The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
oktober 1999
Stel niet uit

Stel niet uit

Ouderling Henry B. Eyring
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Nephi had gelijk. God geeft geen geboden aan de kinderen der mensen zonder de weg voor hen te bereiden zodat ze gehoorzaam kunnen zijn. Hoe moeilijk onze omstandigheden ook zijn, we kunnen ons bekeren.

Ouderling Henry B. Eyring

We hebben allemaal wel eens met tijdslimieten te maken gehad. De angst kan ons bekruipen als we beseffen dat er misschien niet voldoende tijd over is om af te maken wat we hebben beloofd. De volgende gedachte komt dan op: 'Waarom ben ik er niet eerder aan begonnen?'

De Heer wist dat we in de verleiding zouden komen om de belangrijkste voorbereiding in dit leven uit te stellen. Hij heeft ons meerdere malen voor uitstel gewaarschuwd. Hij heeft de gelijkenis van de tien maagden verteld, van wie er vijf hun lampen niet gevuld hadden voor de komst van de bruidegom. Hij heeft ook de gelijkenis van de ontrouwe dienstknechten verteld, die geloofden dat hun Heer zijn komst zou uitstellen. De resultaten van het uitstel waren tragisch.

Voor de vijf onvoorbereide maagden gold het volgende:

'Later kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet' (Matteüs 25:11­12).

Voor de ontrouwe dienstknechten die hun voorbereiding hadden uitgesteld gold het volgende:

'Dan zal de Heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars' (Matteüs 24:50­51).

De verleiding om onze bekering uit te stellen komt niet alleen aan het eind van de wereld, zoals in deze teksten wordt verondersteld. Die verleiding is al vanaf het begin bijna voortdurend aanwezig en duurt ons hele leven voort. Tijdens onze jeugd dachten we misschien: 'Er is nog voldoende tijd om me over geestelijke zaken druk te maken, vlak voordat ik op zending ga of ga trouwen. Geestelijke zaken zijn voor oudere mensen.' Dan, in de eerste huwelijksjaren, is de druk van het leven, van banen, rekeningen en het zoeken naar een beetje rust en ontspanning zo groot dat uitstel van verplichtingen ten opzichte van God en het gezin redelijk lijkt. Het is dan gemakkelijk om te denken: 'Misschien zal ik er op middelbare leeftijd meer tijd voor hebben.' Maar de tijdsdruk neemt niet af in de daaropvolgende jaren. Er is zoveel te doen en de tijd lijkt steeds sneller te gaan. De 55ste, 65ste, en 75ste verjaardag lijken geen decennium meer uit elkaar te liggen.

Als we ouder worden krijgen we lichamelijke en emotionele beperkingen. We lijken niet zo veel werk meer in een uur te kunnen verzetten als vroeger. En het is moeilijker om geduldig ten opzichte van anderen te zijn, en zij lijken steeds veeleisender. Het is verleidelijk om weer excuses te verzinnen en niet aan de normen van onze verbonden te voldoen, die we nu al zo lang hebben veronachtzaamd.

We lopen niet allemaal in die val van niets doen. Maar er zijn zoveel mensen die dat wel doen, dat we allemaal wel één dierbare persoon hebben -- een kind, een ouder, een vriend -- voor wie we ons verantwoordelijk voelen, en over wie we ons zorgen maken. Zij zijn in het evangelie onderwezen. Zij hebben verbonden gesloten. En toch gaan zij voort in hun ongehoorzaamheid en onachtzaamheid, ondanks de leegte die daaruit voortkomt. Het is hun eigen keus om zich te bekeren of een gevangene van hun eigen zonden te blijven. Als wij begrijpen hoe de val van inactiviteit en verzet in hun verstand en hart is geplaatst, kunnen wij het antwoord op ons vurig gebed beter horen: 'Alstublieft, hemelse Vader, want kan ik doen om te helpen?'

Die verleiding tot uitstel is van onze vijand Lucifer afkomstig. Hij weet dat wij nooit echt gelukkig zullen worden tenzij we hoop in dit leven hebben en de realisering van die hoop in het komende, het eeuwige leven. Het is de grootste van alle gaven Gods. Het betekent als gezin voor eeuwig bij onze hemelse Vader en Jezus Christus te wonen en eeuwig nakomelingschap te hebben. Satan wil dat wij net zo ellendig als hij worden. En hij weet dat wij dat ware geluk uitsluitend kunnen verkrijgen als we zijn schoongewassen door geloof in Jezus Christus, door oprechte en voortdurende bekering, en door het sluiten en nakomen van heilige verbonden die ons door de dienstknechten van God worden aangereikt. In de Schriften wordt het gevaar bevestigd:

'Indien gij derhalve het boze hebt gezocht in de dagen van uw proeftijd, wordt gij onrein bevonden voor de rechterstoel van God, en niets, wat onrein is, kan bij God wonen; daarom moet gij voor eeuwig worden verworpen' (1 Nephi 10:21).

En op die manier verleidt Satan ons tijdens onze hele proeftijd met uitstel. Door iedere keus om bekering uit te stellen, krijgt hij de kans om het geluk te stelen van een van de geestkinderen van onze hemelse Vader.

Wij zijn allemaal weleens in de verleiding om zoiets uit te stellen. Wij weten uit eigen ervaring dat president Spencer W. Kimball het bij het goede eind had toen hij schreef: 'Een van de ernstigste tekortkomingen van de mens in alle tijden, is uitstellen.' En toen definieerde hij het: 'Een gebrek aan bereidheid om nu meteen persoonlijke verantwoordelijkheid te aanvaarden.' (The Teachings of Spencer W. Kimball, bezorgd door Edward L. Kimball [1982], blz. 48; cursivering toegevoegd). Daarom werkt Satan in op zowel ons verlangen om te denken dat we geen reden hebben om ons te bekeren, als ons verlangen om onprettige zaken door te schuiven naar de toekomst. Hij heeft u en mij verleid, en onze geliefden, met gedachten zoals deze: 'God is zo liefdevol, Hij zal me beslist niet verantwoordelijk houden voor vergissingen die gewoon het gevolg zijn van het feit dat ik ook maar een mens ben.' En als dat niet werkt, dan is er de vrijwel onvermijdelijke gedachte: 'Nou, ik moet me weliswaar bekeren, maar dit is geen goede tijd om ermee te beginnen. Als ik maar wacht, dan is er later een betere tijd.'

Er zijn enkele waarheden die dergelijke leugens ontmaskeren, die de bedoeling hebben om ons ertoe te verleiden onze bekering uit te stellen. Laten we beginnen met de misleidende gedachte, die zo aantrekkelijk is, dat we ons niet hoeven te bekeren.

De waarheid is dat we ons allemaal moeten bekeren. Als we bij ons volle verstand zijn en ouder dan acht jaar, hebben we allemaal de reiniging nodig die uit de verzoening van Jezus Christus voortkomt. Als dat duidelijk is, kunnen we niet tot uitstellen verleid worden door de subtiele vraag: 'Heb ik een ernstige zonde begaan of kan ik zelfs de gedachte aan bekering nog wel even uitstellen?' Het gaat uiteindelijk allemaal om de volgende vraag: 'Hoe kan ik het begin van zonde leren onderkennen en me zo snel mogelijk bekeren?'

Een tweede waarheid met betrekking tot onze verantwoordelijkheid is de wetenschap dat we geen hulpeloze slachtoffers van onze omstandigheden zijn. De wereld probeert ons wijs te maken dat het tegenovergestelde waar is: onvolmaaktheden in onze ouders en in ons genetisch erfgoed worden als excuus gebruikt om ons van onze persoonlijke verantwoordelijkheid te ontheffen. Maar hoe moeilijk de omstandigheden ook mogen zijn, wij blijven verantwoordelijk voor onze activiteiten en onze inactiviteit. Nephi had gelijk. God geeft geen geboden aan de kinderen der mensen zonder de weg voor hen te bereiden zodat ze gehoorzaam kunnen zijn. Hoe moeilijk onze omstandigheden ook zijn, we kunnen ons bekeren.

De wereld is misschien gewillig om onze zonden door de vingers te zien omdat anderen dezelfde zonden begaan. Het is niet waar dat het gedrag van anderen onze eigen verantwoordelijkheid verwijdert. De gedragsnormen van God zijn onveranderd, of anderen er nu wel of niet gehoorzaam aan zijn.

Dat is vooral moeilijk als anderen ons kwetsen en we ons gerechtvaardigd voelen in onze boosheid. Het is een leugen dat boosheid onze neiging rechtvaardigt om onze tegenstanders kwaad te doen of te negeren. We moeten anderen vergeven om zelf vergeving te kunnen ontvangen. Als we op de bekering van anderen wachten voordat wij anderen vergeven en ons bekeren, laten wij hen voor ons uitstel kiezen, waardoor wij ons geluk hier en later kunnen verspelen.

Uiteindelijk zijn we zelf verantwoordelijk omdat de Heer ons heeft gewaarschuwd. Bij onze geboorte ontvangen we de Geest van Christus, waardoor we goed en kwaad kunnen onderscheiden en waardoor we het verband tussen zonde en verdriet kunnen ervaren. Vanaf het begin heeft Hij profeten gestuurd om ons voor zonden te waarschuwen en om geloof en bekering te prediken. Door middel van de profeet Joseph Smith heeft Hij het volledige evangelie van Jezus Christus hersteld. Gordon B. Hinckley is zijn hedendaagse profeet, die alle sleutels van het priesterschap bezit, waardoor iedereen die nu leeft zich kan bekeren en voor het eeuwige leven kan kiezen. Wij zijn nú verantwoordelijk, omdat de Heilige Geest ons bevestigt dat deze woorden waar zijn.

Zelfs de aanvaarding van persoonlijke verantwoordelijkheid hoeft de verleiding om onze bekering uit te stellen niet de kop in te drukken. 'Nu' kan vrij moeilijk zijn en 'later' kan zoveel gemakkelijker lijken. De waarheid is dat vandaag altijd een betere dag is dan morgen om ons te bekeren. Ten eerste heeft zonde een ondermijnende invloed op ons. Het geloof dat wij nodig hebben om ons te bekeren wordt door uitstel afgezwakt. De keus om in zonden voort te gaan verzwakt ons geloof en vermindert ons recht op de Heilige Geest als metgezel en trooster.

Ten tweede, ook als we later vergeving ontvangen, kan de Heer de goede gevolgen niet herstellen die onze bekering vandaag op onze dierbaren zou hebben gehad. Dat geldt vooral voor ouders met jonge kinderen. De kans om hun geest in die eerste jaren te vormen en op te bouwen, kan volledig verloren gaan. Maar zelfs de grootvader die kansen met zijn eigen kinderen heeft gemist, kan zich vandaag bekeren om voor zijn kleinkinderen te betekenen wat hij ooit voor hun ouders had kunnen doen.

Als we de verantwoordelijkheid op ons nemen en ons willen bekeren, kunnen we ons afvragen: 'Waar moet ik beginnen?' Ieder leven is uniek. Maar voor iedereen is nederig gebed in ieder geval een belangrijk onderdeel van het bekeringsproces. Onze Vader in de hemel kan ons volledig van de ernst van onze zonden overtuigen. Hij kent de omvang van ons berouw. Hij kan aangeven wat we moeten doen om voor vergeving in aanmerking te komen. Ernstige zonden moeten we aan een rechter in Israël belijden, en we moeten zijn raad aanvaarden. Gebed alleen is in dat geval niet voldoende. Maar voor iedereen geldt dat, ongeacht onze zonden, het gebed de deur naar bekering en vergeving kan openen. Zonder oprecht gebed zijn bekering en reiniging niet mogelijk. Door het gebed wordt de deur geopend.

Een van de vragen die we onze hemelse Vader in onze persoonlijke gebeden moeten stellen is: 'Wat heb ik vandaag gedaan, of niet gedaan, waardoor U ontevreden bent? Als ik het maar weet, dan zal ik me met heel mijn hart bekeren, en wel meteen.' Dat nederige gebed zal beantwoord worden. En de antwoorden omvatten in ieder geval de verzekering dat vandaag bidden beter is dan morgen bidden.

Ik getuig dat de woorden die een dienstknecht van God lang geleden gesproken heeft, waar zijn:

'Nu, mijn broederen, nadat gij zovele getuigenissen hebt ontvangen, en aangezien de heilige schriften van deze dingen getuigen, zou ik willen, dat gij een besluit naamt en vruchten ter bekering voortbracht.

Ja, ik zou willen, dat gij een besluit zoudt willen nemen en uw hart niet langer verstokken; want ziet, het is nu de tijd en de dag van uw zaligheid; daarom, indien gij u wilt bekeren en uw hart niet verstokken, zal het grote plan van zaligheid onmiddellijk op u in toepassing worden gebracht.

Want ziet, dit leven is de tijd voor de mens om zich voor te bereiden God te ontmoeten; ja, ziet, de tijd van dit leven is de tijd voor de mensen om hun arbeid te volbrengen.

Nu, zoals ik u reeds heb gezegd, verzoek ik u, daar gij zovele getuigenissen hebt ontvangen, dat gij de dag uwer bekering niet tot het einde uitstelt; want na deze dag des levens, die ons is gegeven om ons op de eeuwigheid voor te bereiden, volgt, indien wij onze tijd in dit leven niet nuttig besteden, de nacht der duisternis, waarin geen arbeid kan worden volbracht.

Wanneer gij in die bedenkelijke toestand zijt gekomen, kunt gij niet zeggen: Ik zal mij bekeren, ik zal tot mijn God terugkeren. Neen, gij kunt dit dan niet zeggen; want dezelfde geest, die uw lichaam in bezit heeft ten tijde, dat gij uit dit leven gaat, zal macht hebben om uw lichaam in die eeuwige wereld te bezitten' (Alma 34:30­34).

Er is nog een andere verleiding die wij moeten weerstaan. En dat is de wanhopige gedachte dat het te moeilijk en te laat is om ons te bekeren. Ik heb een man gekend die dat had kunnen denken en had kunnen opgeven. Toen hij twaalf was, werd hij tot diaken geordend. Hij werd door een aantal vrienden verleid om te gaan roken. Hij begon zich ongemakkelijk in de kerk te voelen. Hij verliet zijn geboortestadje zonder zijn school af te maken en ging in de bouw werken. Hij was machinist. Hij trouwde. Ze kregen kinderen. Het huwelijk eindigde in een bittere echtscheiding. Hij raakte zijn kinderen kwijt. Hij verloor een oog tijdens een ongeluk. Hij woonde alleen in een kosthuis. Hij was alles kwijt op wat spullen in een koffer na.

Toen hij zich op een avond op de volgende verhuizing voorbereidde, besloot hij dat hij wat spullen uit de koffer moest weggooien. Onder alle rommel vond hij een boek. Hij wist niet hoe het in zijn koffer terecht was gekomen. Het was het Boek van Mormon. Hij las het door en de Geest getuigde dat het waar was. Hij wist toen dat hij al die jaren van de ware kerk van Jezus Christus en van het geluk was weggelopen dat zijn deel had kunnen zijn.

Later was hij mijn meer dan zeventig jaar oude collega-districtszendeling. Ik vroeg de mensen die wij lesgaven, terwijl ik getuigde van de macht van de verzoening van de Heiland, om naar hem te kijken. Hij was schoongewassen, had een nieuw hart gekregen en ik wist dat ze dat aan zijn gezicht konden zien. Ik vertelde de mensen dat dat het bewijs was dat de verzoening alle ondermijnende gevolgen van de zonde wegwast.

Dat was de enige keer dat hij mij berispte. Hij zei mij in het duister buiten de woonwagen waar we les hadden gegeven dat ik die mensen had moeten vertellen dat God hem weliswaar een nieuw hart had gegeven, maar dat Hij niet in staat was geweest om hem zijn vrouw en kinderen terug te geven en wat hij voor hen had kunnen betekenen. Maar hij bleef niet zijn verdriet en spijt koesteren toen hij terugkeek en bedacht wat er had kunnen gebeuren. Hij ging voorwaarts, opgebouwd door zijn geloof in de toekomst.

Op een dag vertelde hij dat hij had gedroomd dat hij weer met zijn blinde oog kon zien. Hij besefte dat de droom een blik in de toekomst was, dat hij zich onder liefdevolle mensen bevond, in het licht van een geweldige opstanding. Tranen van vreugde liepen over het gezicht van die reusachtige, bonkige man. Hij sprak zachtjes, met een grote glimlach op zijn gezicht. Ik kan me de beschrijving van zijn droom niet meer herinneren, maar ik herinner me dat zijn gezicht straalde van geluk. Met de hulp van de Heer en het wonder van het boek in zijn koffer, was het voor hem niet te laat of te moeilijk.

Ik getuig dat God de Vader leeft en dat Hij van ons houdt. Zijn eniggeboren Zoon leeft. Omdat Hij is herrezen, zullen ook wij opnieuw leven. Dan zullen we de mensen zien die wij hebben liefgehad en die ons hebben liefgehad. We kunnen door geloof en gehoorzaamheid eeuwige familiebanden hebben. Als wij overwegen ons hart te vernederen en ons te bekeren, zullen de familieleden die ons liefhebben, aan beide zijden van de sluier, zeggen: 'Stel het alsjeblieft niet uit.' Dat is de smeekbede en de aanmoediging van de Heiland. In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy