The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
april 1999
Het vermogen om de leer uiteen te zetten

Het vermogen om de leer uiteen te zetten

Ouderling Henry B. Eyring
van het Quorum der Twaalf Apostelen

We kunnen zelfs een kind begrip van de leer van Jezus Christus bijbrengen. Daarom is het mogelijk om met Gods hulp de verlossende leer eenvoudig over te brengen.

Ouderling Henry B. Eyring

Ris een oorlog tussen licht en duisternis, t ussen goed en kwaad, aan de gang die al vóór de schepping van de wereld begonnen is. De strijd woedt voort en het aantal slachtoffers lijkt toe te nemen. We hebben allemaal dierbaren die bestookt worden door de strijdkrachten van de vernietiger, die alle kinderen van God ellendig wil maken. Velen van ons hebben er slapeloze nachten door. We hebben geprobeerd goede invloeden toe te voegen aan de krachten die invloed uitoefenen op degenen die gevaar lopen. We hebben onze liefde getoond. We hebben een zo goed mogelijk voorbeeld gegeven. We hebben intens voor hen gebeden. Een wijs profeet heeft ons lang geleden een raad aan de hand gedaan over nog een invloed die we soms onderschatten en daarom te weinig gebruiken.

Alma was de leider van een volk dat gevaar liep vernietigd te worden door een wrede vijand. Door dat naderende gevaar kon hij niet alles doen, dus moest hij kiezen. Hij had vestingwerken kunnen bouwen, wapens kunnen maken of legers kunnen opleiden. Maar zijn enige hoop op de overwinning was Gods hulp in te roepen, en daarvoor moest zijn volk zich bekeren. En daarom probeerde hij het eerst als volgt:

'Daar nu de prediking van het woord zeer doelmatig bleek om het volk te bewegen rechtvaardig te handelen -- ja, daar het groter invloed had gehad op de gemoederen van het volk dan het zwaard of iets anders, waarmede zij hadden kennisgemaakt -- meende Alma, dat het raadzaam was de kracht van het woord Gods te beproeven' (Alma 31:5).

Het woord Gods is de leer die door Jezus Christus en zijn profeten wordt verkondigd. Alma wist dat de leer grote macht heeft. De leer kan het gemoed van de mensen verlichten, waardoor zij geestelijke zaken inzien die niet zichtbaar zijn voor het natuurlijke oog. En zij kan het hart ontvankelijk maken voor de gevoelens van Gods liefde en de liefde voor de waarheid. De Heiland ging in afdeling 18 van de Leer en Verbonden in op beide invloedsbronnen die de ogen en het hart openen, toen Hij zijn leer uiteenzette aan diegenen van wie Hij wil dat ze Hem dienen als zendeling. Denk onder het luisteren eens aan die jongeman in uw gezin die ervan heeft afgezien om zich voor te bereiden op een zending. Hier volgt hoe de Meester twee van zijn dienstknechten onderrichtte en hoe u zijn leer uiteen kunt zetten aan de jongeman die u dierbaar is:

'En nu, Oliver Cowdery, spreek Ik tot u, en eveneens tot David Whitmer, bij wijze van gebod; want ziet, Ik gebied alle mensen overal zich te bekeren, en Ik spreek tot u als tot mijn apostel Paulus, want gij zijt met dezelfde roeping geroepen, waarmede hij werd geroepen. Gedenkt, dat de waarde van zielen groot is in Gods ogen' (LV 18:9­10).

Hij zei ze eerst hoeveel Hij hen vertrouwde. Dan raakt Hij hen in hun hart door te zeggen hoeveel zijn Vader en Hij van iedere ziel houden. Daarna vervolgt Hij met de basis van zijn leer. Hij legt uit hoezeer we reden hebben om Hem lief te hebben:

'Want ziet, de Here, uw Verlosser, onderging de dood in het vlees; aldus leed Hij de pijnen van alle mensen, opdat alle mensen zich mochten bekeren en tot Hem komen. En Hij is wederom uit de doden opgestaan, opdat Hij alle mensen tot Zich mocht brengen op voorwaarde van bekering. En hoe groot is zijn vreugde over de ziel, die zich bekeert!' (LV 18:11­13.)

Na de leer van zijn zending te hebben uiteengezet, geeft Hij hun zijn gebod:

'Daarom zijt gij geroepen om bekering tot dit volk te prediken' (LV 18:14).

Ten slotte opent Hij hun ogen, zodat ze voorbij de sluier kunnen zien. Hij neemt hen en ons mee naar een toekomend bestaan, uitgelegd in het grote heilsplan, dat eens ons bestaan zal zijn. Hij gaat in op de vriendschappelijke omgang daar, waarvoor we alles zouden willen opgeven:

'En wanneer gij al uw dagen zoudt besteden met bekering tot dit volk te prediken, en slechts één ziel tot Mij brengt, hoe groot zal dan uw vreugde met deze zijn in het koninkrijk mijns Vaders! En wanneer nu uw vreugde groot zal zijn met één ziel, die gij tot Mij in het koninkrijk mijns Vaders hebt gebracht, hoe groot zal dan uw vreugde zijn, indien gij vele zielen tot Mij zoudt brengen!' (LV 18:15­16.)

In die paar teksten zet Hij de leer uiteen om ons hart ontvankelijk te maken voor zijn liefde. En Hij zet de leer uiteen om onze ogen te openen voor de geestelijke realiteit, onzichtbaar voor ieder die niet is verlicht door de Geest der waarheid.

Het belang van het openen van ogen en hart geeft aan hoe we de leer moeten brengen. De leer krijgt zijn volle kracht wanneer de Heilige Geest bevestigt dat die waar is. Wij bereiden hen die naar ons luisteren zo goed mogelijk voor op het ontvangen van de rustige ingevingen van de stille, zachte stem. Dat vergt ten minste een beetje geloof in Jezus Christus. Het vergt een beetje nederigheid, een beetje bereidwilligheid om zich te onderwerpen aan de wil van de Heiland. Degene die u wilt helpen, heeft misschien weinig van beide, maar u kunt hem vragen alleen maar te verlangen om te geloven. En bovendien kunt u moed putten uit een andere invloed die uit de leer voortkomt. De waarheid kan voor zichzelf zorgen. Eenvoudigweg de leer horen kan het geloofszaad in het hart zaaien. En zelfs weinig geloof in Jezus Christus nodigt de Geest uit.

We kunnen evenwel meer doen aan onze eigen voorbereiding. We vergasten ons aan het woord van God in de Schriften en bestuderen de leringen van de levende profeten. We vasten en bidden om de Geest voor onszelf en voor degene met wie we de leer willen bespreken.

Daar we de Heilige Geest nodig hebben, zorgen we ervoor dat we alleen maar ware leer overbrengen. De Heilige Geest is de Geest der waarheid. Hij zal de leer bevestigen als wij speculatie of eigen interpretatie vermijden. Dat kan ook moeilijk zijn. U houdt van degene die u probeert te beïnvloeden. Hij of zij kan de leer die hem of haar is geleerd naast zich neer hebben gelegd. Het is verleidelijk om met iets nieuws of sensationeels te komen. Maar we zullen de Heilige Geest alleen als metgezel hebben als we ervoor zorgen alleen maar ware leer over te brengen.

Een van de zekerste manieren om weg te blijven van valse leer is ons onderwijs eenvoudig te houden. Door deze eenvoud is men veilig en kan er weinig verkeerd gaan. We weten dat omdat de Heiland ons geboden heeft de belangrijkste leer aan kleine kinderen over te brengen. Luister naar zijn gebod:

'En verder, voor zoverre er in Zion, of in één van de ringen van Zion, die georganiseerd zijn, ouders zijn, die kinderen hebben, en deze niet onderwijzen in de leer van bekering, geloof in Christus, de Zoon van de levende God, en van doop, en de gave des Heiligen Geestes door het opleggen van handen, wanneer zij acht jaar oud zijn, dan zij de zonde op het hoofd der ouders' (LV 68:25).

We kunnen zelfs een kind begrip van de leer van Jezus Christus bijbrengen. Daarom is het mogelijk om met Gods hulp de verlossende leer eenvoudig over te brengen.

Onze grootste kansen liggen bij jonge kinderen. De beste tijd voor onderwijs is vroeg in het leven, als de kinderen nog immuun zijn voor de verleidingen van hun aartsvijand, en lang voordat de woorden der waarheid worden overstemd door het lawaai die hun eigen worstelingen teweegbrengen.

Een verstandig ouder laat geen kans voorbijgaan om zijn kinderen bij elkaar te roepen om hen de leer van Jezus Christus bij te brengen. Zulke momenten zijn zo zeldzaam in vergelijking met de inspanningen van de vijand. Tegenover elk uur dat de invloed van de leer zijn intrede doet in het leven van een kind staan mogelijk honderden uren met boodschappen en beelden die de verlossende waarheden tegenspreken.

De vraag is niet of we te moe zijn om onze kinderen de leer bij te brengen; of we het kind niet beter kunnen benaderen met leuke dingen; en of het kind niet zal denken dat we te veel preken. De vraag moet zijn: 'Welke leer kan ik gebruiken, in de gegeven omstandigheden, met zo weinig tijd en zo weinig mogelijkheden, om hen te beschermen tegen de aanvallen die zeker op hun geloof zullen worden gedaan?' De woorden die u vandaag tegen ze zegt, zouden ze zich morgen weleens kunnen herinneren. En vandaag duurt maar kort.

De jaren gaan voorbij, we leren hun de leer zo goed mogelijk, en toch zal het tot sommigen niet doordringen. Dat is verdrietig. Maar de schriftuurlijke verslagen van sommige families schenken ons hoop. Denk eens aan Alma de jonge en aan Enos. In hun momenten van wroeging, herinnerden ze zich de woorden van hun vader, de leer van Jezus Christus. Dat was hun redding. Wat u hun leert aan heilige leer zal niet worden vergeten.

Op twee punten kan zich twijfel aan u opdringen. U kunt zich afvragen of u de leer zelf wel begrijpt. En u kan zich afvragen, als u de leer al met uw kinderen besproken heeft, waarom u zo weinig resultaat ziet.

In mijn eigen familie gaat een verhaal over een jonge vrouw die de moed had om de leer te bespreken toen ze nog maar pas bij de kerk was, en er dus weinig vanaf wist. En het feit dat het effect van haar onderwijs nog voortduurt, schenkt mij het geduld te wachten op de vruchten van mijn inspanningen.

Mary Bommeli was mijn overgrootmoeder. Ik heb haar nooit ontmoet. Haar kleindochter heeft haar verhaal opgeschreven.

Mary was in 1830 geboren. De zendelingen kwamen naar haar huis in Zwitserland toen ze 24 was. Ze woonde nog thuis en droeg bij in het levensonderhoud van het boerengezin door te weven en kleding te verkopen. Toen het gezin de leer van het herstelde evangelie van Jezus Christus hoorde, wisten ze dat het waar was. Ze lieten zich dopen. De broers van Mary gingen op zending, zonder beurs of male. De overige gezinsleden verkochten hun bezittingen om zich bij de heiligen in Amerika te voegen.

Er was niet genoeg geld om iedereen tegelijk te laten emigreren. Mary bood aan achter te blijven, omdat ze er zeker van was dat ze genoeg met weven kon verdienen om zichzelf te onderhouden en ook nog eens voor de reis te sparen. Ze reisde naar Berlijn en vond werk als weefster bij een welgestelde vrouw. Ze kreeg een kamertje voor haar zelf en zette haar weefgetouw op in het woonvertrek van het huis.

In die tijd was het in Berlijn tegen de wet om de leer van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste dagen te prediken. Maar Mary kon het goede nieuws niet voor zichzelf houden. De vrouw des huizes en haar vrienden verzamelden zich rond haar weefgetouw om naar het Zwitserse meisje te luisteren. Ze sprak over het bezoek van onze hemelse Vader en Jezus Christus aan Joseph Smith, over het bezoek van engelen, en over het Boek van Mormon. Toen ze bij het verslag van Alma kwam, besprak ze de leer van de opstanding.

Dat zorgde voor wat problemen met haar weefsels. In die tijd stierven veel kinderen op jonge leeftijd. De vrouwen rond het weefgetouw hadden kinderen verloren, sommige zelfs meerdere. Toen Mary die waarheid besprak, dat kleine kinderen erfgenaam waren van het celestiale koninkrijk en dat die vrouwen eens weer bij hun kinderen zouden zijn, en bij de Heiland en onze hemelse Vader, stroomden de tranen over de wangen van de vrouwen. Ook Mary huilde. Al die tranen vielen op het weefsel dat Mary had geweven.

Maar Mary's woorden zorgden voor ernstiger problemen. Hoewel Mary de vrouwen smeekte niet verder te vertellen wat ze hun verteld had, deden ze dat toch. Zij vertelden de blijde leer door aan hun vrienden. Op een avond was er dan ook een klop op de deur. Het was de politie. Zij namen Mary mee naar de gevangenis. Op weg daarnaar toe vroeg ze de politieagent de naam van de rechter voor wie ze de volgende morgen moest verschijnen. Ze vroeg of hij een gezin had. Ze vroeg of hij een goede vader en een goede echtgenoot was. De politieagent glimlachte, want de rechter was volgens hem een man van de wereld.

In de gevangenis vroeg Mary om potlood en papier. Ze schreef een brief aan de rechter. Ze schreef over de opstanding van Jezus Christus zoals dat in het Boek van Mormon staat, over de geestenwereld en over de tijd die hij nodig zou hebben om zijn leven op orde te krijgen vóór het laatste oordeel. Ze schreef dat ze wist van hoeveel hij zich had te bekeren, zaken die hem en zijn gezin veel hartzeer zouden bezorgen. Ze schreef de hele nacht. De volgende ochtend vroeg ze de politieagent om haar brief bij de rechter te bezorgen. Dat deed hij.

Later die dag werd de politieagent ontboden bij de rechter. De brief die Mary had geschreven was het onomstotelijke bewijs dat ze het evangelie had gepredikt en daarmee de wet had overtreden. Desalniettemin verscheen de politieagent niet lang daarna bij de cel van Mary. Hij zei haar dat de aanklacht was ingetrokken en dat ze vrij was om te gaan, door wat ze in haar brief had genoemd. Haar onderwijs in de leer van het herstelde evangelie van Jezus Christus had genoeg ogen en harten geopend om haar in de gevangenis te laten belanden. En haar verkondiging van de leer der bekering aan de rechter zorgde ervoor dat ze weer werd vrijgelaten. (Zie Theresa Snow Hill, Life and Times of Henry Eyring and Mary Bommeli [1997], blz. 15­22.)

De invloed van het onderwijs door Mary Bommeli heeft zich verder uitgestrekt dan de vrouwen om het weefgetouw en de rechter. Mijn vader, haar kleinzoon, en ik hebben in de dagen vlak voor zijn dood veel met elkaar gepraat. Hij sprak over vreugdevolle herenigingen die spoedig in de geestenwereld plaats zouden vinden. Ik kon bijna het heldere zonlicht en de glimlach op de gezichten zien in dat paradijs toen hij er met zoveel zekerheid over praatte.

Op een gegeven moment vroeg ik hem of hij zich nog ergens van had te bekeren. Hij glimlachte. Hij grinnikte zacht en zei: 'Nee, Hal, dat heb ik altijd meteen gedaan.' De leer van het paradijs die Mary Bommeli aan die vrouwen uiteen had gezet, leefde voor haar kleinzoon. En zelfs de leer aan de rechter had zijn leven ten goede gevormd. En daarmee eindigt het onderwijs van Mary Bommeli niet. Het verslag van haar woorden zal generaties van nog ongeboren nakomelingen voorzien van ware leer. Daar zij geloofde dat zelfs een nieuwe bekeerling genoeg van de leer wist om die te bespreken, zullen het gemoed en het hart van haar nakomelingen ontvankelijk zijn en zullen zij gesterkt worden in de strijd.

Uw nakomelingen zullen elkaar de leer uiteenzetten omdat u die besproken heeft. De leer kan meer doen dan het gemoed openen voor geestelijke zaken en het hart voor de liefde van God. Wanneer die leer vreugde en vrede brengt, heeft het ook de macht om de mond te openen. Evenals die vrouwen in Berlijn, zullen uw nakomelingen de blijde boodschap niet voor zichzelf kunnen houden.

Ik ben dankbaar dat ik in een tijd leef waarin wij en ons gezin de volheid van het evangelie hebben. Ik ben dankbaar voor de liefdevolle zending van de Heiland voor ons en voor de woorden des levens die Hij ons heeft gegeven. Ik bid dat we die woorden zullen bespreken met onze dierbaren. Ik getuig dat God onze Vader leeft en van zijn kinderen houdt. Jezus Christus is zijn Eniggeborene in het vlees, en onze Heiland. Hij is herrezen. Wij kunnen gereinigd worden door gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen van het evangelie van Jezus Christus. De sleutels van het priesterschap zijn hersteld. President Gordon B. Hinckley bezit die sleutels. Ik weet dat dit waar is. In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy