The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
Oktober 1999
'Hogepriester van goede dingen die zullen komen'

'Hogepriester van goede dingen die zullen komen'

Ouderling Jeffrey R. Holland
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Sommige zegeningen komen vroeg, andere komen laat, andere komen pas in de hemel -- maar voor hen die het evangelie van Jezus Christus omarmen, komen ze.

Ouderling Jeffrey R. Holland

Op dagen dat wij de hulp van de hemel vooral nodig hebben, zouden we er goed aan doen te denken aan een van de titels die in de brief aan de Hebreeën aan de Heiland gegeven werd. Er staat geschreven over de 'verhevener dienst' van Jezus en waarom Hij 'de middelaar is van een beter verbond' vol 'betere beloften', en de schrijver -- waarschijnlijk de apostel Paulus -- vertelt ons dat Christus door zijn bemiddeling en verzoening 'hogepriester van goede dingen die zullen komen' werd.1

Ieder van ons heeft momenten waarop het van ons van belang is om te weten dat alles beter zal worden. Moroni noemde dat in het Boek van Mormon 'op een betere wereld hopen'.2 Voor emotionele gezondheid en geestelijk uithoudingsvermogen moet iedereen kunnen uitzien naar verademing, naar iets prettigs, vernieuwends en hoopgevends, of die zegening nu nabij is of nog veraf. Het is al voldoende om te weten dat we dat kunnen bereiken, dat hoe dichtbij of veraf het ook is, er de belofte van 'goede dingen die zullen komen' is.

Ik zeg tot u dat dit precies is wat het evangelie van Jezus Christus ons biedt, vooral in tijden van nood. Er is hulp. Er is geluk. Er is echt licht aan het eind van de tunnel. Het is het licht der wereld, de blinkende morgenster, het 'licht, dat eindeloos is, dat nimmer kan worden verduisterd'.3 Het is de Zoon van God zelf. In een liefdevolle lofprijzing zeggen wij, Romeo ver achter ons latend: 'Welk licht breekt door dat venster ginds?' Het is de terugkeer van de hoop, en Jezus is de Zon.4 Tot iedereen die misschien worstelen om dat licht te zien en die hoop te vinden, zeg ik: houd vol. Blijf het proberen. God houdt van u. Het zal beter gaan. Christus komt tot u in zijn 'verhevener dienst' met een toekomst van 'betere beloften'. Hij is uw 'hogepriester van goede dingen die zullen komen'.

Ik denk aan pasgeroepen zendelingen, die hun familie en vrienden achterlaten om soms verworpen te worden, soms ontmoedigd te raken, en op zijn minst in het begin even last van heimwee en misschien zelfs angst te hebben.

Ik denk aan jonge moeders en vaders die getrouw een gezin stichten terwijl ze nog studeren, of daar net klaar mee zijn, en proberen de touwtjes aan elkaar te knopen, terwijl ze hopen op een betere financiële toekomst, ooit. Tezelfdertijd denk ik aan andere ouders die al hun aardse bezit zouden geven als een afgedwaald kind zou terugkeren.

Ik denk aan alleenstaande ouders die met al die dingen geconfronteerd worden, maar er alleen voor staan, nadat ze al met de dood of met een scheiding geconfronteerd zijn, met vervreemding of verlating, of met een ander ongeluk dat ze niet voorzien hebben in gelukkiger tijden, en dat ze beslist niet gewild hadden.

Ik denk aan hen die gehuwd willen zijn, en dat niet zijn, aan hen die kinderen willen, en dat niet kunnen, aan hen die wel kennissen hebben, maar erg weinig vrienden, aan hen die rouwen om de dood van een geliefde, of die zelf ziek zijn. Ik denk aan hen die lijden onder zonde -- die van henzelf of van iemand anders -- die moeten weten dat er een weg terug is en dat ze weer gelukkig kunnen worden. Ik denk aan de ontroostbaren en onderdrukten, aan hen die menen dat het leven aan hen is voorbijgegaan, of van wie het nu niet meer hoeft. Tot al die mensen, en tot zoveel anderen, zeg ik: houd u vast aan uw geloof. Houd u vast aan uw hoop. 'Bidt altijd, en weest gelovig'.5 Waarlijk, zoals Paulus over Abraham geschreven heeft, hij 'tegen [alle] hoop op hoop geloofd' en 'niet getwijfeld door ongeloof'. Hij was 'versterkt in zijn geloof' en 'in de volle zekerheid, dat [God] bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.'6

Zelfs al kunt u niet altijd zien dat achter uw wolken de zon schijnt, kan God dat wél, want Hij is de bron van het licht dat u zoekt. Hij heeft u echt lief en kent uw angsten. Hij hoort uw gebeden. Hij is uw hemelse Vader en vergiet ongetwijfeld een traan voor elke traan die zijn kinderen vergieten.

Ondanks die raad weet ik dat velen van u echt het gevoel hebben buiten de boot te zijn gevallen, in de meest beangstigende zin van die uitdrukking. En in die roerige wateren roept u nu misschien, samen met de dichter, uit:


Het wordt donker, ik haal de haven niet meer.
Alles wordt nu anders dan het is geweest.
De rotsen zien er angstaanjagend uit, Heer.
En ik ben heel erg bevreesd.7

Nee, het is niet zonder erkenning van de stormen in het leven, maar geheel en al vanwege die stormen dat ik getuig van Gods liefde en de macht van de Heiland om de storm tot bedaren te brengen. Bedenk altijd dat Hij in dat bijbelse verhaal ook op het water was, dat Hij samen met de nieuwsten, jongsten en bangsten ook in die ellendige omstandigheden was. Alleen iemand die heeft gestreden tegen die onheilspellende golven, is gerechtvaardigd als Hij zowel ons als de zee zegt: 'Wees stil'.8 Alleen iemand die het volle gewicht van dergelijke tegenspoed heeft gevoeld, kan ooit gerechtvaardigd zijn als Hij ons bij dergelijke gelegenheden zegt: 'Houdt goede moed'.9 Dergelijke raad is geen luchtig peppraatje over de kracht van positief denken, hoewel positief denken in de wereld hard nodig is. Nee, Christus weet beter dan alle anderen dat de beproevingen van het leven erg groot kunnen zijn, en wij zijn geen oppervlakkige mensen als we ermee worstelen. Maar net als de Heer suikerzoete retoriek vermijdt, bestraft Hij ongeloof en verafschuwt Hij pessimisme. Hij verwacht echt van ons dat wij geloven!

Van niemand waren de ogen doordringender dan van Hem, en veel van wat Hij zag doorboorde zijn hart. Zijn oren zullen ongetwijfeld elk hulpgeroep hebben gehoord, elk geluid van nood en wanhoop. Hij was, in sterkere mate dan wij ooit zullen begrijpen, 'een Man van smarten, en bekend met krankheid.'10 Ja, voor de leek in de straten van Jeruzalem, moet de carrière van Christus een mislukking hebben geleken, een tragedie, een goede man die ten onder ging aan het kwaad dat Hem omringde, en door de wandaden van anderen. Hij werd verkeerd begrepen, zijn woorden verkeerd weergegeven, en zelfs vanaf het begin gehaat. Wat Hij ook zei, zijn uitspraken werden betwist, zijn daden verdacht gemaakt, zijn motieven aangevallen. In de hele wereldgeschiedenis heeft er nooit iemand met zo zuivere motieven anderen liefgehad of zo onzelfzuchtig gediend -- en is daar zo duivels om behandeld. Toch kon niets zijn geloof in zijn vaders plan of beloften teniet doen. Zelfs op de donkerste tijden in Getsemane en op Golgota, ging Hij voort, vol vertrouwen in de God van wie Hij heel even vreesde dat Hij Hem had verlaten.

Omdat Christus zijn blik vast op de toekomst gericht hield, kon Hij alles doorstaan wat van Hem vereist werd, lijden zoals niemand kan lijden 'zonder te sterven'11, zoals koning Benjamin zei, kijken naar de wrakstukken van het leven van mensen, terwijl de beloften van het oude Israël rondom Hem in duigen lagen, en toch, toen en nu, zeggen: 'Uw hart worde niet ontroerd of versaagd'.12 Hoe kon Hij dat? Hoe kon Hij dat geloven? Omdat Hij de Vredevorst is, de geordende erfgenaam van de genadetroon. Hij kent de Koning, Hij draagt een kroon, Hij weet wat er beloofd kan worden. Hij weet dat 'de Here een burcht [zal zijn] voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. ( . . . ) Want niet voorgoed blijft de arme vergeten, niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor.'13 Hij weet dat 'de Here nabij de gebrokenen van harten [is] en de verslagenen van geest [verlost]. Omdat Hij weet dat 'De Here de ziel van zijn knechten [verlost], allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.'14

Neem me niet kwalijk dat ik tot slot iets persoonlijks vertel, iets dat weliswaar niet de vreselijke last illustreert die velen van u misschien te dragen hebben, maar dat wel bemoedigend bedoeld is. Afgelopen maand was het dertig jaar geleden dat een gezinnetje op pad ging om voor het afronden van een studie helemaal naar de andere kant van de Verenigde Staten te reizen, terwijl ze geen geld hadden, in een oude auto reden, en al hun aardse bezittingen hadden gestouwd in nog niet de helft van de ruimte van de kleinst beschikbare boedelbak. Ze namen afscheid van hun bezorgde ouders, reden precies 55 kilometer over de snelweg, waar de motor van hun versleten auto oververhit raakte.

Ze reden een parallelweg op, de jonge vader zag de stoom onder de motorkap vandaan komen, blies zelf ook wat stoom af, en liet toen zijn vrouw, die vertrouwen in hem had, en hun twee onschuldige kinderen -- waarvan de jongste nog maar drie maanden oud was -- achter in de auto terwijl hij ongeveer vijf kilometer liep naar de metropool Kanarraville, in het zuiden van Utah, dat toen, denk ik, 65 inwoners had. Aan de rand van het dorp kreeg hij wat water, en een uiterst vriendelijke inwoner bood hem een ritje naar zijn gestrande gezin aan. De radiator werd bijgevuld, en langzaam -- heel erg langzaam -- reden ze terug naar St. George om de auto te laten nakijken.

Meer dan twee uur werd de auto nagekeken, maar men kon geen onmiddellijke oorzaak vinden. De reis werd hervat. Na precies evenveel tijd, op precies dezelfde plek op de snelweg, met precies hetzelfde vuurwerk onder de motorkap, liet de wagen het weer afweten. Het kon niet meer dan drie meter van de eerste pechlocatie zijn geweest, waarschijnlijk nog geen anderhalve meter! Blijkbaar waren de meest nauwkeurige wetten van automechanica hier aan het werk.

De in verlegenheid gebrachte jonge vader, die zich nu eerder stom dan boos voelde, liet zijn geliefden, die nog steeds vertrouwen in hem hadden, nogmaals achter en ondernam weer de lange wandeling om opnieuw om hulp te vragen. Dit keer zei de man die hem het water gaf: 'U, of de man die precies op u lijkt, zou een nieuwe radiator voor die auto moeten regelen.' Voor de tweede keer bood een vriendelijke buur een ritje terug naar diezelfde auto en de bezorgde kleine inzittenden aan. Hij wist niet of hij moest lachen of huilen om het lot van dat jonge gezin.

'Hoe ver ben je gekomen?' vroeg hij. '55 kilometer', antwoordde ik. 'Hoeveel verder moet je nog?' 'Vier duizend tweehonderd kilometer', zei ik. 'Nou, jij kunt die reis misschien wel maken, en je vrouw en die twee kindjes misschien ook wel, maar geen van jullie gaat die reis in die auto maken.' Dat bleek op alle punten een profetische uitspraak te zijn.

Het is dit weekend nog maar twee weken geleden dat ik langs diezelfde plek reed waar een afrit van de snelweg naar die parallelweg leidt, zo'n vijf kilometer ten westen van Kanarraville in Utah. Diezelfde knappe en trouwe vrouw, mijn liefste vriendin en grootste steun in al die jaren, lag in de stoel naast mij te slapen. De twee kinderen uit het verhaal, en het jongere broertje dat ze later kregen, zijn inmiddels al lang opgegroeid, hebben een zending vervuld, hebben een fijn huwelijk gesloten, en brengen nu hun eigen kinderen groot. De auto die we dit keer reden, was bescheiden, maar prettig en uiterst veilig. In feite leek, behalve ikzelf en mijn dierbare Pat die zo vredig naast mij lag, niets van dat moment ook maar enigszins op die zorgelijke omstandigheden van dertig jaar daarvoor.

Maar heel even dacht ik daar langs de weg een oude auto te zien staan, met een toegewijde jonge vrouw en twee kinderen die het beste maken van een nare situatie daar. Ik meende een eindje voor ze uit een jonge man te zien die in de richting van Kanarraville liep, terwijl hij nog een eind te gaan had. Zijn schouders leken een beetje voorover te hangen, het gewicht van de vrees van een jonge vader leek af te lezen uit zijn tempo. Om het schriftuurlijk te zeggen, zijn handen leken 'slap [te] hangen'.15 Op dat denkbeeldige moment kon ik niet anders dan naar hem roepen: 'Geef het niet op, jongen. Geef het niet op. Loop door. Blijf het proberen. Er liggen hulp en geluk in het verschiet -- heel veel zelfs -- al dertig jaar nu, en het is nog niet op. Kop op. Het komt uiteindelijk allemaal goed. Vertrouw op God en geloof in goede dingen die zullen komen.'

Ik getuig dat God leeft, dat Hij onze eeuwige Vader is, dat Hij ieder van ons op goddelijke wijze lief heeft. Ik getuig dat Jezus Christus zijn eniggeboren Zoon in het vlees is, en dat Hij, na zijn overwinning in deze wereld, een eeuwig erfgenaam is, een mede-erfgenaam van God, aan de rechterhand van zijn Vader staat. Ik getuig dat dit hun ware kerk is dat zij ons steunen in onze tijden van nood -- en dat ze dat altijd zullen doen, zelfs als we die interventie niet inzien. Sommige zegeningen komen vroeg, andere komen laat, andere komen pas in de hemel -- maar voor hen die het evangelie van Jezus Christus omarmen, komen ze. Daarvan getuig ik. Ik dank mijn Vader in de hemel voor zijn goedheid in het verleden, het heden en de toekomst. En dat doe ik in de naam van zijn geliefde Zoon en de grootmoedigste hogepriester, namelijk de Heer Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Hebreeën 8:6; 9:11, naar de King James-Bijbel.
2. Ether 12:4.
3. Zie Johannes 8:12; Openbaring 22:16; Mosiah 16:9.
4. Zie William Shakespeare, Romeo en Julia, tweede bedrijf, tweede toneel, regel 2­3.
5. LV 90:24.
6. Romeinen 4:18, 20­21.
7. Joseph Hilaire Belloc, 'The Prophet Lost in the Hills at Evening', in Lord David Cecil, ed., The Oxford Book of Christian Verse (1940), blz. 520.
8. Marcus 4:39; LV 101:16.
9. Johannes 16:33; LV 68:6.
10. Mosiah 14:3; Jesaja 53:3.
11. Mosiah 3:7.
12. Johannes 14:27.
13. Psalmen 9:10, 19; cursivering toegevoegd,
14. Psalmen 34:19, 23.
15. Zie LV 81:5.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy