The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
Oktober 1999
Het geloof van een mus: geloof en vertrouwen in de Heer Jezus Christus

Het geloof van een mus: geloof en vertrouwen in de Heer Jezus Christus

Ouderling H. Bruce Stucki
van de Zeventig

Als Hij ons door middel van onze huidige, levende profeet openbaart dat we meer moeten doen, ( . . . ) moeten we naar voren komen en zeggen: 'Hier ben ik, zend mij!'

Ouderling H. Bruce Stucki

Ik zou u graag iets vertellen over een vogeltje dat op de parkeerplaats lag. Het was 's nachts door de storm uit zijn nest geblazen. Blijkbaar was het nog maar een paar dagen daarvoor uit het ei gekomen, het had nog maar weinig veertjes, maar genoeg om te zien dat het een gewoon musje was.

Toen het daar lag te wachten op wat er gebeuren zou, zag een jongevrouw die op weg was naar haar auto het musje liggen en pakte het op. Uit medelijden met het hulpeloze vogeltje nam ze het mee om er thuis voor te zorgen. In een mandje maakte ze een nestje met zachte doekjes en verwisselde die vaak om het bedje voor het vogeltje schoon en behaaglijk te houden.

Ze gaf het elke dag vaak te eten en zag hoe het op krachten kwam. Binnen een paar dagen deed het zijn oogjes open en kon het voor het eerst iets zien. Het zag het meisje van wie het te eten kreeg, en de gezinsleden die daar woonden. Het hoorde de geluiden rondom, wende eraan, en was niet bang.

Toen het na verloop van een paar dagen een beetje kon rondhippen, werd het uit het mandje genomen en in een schone vogelkooi gezet.

Het musje vertrouwde het meisje en haar huisgenoten en als het wilde eten, tsjilpte het en fladderde met zijn groeiende vleugels, en als de deur van de kooi openging, hipte het op de hand van het meisje en liet zich rustig voeren.

Het bleef op haar hand zitten als ze door het huis liep en zelfs als ze naar buiten ging. Om te zorgen dat het gewend raakte aan de buitenwereld waar het weldra zou moeten leven, nam ze het mee naar buiten waar ze met haar zusje onder de boom ging zitten praten terwijl het vogeltje alles om zich heen in zich opnam.

Het moment brak aan waarop het meisje en haar zusje naar het meisjeskamp zouden gaan, dus ging het vogeltje met ze mee en bleef die week met de meisjes op Cedar Mountain. Daar probeerde het voor het eerst te vliegen, vanaf de hand van het meisje naar de lage takken van een boom in de buurt.

Het musje vond het fijn om terug te keren naar de vertrouwde hand en de veilige liefde van het meisje, en hoewel het leerde vliegen, vloog het niet weg. Na het meisjeskamp ging het vogeltje mee terug naar huis en leerde verder vliegen.

Het meisje, dat besefte dat het vogeltje zich weldra bij zijn eigen soort moest voegen, nam het mee naar de voortuin en moedigde het aan om weg te vliegen. Het vloog naar een dennenboompje waar het bleef zitten rondkijken. Het meisje liet het daar in de veronderstelling dat het zich nu bij de andere vogels zou aansluiten, en ze ging het huis weer binnen.

Het duurde niet lang of ze hoorden tsjilpen bij de voordeur en toen het meisje naar buiten ging om te zien wat er met het vogeltje aan de hand was, vloog het vanuit de boom op haar hand, en zij voerde het.

De eerste paar avonden kwam het vogeltje terug naar het huis en wilde het 's nachts binnen blijven. Al gauw bleef het echter wat langer buiten bij de nieuwe vriendjes die in de bomen rond het huis woonden. Als het meisje naar buiten ging en floot, gaf het antwoord en kwam op haar hand zitten, en mijn dochter, Trinilee, voerde het dan.

Dat vogeltje en mijn dochter hebben mij iets belangrijks over geloof en vertrouwen duidelijk gemaakt. Hoewel het zoveel kleiner was dan zijn vriendinnetje en onder de mensen in levensgevaar zou kunnen zijn, vertrouwde het haar, vertrouwde erop dat ze het geen kwaad zou doen en dat het eten van haar zou krijgen -- en het reageerde als zij het riep.

Heeft u wel eens nagedacht over ons geloof, broeders? Hebben wij zoveel vertrouwen en geloof in de Heer? Gaan wij in op zijn oproep om voor Hem te werken en door Hem te worden gevoed?

Wij moeten proberen in zijn nabijheid te zijn, of in te gaan op zijn oproep, maar velen van ons mankeert het aan het geloof en het vertrouwen om tot de Heer te komen als Hij roept. Hij roept ons in deze tijd op tot geloof en vertrouwen in Hem, opdat Hij ons kan voeden.

'En Christus heeft gezegd: Indien gij geloof in Mij zult hebben, zult gij macht hebben om alles te doen wat nuttig is in Mij' (Moroni 7:33).

'Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes' (Matteüs 28:19).

Er is dringend en belangrijk werk te doen in alle landen en onder alle volken. Er zijn veel geweldige jongemannen en jongevrouwen, oudere zusters en echtparen die geroepen zijn om te dienen, die gereageerd hebben en getrouw een zending voor de Heer vervullen.

Er is grote behoefte aan nog veel meer zendelingen, ook echtparen. President Hinckley heeft dat nogeens onderstreept in de satellietuitzending van 21 februari 1998: 'Met gezamenlijke inspanning, met erkenning van de plicht die ieder lid van de kerk heeft, en oprecht tot de Heer biddend om hulp [zullen wij] dit aantal [bekeerlingen] kunnen verdubbelen.'

'Want zie, het veld is alreeds wit om te oogsten, en zie, hij, die met al zijn macht zijn sikkel inslaat, legt iets terzijde, opdat hij niet omkome, doch zaligheid voor zijn ziel verwerve' (LV 4:4).

Er is geen belangrijker of vreugdevoller, lonender werk dat we in deze tijd kunnen doen.

De Heiland heeft door middel van de profeet Joseph Smith tegen John Whitmer gezegd:

'En zie, nu zeg Ik u, dat wat voor u de grootste waarde zal hebben, zal zijn om bekering tot dit volk te prediken, opdat gij zielen tot Mij zult kunnen brengen, zodat gij met hen in het koninkrijk mijns Vaders zult kunnen rusten. Amen' (LV 15:6).

Broeders, ik geloof in onze hemelse Vader en ik vertrouw op Hem, en als Hij ons door middel van onze huidige, levende profeet openbaart dat we meer moeten doen, en dat we meer betrokken moeten zijn bij het werk om zielen tot Christus te brengen, moeten we naar voren komen en zeggen: 'Hier ben ik, zend mij!' (Jesaja 6:8.)

Ik citeer uit een van mijn lievelingslofzangen :


Komt, alle zonen Gods, met 't priesterschap gezegend,
verspreid des Heren woord, uw plicht steeds overwegend
(lofzang 202).

En na hun doop moeten we samen met hen het pad naar verhoging bewandelen en ze helpen volhouden totdat ze een stevige basis en een krachtig getuigenis hebben waarmee ze voort kunnen gaan naar het eeuwige leven.

Ik houd van mijn hemelse Vader en van onze Heiland, de Heer Jezus Christus, en ik ben dankbaar voor de vele zegeningen en kansen die Zij mij gegeven hebben. Ik bid met mijn hele hart en ziel dat ik kan voldoen aan de plannen die zij met mij hebben, wat die plannen ook mogen zijn.

Ik bid dat we net zoveel geloof en vertrouwen in de Heer zullen hebben als het geloof en vertrouwen dat het musje in mijn dochter had, en aan de oproep van de Heer gehoor zullen geven.

Ik bid in de naam van Jezus Christus dat wij dat echt allemaal samen zullen doen. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy