Ouderling Joe L. Christensen
van het Presidium der Zeventig
Ik weet zeker dat we letterlijk geroepen zullen worden om voor God rekenschap af te leggen over ons gebruik ervan om anderen tot zegen te zijn en het koninkrijk op te bouwen.
Men zegt dat het evangelie troost biedt aan beproefden, en beproeving aan wie vertroost zijn. Vandaag wil ik spreken tot degenen die vertroost zijn -- de rijken, de armen en iedereen daartussenin.
De Heer heeft gezegd: 'Wee u, gij rijkaards, ( . . . ) want uw rijkdom zal uw ziel verteren'. Hij heeft ook gezegd: 'Wee u, gij armen, wier hart niet is gebroken, ( . . . ) wier ogen vol hebzucht zijn.'1
Velen van u hebben waarschijnlijk dat gebedje wel eens gehoord dat iemand geschreven heeft:
'Lieve God,
'Tot nu toe heb ik vandaag alles goed gedaan. Ik heb niet geroddeld, ik ben niet boos geworden, ik ben niet hebzuchtig, knorrig, vervelend, zelfzuchtig of onmatig geweest. Maar over een paar minuten, Heer, stap ik uit bed, en vanaf dat moment heb ik waarschijnlijk heel wat meer hulp nodig.'
Als het erop aankomt om onze hebzucht, zelfzucht en onmatigheid af te leren, hebben we allemaal heel wat meer hulp nodig. President Brigham Young heeft op zijn openhartige wijze gezegd: 'Mijn grootste angst ( . . . ) is dat dit volk rijk zal worden in dit land, God en zijn volk zal vergeten, lui zal worden en zichzelf de kerk uit zal schoppen. ( . . . ) Mijn grootste angst is dat ze rijkdom niet aankunnen'.2
Met onze voorspoed gaat een aantal reële moeilijkheden gepaard omdat veel mensen rijk worden, een nog groter aantal van ons lui wordt, en als gevolg van hebzucht, zelfzucht en overdreven toegeeflijkheid zouden we de Geest kunnen verliezen en onszelf letterlijk 'de kerk uit schoppen'.
Geld en materiële zaken houden bijna iedereen bezig. Zoals Morris Chalfant heeft geschreven: 'De belangrijkste [vraag] van de twintigste eeuw is: "Hoe kan ik rijk worden?" Niets anders houdt het verstand ( . . . ) en het hart van ( . . . ) de mens tegenwoordig meer bezig. ( . . . ) Dat geldt voor mensen op elk niveau, en ongeacht hun rang of stand.'3
Geld op zich is niet verkeerd, maar zoals Paulus aan Timoteüs heeft geschreven: 'Want de wortel van alle kwaad is geldzucht'.4 Er zijn rijken die heel goed met hun welstand omgaan en die gebruiken om anderen tot zegen te zijn en het koninkrijk op te bouwen. Voor velen is rijkdom echter de oorzaak van grote moeilijkheden.
Om het materialisme dat ons bedreigt het hoofd te kunnen bieden, zijn hier vier aanwijzingen die ieder van ons in overweging kan nemen:
Ten eerste: we moeten verlangens niet verwarren met behoeften.
Mijn moeder heeft me op dat punt een belangrijke les geleerd. Mijn vader was jarenlang gewend om elk jaar zijn auto in te ruilen. En toen, kort na de Tweede Wereldoorlog, toen de graanprijzen stegen, zagen we op een goede dag verbaasd dat papa thuiskwam in een duurdere auto.
Op een ochtend vroeg mijn moeder: 'Hoeveel heeft de nieuwe auto meer gekost dan die andere?'
Toen mijn vader dat vertelde, zei mijn moeder: 'Die andere auto heeft me altijd kunnen brengen waar ik heen wilde. Ik vind dat we het verschil moeten geven aan iemand die het meer nodig heeft dan wij.'
En dat gebeurde. Het volgende jaar nam mijn vader weer een goedkopere auto, en ze bleven vrijgevig.
Als we niet voorzichtig zijn, kunnen onze verlangens gemakkelijk onze behoeften worden. Denk maar aan de dichtregels: 'Stil maar, mijn beetje weelde, blijf nog even. Op den duur kan ik niet meer zonder je leven.'
Ten tweede: we moeten kinderen niet verwennen door hun teveel te geven.
Tegenwoordig groeien veel kinderen op met vertekende normen, omdat wij als ouders te toegeeflijk zijn. Of we nu welgesteld zijn, of, zoals de meesten van ons, wat bescheidener middelen hebben, als ouders proberen we onze kinderen vaak te voorzien van alles wat ze willen, en daardoor ontnemen we ze de vreugde van het ernaar uitkijken -- van het verlangen naar iets wat ze niet hebben. Een van de belangrijkste zaken die we onze kinderen kunnen leren, is zich het een en ander ontzeggen. Onmiddellijke bevrediging maakt de mens over het algemeen zwak. Hoeveel werkelijk geweldige mensen kent u die nooit ergens mee hebben hoeven worstelen?
Ouderling Maxwell heeft dat als volgt onder woorden gebracht: 'Jammer genoeg heeft in ieder geval een aantal van onze overigens goede jongeren in de kerk zich wat betreft werk nog niet ingespannen, omdat ze alles vanzelf krijgen. Ze krijgen alles wat ze nodig hebben, inclusief een auto met benzine en verzekering -- en dat alles betaald door ouders die soms tevergeefs wachten op een paar beleefde, waarderende woorden. Omdat het allemaal zo vanzelfsprekend wordt gevonden ( . . . ) worden ze zelfzuchtiger en ook veeleisender, wat niet aangemoedigd moet worden.'5
Een verstandige, jonge moeder heeft gezegd: 'Ik geef onze kinderen niet wat ik ze zou kunnen geven. Ik ben daarin terughoudend, voor hun bestwil.'
Zoals Fred Gosman zegt: 'Kinderen die altijd krijgen wat ze willen, zullen hun leven lang van alles willen.'6 En in verband hiermee is het belangrijk voor de karaktervorming van onze kinderen dat ze weten 'dat de aarde nog steeds om de zon draait, en niet om hen.'7 We moeten onze kinderen juist leren zich af te vragen: In hoeverre wordt de wereld er door ons beter op?
We leven in een kleurrijke amusementswereld vol snelle actie, een wereld waarin veel kinderen opgroeien met de gedachte dat iets wat niet leuk is, saai is en niet de moeite waard. Zelfs bij gezinsactiviteiten moeten we zorgen voor evenwicht tussen werk en spel. Uit mijn jeugd herinner ik me in verband met onze gezinsactiviteiten vooral hoe ik leerde een dak repareren, een schutting bouwen of in de tuin werken. In plaats van veel werken en weinig spelen, zijn veel van onze kinderen bijna altijd aan het spelen en bijna nooit aan het werk.
Als gevolg van te grote toegeeflijkheid of onmatigheid gaan veel kinderen slecht voorbereid het huis uit, de echte wereld in. President Hinckley heeft gezegd: 'Natuurlijk moeten we de kost verdienen. De Heer zei tegen Adam dat hij zijn leven lang zijn brood zou eten in het zweet zijns aanschijns. Het is belangrijk dat we leren op eigen benen te staan. Dat geldt in het bijzonder voor de jongemannen die, tegen de tijd dat zij gaan trouwen, klaar en in staat moeten zijn om te zorgen voor hun vrouw en voor de kinderen die wellicht in dat gezin zullen komen.'8
Teveel jongeren trouwen zonder ooit koken, naaien of andere belangrijke vaardigheden te hebben geleerd. Gebrek aan die vaardigheden en tekort aan inzicht in financieel beheer zijn er de oorzaak van dat veel huwelijken van onze kinderen falen.
Ik vrees dat we in veel gevallen kinderen grootbrengen die verslaafd zijn aan dure rages en modegrillen. Denkt u maar aan de schrifttekst: 'Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.'9 Hoe bepalen we waar onze schat is? Daarvoor moeten we beoordelen hoeveel tijd, geld en aandacht we aan iets besteden. Zou het niet goed zijn om eens na te gaan hoeveel we bezig zijn met winkelen en geld uitgeven?
Dat betekent niet dat onze kinderen geen modieuze kleding mogen dragen, want dat kan heel belangrijk voor ze zijn. Maar een kast vol is niet nodig. Als leden van de kerk behoren we ons aantrekkelijk, verzorgd en bescheiden te presenteren. Als we goed plannen, kan dat zonder buitensporig veel aan onze kleding te moeten uitgeven.
Meer dan tien keer waarschuwen de profeten in het Boek van Mormon ons voor het probleem van de trots die samenhangt met de soort kleding die we dragen. Hier is een voorbeeld: 'En ( . . . ) [het] geschiedde, dat het volk der kerk hoogmoedig begon te worden wegens hun buitengewoon grote rijkdommen en hun fijne zijde en hun fijn getweernd linnen ( . . . ) en in dit alles verhieven zij zich in hun pronkzucht, want zij begonnen zeer kostbare kleding te dragen.'10
We zouden er goed aan doen als wij en onze kinderen op elk materieel gebied het vaak geciteerde pioniersmotto naleefden: 'Repareer het, draag het af, red het ermee, of doe het zonder.'
Ten derde: zoals we al zo vaak gehoord hebben: leef op bescheiden voet en vermijd schuld als de pest.
President Hinckley heeft ons kort geleden herinnerd aan de uitspraak van president Heber J. Grant: 'Als er één ding is dat het mensenhart en het gezin vrede en voldoening schenkt, is het wel een levensstijl binnen onze mogelijkheden, en als er iets moeilijk en ontmoedigend is, dan zijn het wel schulden en verplichtingen waaraan men niet kan voldoen.'11
Samuel Johnson heeft gezegd: 'Wen uzelf er niet aan om schulden te beschouwen als ongerief, want u zult merken dat het een ramp is.'
Hoeveel woonruimte hebben we echt nodig om gerieflijk te wonen? We moeten onszelf geestelijk noch financieel in gevaar brengen door een huis aan te schaffen dat opzichtig is, onze ijdelheid voedt en veel groter is dan we nodig hebben.
Als we zelfredzaam moeten zijn en ook anderen iets willen geven, is het duidelijk dat we middelen nodig hebben. Als we de tering naar de nering zetten en schulden vermijden, kunnen we onze middelen vermeerderen. Er zijn mensen met een middelmatig inkomen die in hun leven enige middelen weten te vergaren, en er zijn mensen met een hoog salaris die dat niet doen. Wat is het verschil? Het is gewoon een kwestie van minder uitgeven dan ze ontvangen, sparen, en hun voordeel doen met de kracht van samengestelde rente.
Twee financieel adviseurs geven aan: 'De meeste mensen zien rijkdom verkeerd. ( . . . ) Rijkdom is niet hetzelfde als inkomen. Als je elk jaar een goed inkomen hebt en het allemaal uitgeeft, word je niet rijker. Je leeft gewoon op grote voet. Rijkdom is wat je vergaart, niet wat je uitgeeft.'12
Ten slotte: wees royaal voor uw naasten.
Hoe meer ons hart en ons verstand erop gericht zijn anderen te helpen die het minder goed hebben dan wij, des te meer zullen we de geestelijke vernietiging vermijden die het gevolg is van hebzucht, zelfzucht en overmatige toegeeflijkheid. We zijn rentmeesters over wat we in dit leven hebben gekregen, het is geen eigendom. Ik weet zeker dat we letterlijk geroepen zullen worden om voor God rekenschap af te leggen over ons gebruik ervan om anderen tot zegen te zijn en het koninkrijk op te bouwen.
De profeet Jakob geeft ons prima aanwijzingen voor het vergaren en het gebruik van rijkdommen:
'Maar zoekt het koninkrijk Gods, voordat gij rijkdommen zoekt.
'En nadat gij hoop in Christus hebt verkregen, zult gij rijkdommen verkrijgen, indien gij ernaar streeft, en ernaar streeft met het voornemen om goed te doen -- de naakten te kleden en de hongerigen te voeden, de gevangenen te bevrijden en de zieken en lijdenden bij te staan.'13
Behalve een eerlijke tiende betalen, behoren we vrijgevig te zijn in onze hulp aan de armen. Hoeveel moeten we geven? Ik stel de mening van C. S. Lewis wat dat betreft op prijs: 'Ik vrees dat de enige veilige regel is dat we meer moeten geven dan we kunnen missen. ( . . . ) Als wat we aan liefdadige doelen geven ons niet wat ongemak bezorgt of niet moeilijk voor ons is, ( . . . ) geven we te weinig. Er behoren dingen te zijn die we graag zouden doen maar niet kunnen, omdat we geld hebben weggegeven.'14
Er zijn veel mensen en goede doelen die onze bijdrage waard zijn. We behoren gul te storten in het vastengavenfonds en het humanitaire-hulpfonds van de kerk. Als we willen dat onze huisgenoten een kwalitatief goed en zinvol leven leiden, moeten we de moed hebben om eerlijk na te gaan waar onze schatten liggen, en de valkuilen vermijden die het gevolg zijn van hebzucht, zelfzucht en onmatigheid.
Laten we er allemaal op letten:
Verlangens niet met behoeften te verwarren.
Onze kinderen niet te verwennen.
Bescheiden te leven en schulden te vermijden.
Royaal voor onze naasten te zijn.
Geven hoort echt tot de kern van ons geloof. In deze paastijd gedenken we weer: 'Alzo lief heeft God [onze hemelse Vader] de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft ( . . . )'15 die op aarde is gekomen en alles had kunnen bezitten wat Hij wilde, maar er liever voor koos om ons allemaal een voorbeeld te geven van een eenvoudig leven, vrij van elk spoor van hebzucht, zelfzucht of onmatigheid. Mogen wij er dagelijks naar streven meer te leven zoals Hij leefde -- het ultieme voorbeeld van een kwalitatief goed en zinvol leven.
Ik getuig dat Jezus de Christus is, dat dit zijn kerk is die geleid wordt door levende profeten, en dat zijn graf op de derde dag werkelijk leeg was. In de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. Leer en Verbonden 56:1617.
2. Aangehaald door Bryant S. Hinckley in The Faith of Our Pioneer Fathers, Deseret Book, 1956, blz. 13.
3. Morris Chalfant, 'The Sin of the Church', Wesleyan Methodist. (John H. Vandenberg, in Conference Report, oktober 1965, blz. 131; of Improvement Era, december 1965, blz. 1154).
4. Zie 1 Timoteüs 6:10.
5. BYU-devotional, januari 1999,
6. Spoiled Rotten: American Children and How to Change Them (1992), blz. 32.
7. Gosman, Spoiled Rotten, blz. 11, en flaptekst.
8. 'Gij zult niet begeren', De Ster, februari 1991, blz. 4.
9. Matteüs 6:21.
10. Alma 4:6.
11. Relief Society Magazine, mei 1932, blz. 302.
12. Thomas J. Stanley en William D. Danko, The Millionaire Next Door, blz. 1.
13. Jakob 2:1819.
14. Mere Christianity (1952), blz. 67.
15. Johannes 3:16.