ouders zou zijn geweest om van geloof te veranderen en samen met hun vele vrienden de plaatselijke christelijke kerk te bezoeken. Het zou het leven eenvoudiger hebben gemaakt, vooral gedurende de Tweede Wereldoorlog toen benzine en autobanden op de bon waren en het onmogelijk was om de 60 kilometer naar de dichtstbijzijnde georganiseerde gemeente te rijden. In plaats daarvan kregen ze toestemming om thuis zondagsschool te houden wat zij die jaren iedere week getrouw deden. Daar namen we als gezin van het avondmaal. Daar leerden mijn broers en zusters en ik de evangeliebeginselen en luisterden we letterlijk aan de voeten van onze ouders naar de verhalen uit de Bijbel en het Boek van Mormon.
Mijn vader, ook een van mijn helden, is een aantal jaren geleden overleden, maar mijn moeder, die nu 96 is, bezoekt nog iedere week trouw haar wijk en is een inspiratiebron voor iedereen die haar kent.
Mijn vrouw heeft een soortgelijke achtergrond. En daar zijn we heel dankbaar voor. We weten dat de Heer ons onze huidige roeping heeft toevertrouwd ten dele dankzij de getrouwheid van degenen die ons zijn voorgegaan. De vraag is nu wat wij doen om dit erfgoed door te geven aan onze geliefde kinderen en kleinkinderen?
Of we nu tot de eerste generatie leden van de kerk behoren of dat ons generaties zijn voorgegaan, wij hebben de taak om een erfgoed van geloof door te geven aan ons nageslacht. En dat doen we door onze dagelijkse daden. Zij die net gedoopt zijn, hebben een geweldige kans om de pioniers te worden voor hun voor- én nageslacht. Ten einde aan deze verplichting te voldoen, moeten wij allemaal onszelf een paar doelgerichte vragen stellen:
Getuigt ons leven van eerlijkheid en integriteit?
Volgen we zowel de raad van de overleden als de levende profeten op?
Houden we ons aan onze verbonden?
Houden we gezinsavond, bestuderen we de Schriften en proberen we te leven volgen de voorschriften die we daaruit leren?
Houden we ons aan het woord van wijsheid?
Zijn we royaal in het betalen van onze tiende en andere gaven?
Bidden en vasten we regelmatig en met een oprecht hart?
Luisteren we goed naar antwoorden op onze gebeden en proberen we de ingevingen van de Geest te volgen?
Zijn we goede buren en trouwe vrienden?
Werken we mee aan de opbouw van Gods koninkrijk door het priesterschap te eren, onze roepingen groot te maken en anderen over het evangelie te vertellen?
Zijn we niet lichtgeraakt en vergeven we snel?
Kunnen we oprecht zeggen dat we ons niet alleen van onze fouten bekeren, maar er ook van leren?
Stellen we de Heiland en zijn evangelie op de eerste plaats? Of zoals iemand het eens heeft gezegd: 'Als we voor de rechtbank ervan beschuldigd zouden worden heilige der laatste dagen te zijn, zou er dan genoeg bewijs zijn om ons te veroordelen?'
Broeders en zusters, als we niet tevreden zijn met de antwoorden op dit soort vragen, moeten we vandaag ermee beginnen een beter voorbeeld te zijn zodat degenen die ons het dierbaarst zijn 'uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken' (Matteüs 5:16).
Ik moet toegeven dat die keren dat mijn leven niet in overeenstemming was met de normen van mijn voorouders, ik wereldlijke zaken de prioriteit had gegeven boven geestelijke. Maar ik heb geleerd dat het mogelijk is om onze doelen bij te stellen en ons te richten op eeuwige waarden.
Mijn vrouw en ik hebben gezien hoe veel bekeerlingen de nodige veranderingen aanbrachten om het evangelie tot het middelpunt van hun leven te maken. We hebben honderden jonge voltijdzendelingen in Buenos Aires (Argentinië) de noodzakelijke offers zien brengen om een waarlijk toegewijd dienstknecht van de Heer te worden. Het enige dat daarvoor nodig is, is het verlangen, gehoorzaamheid, toewijding en doorzettingsvermogen. De Heer zal de rest doen!
Wij zijn zijn kinderen. Hij houdt van ons en kent een ieder van ons bij naam. Hij wil dat we in zijn tegenwoordigheid terugkeren en voor eeuwig bij Hem wonen. Dat is het grote erfgoed van het evangelie van Jezus Christus. Dankzij het zoenoffer van onze Heiland, zijn we verzekerd van het leven hierna en de mogelijkheid om alles te erven wat de Vader heeft. Met deze kennis en dit erfgoed moeten we 'standvastig in Christus voorwaarts streven, met onverzwakte hoop' (2 Nephi 31:20).
Wij moeten het voorbeeld volgen van onze geliefde profeet, president Hinckley, die onlangs tegen studenten aan het Ricks College zei: 'Ik wil met alle kracht die in mij is, tegen jullie zeggen: word geen zwakke schakel tussen jullie voor- en nageslacht. Jullie zijn op de wereld gekomen met een geweldig erfgoed en stammen af van grote mannen en vrouwen. ( . . . ) Stel ze nooit teleur. Doe nooit iets wat die eeuwige ketting, waar jullie een essentieel deel van zijn, zwakker maakt.' (Scroll, 14 september 1999, blz. 20.) Voor mij betekent dat, dat we al het mogelijke moeten doen om aan onze geliefden het grote erfgoed van een blijvend getuigenis van het evangelie door te geven.
Zoals mijn grootvader 74 jaar geleden zo welsprekend zei: 'Ik verheug me erin mijn getuigenis van de waarachtigheid van dit werk aan de wereld te geven, want ik weet dat het waar is; ik weet dat het gegeven is om de kinderen van God te verheffen en hun vooruitgang mogelijk te maken. Ik bid dat de Heer ons wil helpen ( . . . ) zodat we getrouw zullen blijven en moedige werkers voor de goede zaak zullen zijn en mee zullen werken aan de opbouw van Gods koninkrijk op aarde.' (Lars Oveson, Conference Report, april 1925, blz. 125.) Aan deze waarheden voeg ik mijn eigen getuigenis toe, in de naam van Jezus Christus. Amen.