The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
April 1999
Ik, die blind was, kan nu zien

Ik, die blind was, kan nu zien

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

Als u anderen licht wilt geven, zult u zelf moeten schijnen.

President Thomas S. Monson

Toen Jezus onder de mensen woonde en hen onderrichtte, sprak Hij in makkelijk te begrijpen bewoordingen. Of Hij nu langs de stoffige weg van Perea naar Jeruzalem reisde, de menigten op de oever van het Meer van Galilea toesprak, of pauzeerde bij

Jakobs bron in Samaria, Hij onderrichtte in gelijkenissen. Jezus had het vaak over een hart dat weet en voelt, oren die horen en ogen die werkelijk zien.

Iemand die niet zo gezegend was met de gave van het gezichtsvermogen, was de blinde man die, in een poging om zichzelf te onderhouden, dag in dag uit op zijn gebruikelijke plekje op een drukke stoep in een van onze grote steden zat. In de ene hand had hij een hoed vol potloden. In zijn andere hand hield hij een tinnen kopje vast. Zijn simpele beroep op de voorbijganger was kort maar krachtig. Het had een zeker definitief karakter, bijna een ondertoon van wanhoop. De boodschap stond op een kaart die aan een touw om zijn nek hing. Er stond op: 'Ik ben blind.'

De meesten bleven niet staan om zijn potloden te kopen of een munt in zijn tinnen kopje te doen. Ze waren te druk, te zeer bezig met hun eigen problemen. Dat tinnen kopje was nog nooit vol of zelfs halfvol geweest. En toen hield er op een prachtige lentemorgen een man stil die met een stift enkele nieuwe woorden toevoegde aan de sjofele kaart. Er stond niet meer 'Ik ben blind'. Nu stond er de boodschap: 'Het is lente en ik ben blind.' Al gauw was het kopje overvol. Misschien waren de drukke mensen geraakt door dit commentaar van Charles L. O'Donnell: 'Ik ben er nooit in geslaagd mijn ogen te laten wennen aan de blauwe verrassing van de jonge aprilmaand.' Voor de gevers waren de munten echter een armzalig vervangmiddel van het gewenste vermogen om iemand zijn gezichtsvermogen terug te geven.

Ieder van ons kent mensen die niet kunnen zien. Wij kennen ook vele anderen die weliswaar hun gezichtsvermogen hebben, maar die zelfs midden op de dag in het duister leven. De mensen in die laatste groep lopen weliswaar niet met de gebruikelijke witte stok en zoeken hun weg niet met het bekende geluid 'tik, tik, tik'. Zij hebben weliswaar geen trouwe ziende hond aan hun zijde, noch hebben zij een kaart om hun nek hangen met de boodschap 'Ik ben blind', maar toch zijn zij blind. Sommigen zijn verblind door boosheid, anderen door onverschilligheid, door wraak, door haat, door vooroordeel, door onwetendheid, door de verwaarlozing van waardevolle kansen. Over hen heeft de Heer gezegd: 'hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.'1

Zij zouden heel goed kunnen klagen: 'Het is lente, het evangelie van Jezus Christus is hersteld, en toch ben ik blind.' Sommigen, zoals de vriend van Filippus vanouds, roepen: 'Hoe zou ik [de weg] kunnen [vinden], als niet iemand mij de weg wijst?'2

Vele jaren geleden merkte ik bij een bezoek aan een ringconferentie dat een raadgever in het ringpresidium blind was. Hij functioneerde prima, verrichtte zijn taken alsof hij gewoon kon zien. Op een stormachtige avond kwamen we bijeen in het ringkantoor op de eerste verdieping van het gebouw. Plotseling was er een harde donderslag. De lichten in het gebouw gingen bijna onmiddellijk uit. Instinctief strekte ik mijn hand uit naar onze leider zonder gezichtsvermogen, en zei: 'Pak mijn arm maar, dan breng ik u naar beneden.'

Ik ben er zeker van dat hij een glimlach op zijn gezicht had toen hij zei: 'Nee, broeder Monson, geef mij uw arm, zodat ik u kan helpen.' En hij voegde eraan toe: 'Nu bent u op mijn terrein.'

De storm ging voorbij, het licht ging weer aan, maar ik zal nooit de tocht van die trap af vergeten waarbij ik geleid werd door de man die niet kon zien, maar toch vol licht was.

Lang geleden, ver hier vandaan, zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind geboren was. Zijn discipelen vroegen de Meester waarom deze persoon blind was. Had hij gezondigd, of hadden zijn ouders gezondigd en daarmee zijn aandoening veroorzaakt?

'Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden. ( . . . )

'Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.

'Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen, en zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam' ( . . . ) Hij dan ging heen, wies zich en kwam ziende terug.'3

Als gevolg van dit wonder ontstond er een grote woordenstrijd onder de Farizeeën.

'Zij riepen dan ten tweeden male de man, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef Gode de eer; wij weten, dat deze mens [Jezus] een zondaar is.

Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan.'4

We denken ook aan de visser die Simon genoemd werd, u en mij beter bekend als Petrus, de voornaamste apostel. De twijfelende, ongelovige, impulsieve Petrus verloochende, daarmee de profetie van zijn Meester vervullend, Jezus inderdaad drie maal. Temidden van het geduw, gespot en het slaan, wendde de Heer, in de kwelling van zijn vernedering, in de majesteit van zijn stilte, zich tot Petrus en keek naar hem.5 Een chronograaf beschreef de verandering als volgt: 'Het was genoeg. Petrus zag geen gevaar meer, vreesde de dood niet meer. Hij rende de nacht in, het ochtendgloren tegemoet. Deze bekeerlijke man met een gebroken hart stond voor het tribunaal van zijn eigen geweten en daar werd zijn oude leven, zijn oude schaamte, zijn oude zwakheid, zijn oude ik ter dood veroordeeld door goddelijk berouw dat een nieuwe en edeler geboorte teweeg zou brengen.'6

De apostel Paulus had een soortgelijke ervaring als Petrus. Van de dag van zijn bekering tot aan zijn dood spoorde Paulus de mensen aan: '[leg] de oude mens af en '[doe] de nieuwe mens aan, die naar de (wil van God) geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.'7

De visser Simon was de apostel Petrus geworden. De vervolger Saulus was de prediker Paulus geworden.

Het verstrijken van de tijd heeft het vermogen van de Verlosser om het leven van mensen te veranderen niet gewijzigd. Zoals Hij tot de dode Lazarus sprak, spreekt Hij ook tot u en mij: 'kom naar buiten'.8

President Harold B. Lee heeft gezegd: 'Elke persoon op aarde, waar hij ook woont, in welk land hij ook geboren is, ongeacht of hij rijk is of arm, is bij zijn geboorte begiftigd met dat eerste licht dat het licht van Christus genoemd wordt, de Geest der waarheid, of de Geest Gods -- dat universele licht van intelligentie waarmee elke ziel gezegend is. Moroni had het over die Geest toen hij zei:

"'Want ziet, de Geest van Christus is aan ieder mens gegeven, opdat hij het goede van het kwade moge onderscheiden; daarom toon ik u de wijze van oordelen; want alles, wat uitnodigt om het goede te doen, en overreedt in Christus te geloven, wordt door de macht en gave van Christus uitgezonden; daarom zult gij met volmaakte kennis weten, dat het van God is."'9

U en ik weten wie er voor de zegen van de Heer in aanmerking komen volgens deze definitie.

Walter Stover uit Salt Lake City was zo iemand. Walter, die in Duitsland geboren was, aanvaardde het evangelie en ging naar Amerika. Hij vestigde zijn eigen onderneming. Hij gaf gul van zijn tijd en middelen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Walter Stover geroepen om terug te keren naar zijn vaderland. Hij leidde de kerk in dat land en was allen die hij ontmoette en met wie hij samenwerkte tot zegen. Met eigen geld bouwde hij twee kerkgebouwen in Berlijn -- een prachtige stad die zo sterk verwoest was door de strijd. Hij plande een bijeenkomst in Dresden voor alle kerkleden in dat land en charterde vervolgens een trein om ze uit het hele land op te halen zodat ze samen konden komen, konden deelnemen aan het avondmaal en konden getuigen van Gods goedheid voor hen.

Tijdens de uitvaartdienst voor Walter Stover, zei zijn schoonzoon over hem: 'Hij was in staat om Christus te zien in elk gezicht dat hij tegenkwam, en handelde dienovereenkomstig.'

De dichter heeft geschreven:


Ik ontmoette 's nachts een vreemdeling wiens lamp niet meer wilde schijnen;
Ik stopte en liet hem zijn lamp aansteken met de mijne.
Later stak er een storm op en schudde de wereld luid.
Maar toen de wind was gaan liggen, was mijn lamp uit.
De vreemdeling kwam echter weer terug -- zijn lamp was nog aan het schijnen;
Hij hield mij de kostbare vlam voor en ontstak de mijne.10

Misschien is de moraal van dit gedicht simpel: Als u anderen licht wilt geven, zult u zelf moeten schijnen.

Toen de profeet Joseph Smith het bos inging, dat heilig werd door wat daar plaatsvond, beschreef hij die gebeurtenis als volgt: 'Het was op de morgen van een mooie, heldere dag, vroeg in het voorjaar van 1820. Het was de eerste maal in mijn leven, dat ik zo'n poging deed, want in al mijn bekommeringen was ik er nog nooit toe gekomen hardop te bidden.'11

Na een schokkende ervaring met een onzichtbare macht, vervolgde Joseph: '[Ik] zag [ . . . ] recht boven mijn hoofd een kolom van licht, sterker glanzend dan de zon, die geleidelijk neerdaalde tot ze op mij viel. ( . . . ) Toen het licht op mij rustte, zag ik twee Personen boven mij in de lucht staan, Wier glans en heerlijkheid alle beschrijving te boven gaan. Een Hunner sprak tot mij, mij bij de naam noemende, en zei, op de Ander wijzend: Deze is Mijn geliefde Zoon -- hoor Hem!'12

Joseph luisterde. Joseph leerde.

Af en toe wordt mij gevraagd: 'Broeder Monson, als de Heiland aan u verscheen, welke vragen zou u Hem dan stellen?'

Mijn antwoord is altijd hetzelfde: 'Ik zou Hem geen vragen stellen. Ik zou liever luisteren!'

Laat op een avond gleed een kleine boot zachtjes naar zijn ligplaats aan de ruwe pier op een eiland in de Stille Oceaan. Twee Polynesische vrouwen hielpen Meli Mulipola uit de boot en brachten hem naar het uitgesleten pad dat naar de dorpsstraat voerde. De vrouwen verwonderden zich over de heldere sterren die fonkelden aan de nachtelijke hemel. Het vriendelijke maanlicht leidde hen op hun weg. Maar Meli Mulipola kon deze heerlijke aspecten van de natuur -- de maan, de sterren en de hemel -- niet bewonderen, want hij was blind.

Zijn gezichtsvermogen was normaal geweest tot die noodlottige dag dat het licht bij zijn arbeid op een ananasplantage plotseling was uitgegaan, waardoor de dag een oneindige nacht werd. Hij had gehoord van de herstelling van het evangelie en van de leringen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Zijn leven was in overeenstemming gebracht met die leringen.

Zijn dierbaren en hij hadden deze lange reis ondernomen omdat ze hadden gehoord dat een drager van het priesterschap van God de eilanden bezocht. Hij vroeg om een zegen aan hen die het heilig priesterschap droegen. Zijn verzoek werd ingewilligd. Er stroomden tranen uit zijn ogen die niet konden zien, ze liepen over zijn bruine wangen en vielen uiteindelijk op zijn kleren. Hij liet zich op zijn knieën vallen en bad: 'O God, Gij weet dat ik blind ben. Uw dienstknechten hebben mij een zegen gegeven dat, als het Uw wil is, mijn gezichtsvermogen mag terugkeren. Maar of ik in uw wijsheid nu licht zie of dat ik donker zie de rest van mijn leven, ik zal eeuwig dankbaar zijn voor de waarheid van uw evangelie die ik nu zie en die mij het licht van het leven verschaft.'

Hij stond op, dankte ons voor de zegen en verdween in het duister van de avond. Hij kwam stilletjes en vertrok stilletjes. Maar ik zal hem nooit vergeten. Ik moest denken aan de boodschap van de Meester: 'Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.'13

We leven in een tijd van tempelbouw. Nog nooit eerder zijn er zoveel tempels gebouwd en ingewijd. President Gordon B. Hinckley, Gods profeet op aarde, heeft het licht gezien van de essentiële verordeningen die in die huizen des Heren verricht worden. Tempels zullen allen tot zegen zijn die ze betreden en die zich opofferingen getroosten voor de bouw ervan. Het licht van Christus zal op allen schijnen -- zelfs zij die al door de sluier zijn gegaan. President Joseph F. Smith heeft over het werk voor de doden het volgende gezegd: 'Door het werk dat wij voor hen verrichten, vallen de banden van de slavernij van hen af, klaart de duisternis om hen heen op, zodat het licht op hen mag schijnen, en zij zullen in de geestenwereld horen van het werk dat voor hen gedaan is door hun kinderen hier, en zullen zich met u verheugen in het feit dat u deze taken uitvoert.'14

De apostel Paulus heeft ons de aansporing gegeven: 'Wees een voorbeeld voor de gelovigen.'15 En Jakobus: 'Weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden.'16

Ik ga sluiten met de woorden van de dichteres Minnie Louise Haskins, die heeft geschreven:


Ik zei tegen de man die bij de poort van het jaar stond:
'Geef mij een lamp, opdat ik veilig het onbekende binnen mag lopen.'
En hij antwoordde:
'Ga het donker in en leg uw hand in de hand van God.
Dat zal beter voor u zijn dan een lamp en veiliger dan een bekende weg.'
Dus ging ik verder, vond de hand van God, en stapte blijmoedig de nacht in.
En Hij leidde mij naar de heuvels en het ochtendgloren in het eenzame oosten.17

Moge ons licht op deze paasmorgen, deze zondagse sabbat, zo schijnen dat wij onze hemelse Vader verheerlijken, en zijn Zoon, Jezus Christus, wiens naam de enige naam onder de hemelen is waardoor wij zaligheid kunnen ontvangen.

Dat wij altijd in het voetspoor van Jezus Christus mogen volgen, is mijn nederig gebed. In zijn heilige naam. Amen.

NOTEN

1. Matteüs 13:15.
2. Handelingen 8:31.
3. Johannes 9:3, 5­7.
4. Johannes 9:24, 25.
5. Frederic W. Farrar, The Life of Christ (1874), 580; Lucas 22:61.
6. Farrar, The Life of Christ, blz. 581.
7. Efeziërs 4:22, 24.
8. Johannes 11:43.
9. Harold B. Lee, Stand Ye in Holy Places (1974), blz. 115; Moroni 7:16.
10. Anoniem.
11. Geschiedenis van Joseph Smith 1:14.
12. Ibid., 1:16, 17; cursivering in origineel.
13. Johannes 8:12.
14. Conference Report, oktober 1916, 6.
15. 1 Timoteüs 4:12.
16. Jakobus 1:22.
17. 'The Gate of the Year'. In James Dalton Morrison, ed., Masterpieces of Religious Verse (1948), blz. 92.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy