Ouderling Joseph B. Wirthlin
van het Quorum der Twaalf Apostelen
De Heiland, die ons het voorbeeld heeft gegeven, is blij met hen die 'in alle dingen de armen en de behoeftigen, de zieken en de lijdenden [gedenken]' [LV 52:40].
Mijn geliefde broeders en zusters, wat is dit een heerlijke paasdag. Als we nadenken over het leven van de Heiland zie ik veel mensen voor me die Hem om hulp vroegen. Ik kan me gemakkelijk voorstellen hoe de misvormde benen eruit zien van een man die al vanaf zijn geboorte niet kan lopen. Ik zie in gedachten de tranen op de wangen van een weduwe die achter de lijkbaar van haar enige zoon naar de graftombe loopt. In mijn geestesoog tekenen zich de lege ogen van de hongerige af, de bevende handen van een zieke, de smekende stem van de veroordeelde, de ontroostbare blik van de verstotene. Allemaal zoeken zij hulp bij een eenling, een man zonder rijkdom, zonder huis, zonder positie.
Ik zie hoe deze man, de Zoon van de levende God, hen allemaal met oneindig medeleven aanziet. Door een aanraking met zijn heilige hand troost Hij de bedroefde, geneest de zieke, bevrijdt de veroordeelde. Door een enkel woord staat de dode op van zijn draagbaar en omarmt de weduwe haar levende zoon.
Dergelijke wonderbaarlijke daden van genade en vriendelijkheid, sommige algemeen bekend, andere stil en teder, beschrijven voor mij de typerende eigenschappen van de Heiland: zijn liefde en medeleven voor de onderdrukten, de vermoeiden, de zwakken, voor hen die lijden. Die daden van medeleven zijn synoniem met zijn naam.
Hoewel er bijna tweeduizend jaar voorbij zijn gegaan sinds de aardse bediening van de Zoon van God maken zijn liefhebbende voorbeeld en zijn leringen nog steeds een wezenlijk deel uit van ons bestaan als volk en als kerk. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en haar leden trachten zijn voorbeeld te volgen door het geïnspireerde welzijnsprogramma. Wij proberen lijden te verlichten en zelfredzaamheid te kweken.
DE REIKWIJDTE VAN HET WELZIJNSPROGRAMMA VAN DE KERK
Het welzijnsprogramma van de kerk staat in de hele wereld bekend. Mensen uit alle rangen en standen reizen naar de hoofdzetel van de kerk om met eigen ogen te zien hoe de kerk voor de armen en behoeftigen zorgt zonder afhankelijkheid aan de kant van de ontvanger of bitterheid aan de kant van de gever te creëren. Een president van een land bezocht Welfare Square en zei vervolgens al zijn andere afspraken voor de rest van de dag af. 'Dit is belangrijker dan al het andere op mijn agenda', zei hij. 'Ik moet hier blijven en meer te weten komen.'
Door de jaren heen is het welzijnsprogramma van de kerk in omvang toegenomen om tegemoet te komen aan de steeds grotere behoeften van een groeiende kerk. Op dit moment produceren 80 boerderijen van de kerk in Noord-Amerika goed voedsel voor de behoeftigen. 80 fabrieken conserveren en verpakken dat essentiële voedsel. Meer dan 100 magazijnen voor bisschoppen staan meer de 10 duizend bisschoppen en gemeentepresidenten ten dienste bij het uitvoeren van hun heilige plicht om de armen en behoeftigen in hun wijk of gemeente op te sporen en te helpen. Vijftig bedrijven van Deseret Industries bieden duizenden mensen werk en training. Over de gehele wereld helpen meer dan 160 arbeidsbureaus meer dan 78 duizend mensen per jaar aan een baan. 65 bureaus LDS Social Services van de kerk assisteren de leden bij het adopteren van kinderen en geven raad aan wie dat nodig hebben.
Ik weet zeker dat de grote leiders die de Heer had voorbereid om de pioniers van deze hedendaagse welzijnsonderneming te zijn erg ingenomen zijn met de groei die dit geïnspireerde programma doormaakt.
OP DE MANIER VAN DE HEER
'Een fundamentele leer onder de heiligen der laatste dagen is altijd geweest,' schreef president Joseph F. Smith, 'dat er op een godsdienst, die niet in staat is om mensen op stoffelijk gebied te redden en ze hier voorspoedig en gelukkig te maken, niet vertrouwd kan worden voor hun geestelijke redding en verhoging in het leven hierna.'1
Het stoffelijke en het geestelijke zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als wij van onze tijd, talenten en middelen geven om voor de zieken te zorgen, de hongerigen te voeden en hen die afhankelijk zijn zelfstandigheid bij te brengen, verrijken we onszelf geestelijk meer dan we kunnen bevatten.
De Heer heeft in een openbaring aan de profeet Joseph Smith verklaard: '[ . . . ] het is mijn voornemen voor mijn heiligen te zorgen [ . . . ]. Doch het moet noodzakelijk op mijn eigen wijze worden gedaan; en ziet, dit is de wijze, waarop Ik, de Here, heb besloten in de behoeften mijner heiligen te voorzien, opdat de armen zullen worden verhoogd, doordat de rijken nederig zullen zijn.'2 De wijze van de Heer is dat mensen met onze hulp zichzelf leren helpen. De armen worden verhoogd omdat zij werken voor de stoffelijke hulp die zij ontvangen, zij worden in juiste beginselen onderwezen en zijn in staat zichzelf van armoede tot zelfredzaamheid op te werken. De rijken worden nederig omdat zij in alle eenvoud gul van hun middelen aan de behoeftigen geven.
Wij leren de leden dat zij zelfredzaam moeten zijn, alles moeten doen om in hun eigen onderhoud te voorzien en zich om hulp tot hun familieleden moeten wenden. Wanneer de leden en hun familie al het mogelijke doen om in hun behoeften te voorzien en toch tekort komen in hun eerste levensbehoeften, staat de kerk klaar om te helpen.
In de kerk heeft de bisschop de specifieke plicht om te zorgen voor de 'armen, behoeftigen, alleenstaande ouders, bejaarden, invaliden, wezen, weduwen en anderen met bijzondere behoeften.'3
Ik ken een voorbeeld van een bisschop die zijn middelen goed beheerde om een man te assisteren die bij hem kwam om hulp. De man was jarenlang gelukkig getrouwd geweest maar door een latere verslaving aan alcohol en drugs zat hij nu zonder baan, huis of gezin. Een zwerversbestaan had hem ten diepste vernederd. Terwijl de tranen over zijn wangen stroomden, smeekte hij zijn bisschop om hulp.
Het welzijnscomité van de wijk besprak het probleem. Iemand kende een tandarts die de gebroken voortanden van deze persoon misschien zou willen vervangen. De ZHV-presidente suggereerde dat gezonde voeding uit het magazijn van de bisschop zijn gezondheid ten goede zou komen. Iemand anders meende dat de man begeleiding nodig had van iemand die dagelijks tijd voor hem had en hem kon helpen bij het overwinnen van zijn verslaving.
Toen de voorstellen binnenstroomden, besefte de bisschop dat een hele wijk vol bezorgde broeders en zusters klaar stond om te helpen.
De bisschop nam al spoedig verbeteringen waar. De priesterschapsdragers gaven de man een zegen. Een menslievende tandarts verving zijn gebroken tanden. Door het voedsel uit het magazijn voor de bisschop werd hij gezonder. Een getrouw ouder echtpaar wilde wel als huisonderwijzers assisteren. Zij kwamen dagelijks bij hem om hem te sterken in zijn voornemens.
Volgens de gevestigde beginselen bood die goede broeder zijn hulp aan anderen in de wijk. Langzamerhand kwam er verbetering in zijn leven. Geleidelijk aan maakte de blik van wanhoop en ellende plaats voor een van vreugde en geluk. Hoewel het een pijnlijk proces was, zag hij kans zichzelf van zijn verslaving te bevrijden. Hij werd actief in de kerk. Een leven van armoede en ellende veranderde in een leven van hoop en geluk. Dit is de wijze waarop de Heer voor de behoeftigen zorgt.
DE KERK EN LIEFDADIGHEID
De kerk beperkt haar steun niet tot haar leden maar volgt de vermaning van de profeet Joseph Smith, die zei: 'Iemand die van Gods liefde vervuld is, is niet tevreden als hij alleen zijn eigen familie tot zegen is, maar doorkruist de hele wereld met een sterk verlangen om de gehele mensheid tot zegen te zijn.'4 Hij instrueerde de leden 'dat zij de hongerigen moesten voeden, de naakten kleden, de weduwen verzorgen, de tranen van de wezen drogen, en de bedroefden troosten, in deze kerk of in welke andere kerk ook, of buiten enige kerk om, waar zij hen ook aantreffen.'5
In ruim een decennium heeft de kerk meer dan 27 duizend ton kleding, 16 duizend ton voedsel en drieduizend ton medische en educatieve voorraden en apparatuur verzonden om het lijden van miljoenen kinderen van God in 146 landen over de hele wereld te verlichten. Wij vragen niet: 'Bent u lid van de kerk?' Wij vragen alleen: 'Lijdt u?'
We hebben allemaal van de or-kaan Mitch gehoord die in oktober en november jongstleden Nicaragua en Honduras verwoestte. Met verschrikkelijke kracht werden huizen overspoeld en modderhellingen gecreëerd. Meer dan 10 duizend mensen kwamen om en twee miljoen anderen waren dakloos. Die zeer sterke orkaan vernielde huizen en bedekte straten met modder die zo hard als cement leek.
Bijna onmiddellijk begon de kerk met het zenden van het meest dringende voedsel, kleding, medicijnen en dekens om zowel leden van de kerk als die van andere geloofsrichtingen te helpen. Toen de zendingen hun bestemming bereikt hadden, kwamen de leden met honderden tegelijk om de vrachtwagens uit te laden en de voorraden in dozen te doen. Van zo'n doos kon een gezin een week leven.
President Hinckley, die voorzitter is van het algemeen welzijnscomité, was erg begaan met al het leed in Midden-Amerika. Op een nacht dat hij niet kon slapen, kreeg hij het gevoel dat hij ernaartoe moest gaan en de mensen die zo'n groot verlies te verduren hadden, zijn liefde en steun geven. Het bezoek van de profeet gaf duizenden nieuwe moed en hoop. 'Zolang (de kerk) nog middelen heeft,' zei hij, 'zullen we u bijstaan in tijden van nood.'6 En ik getuig tot u, broeders en zusters, dat hij waarlijk een profeet van God is. En ik steun hem met heel mijn hart.
Niet alleen verschaft de kerk voorraden bij rampen, maar ook hebben bijna 1300 leden van de kerk gehoor gegeven aan een roeping van de Heer om de behoeftigen in vele landen te dienen. Ik zal u twee voorbeelden geven.
Broeder en zuster David en Dovie Glines, uit Ivins (Utah), wonen nu in Ghana (Afrika), waar zij handelskennis, computerkunde en administratieve vaardigheden leren aan hen die hun werkgelegenheid willen verbeteren.
Broeder Mark Cutler is een gepensioneerd chirurg uit Clayton (Californië). Hij en zijn vrouw, Bonnie, dienen in Vietnam. Broeder Cutler is adviseur en instructeur voor plaatselijke artsen. Zuster Cutler leert de ziekenhuisartsen en de medische staf Engels en medische terminologie.
WELZIJN EN HET LID
Niet alleen moeten gezinnen en personen anderen helpen, maar zij doen er ook goed aan hun eigen niveau van zelfredzaamheid te bezien. We kunnen onszelf de volgende vragen stellen.
Zijn we verstandige rentmeesters van ons geld? Besteden we minder dan we verdienen? Vermijden we onnodige schulden? Volgen we de raad van de algemene autoriteiten om 'voldoende voedsel, kleding en, zo mogelijk, brandstof voor tenminste een jaar op te slaan?'7 Leren wij onze kinderen dat zij moeten waarderen wat ze hebben en het niet moeten verspillen? Leren wij ze dat ze moeten werken? Begrijpen ze het belang van de heilige wet van tiende? Zijn we voldoende opgeleid en hebben we een geschikte baan? Zorgen we voor onze gezondheid door het woord van wijsheid na te leven? Zijn we vrij van de nadelige gevolgen van schadelijke stoffen?
Als we een van deze vragen eerlijkheidshalve met 'nee' moeten beantwoorden, willen we ons zelfredzaamheidsplan misschien verbeteren. De profeten hebben fundamentele richtlijnen aan ons gegeven.
Ten eerste, een groot kwaad van deze tijd is de zonde van begeren. Buitensporige verlangens naar materieel bezit kunnen een obsessie worden die onze gedachten beheerst, onze krachten uitput en tot ellende leidt. Sommige leden van de kerk worden vanwege die zonde steeds meer met nodeloze schulden belast. President Heber J. Grant heeft gezegd: 'Als er iets is dat vrede en tevredenheid in het menselijk hart zal brengen, en in het gezin, is het niet meer uitgeven dan we hebben. En als er iets is dat verplettert en ontmoedigt, dan is het schulden en verplichtingen hebben waaraan we niet kunnen voldoen.'8
'Vlijt, zuinigheid en zelfredzaamheid blijven de leidende beginselen van deze onderneming', heeft president Thomas S. Monson, voorzitter van het leidinggevend welzijnscomité van de kerk gezegd. 'Als volk moeten we onredelijke schulden vermijden ( . . . ) "betaal uw schuld, en leef" (2 Koningen 4:7). Wat een wijze raad voor ons tegenwoordig!'9
Ten tweede, vanaf het begin heeft God ons bevolen te werken10 en ons gewaarschuwd tegen niets doen.11 Jammer genoeg worden wij in de wereld van vandaag veelal aangemoedigd om niets te doen, met name in de vorm van stompzinnig, nietszeggend vermaak op het Internet, de televisie of in computerspelletjes.
Ten derde beveel ik u de volgende raad van president Hinckley aan: 'Zorg dat u zo veel mogelijk onderwijs krijgt ( . . . ). Ontwikkel vaardigheden met uw verstand en uw handen. Door onderwijs gaat een wereld van mogelijkheden voor ons open.'12 Onderwijs is de katalysator die onze talenten, vaardigheden en capaciteiten slijpt en verfijnt, en ze tot bloei brengt.
Ten vierde, zij die het voorbeeld van de Heiland willen volgen en lijden willen verlichten, kunnen het bedrag dat zij als vastengave geven eens beschouwen. Dat heilige geld wordt uitsluitend voor één doel gebruikt: om de zieken, hen die lijden en anderen in nood te zegenen.
Door een gulle vastengave wordt de gever rijk gezegend en wordt hij een partner van de Heer en de bisschop in hun ondernemingen om lijden te verlichten en zelfredzaamheid te kweken. Misschien moeten wij onze gaven in onze welvarende omstandigheden evalueren en beslissen of wij net zo royaal voor de Heer zijn als Hij voor ons is.
CONCLUSIE
Als de Heiland nu bij ons zou zijn, zou Hij bezig zijn met het zorgen voor de behoeftigen, de zieken, hen die lijden. Misschien dacht president Spencer W. Kimball aan dat voorbeeld toen hij zei: 'Als we welzijn in dat licht bezien, begrijpen we dat het niet een programma is, maar de essentie van het evangelie. Het is het evangelie in actie. Het is de kroon op een christelijk leven.'13
Toen het welzijnsprogramma tijdens de grote economische depressie heel eenvoudig en klein begon, konden slechts weinigen zich voorstellen dat het 60 jaar later dusdanig tot bloei zou zijn gekomen dat het letterlijk miljoenen mensen in nood tot zegen zou zijn.
De prachtige lofzang 'Daar Gij mij veel gegeven hebt' bezingt een geïnspireerde les over geven.
'Daar ik mij steeds omringd weet door uw zorgen goed,
kan ik niet aanzien dat een mens ontberen moet;
ik deel mijn warmte en mijn brood, verleen een dak hem boven 't hoofd,
dat ook hij getroost wordt in zijn nood.'14
Broeders en zusters, de Heiland, die ons het voorbeeld heeft gegeven, is blij met hen die 'in alle dingen de armen en de behoeftigen, de zieken en de lijdenden [gedenken].'15 Hij is blij met hen die naar zijn aanmaning luisteren en 'de zwakken [ondersteunen], [ . . . ] de handen op[heffen], die slap hangen, en [ . . . ] de zwakke knieën [sterken].'16
Dat wij zijn voorbeeld zullen volgen, is mijn gebed. In de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. 'The Truth about Mormonism, Out West Magazine, sept. 1905, blz. 242.
2. Leer en Verbonden 104:1516.
3. Handboek kerkbestuur, boek 1, blz. 14.
4. History of the Church, deel. 4, blz. 227.
5. Times and Seasons, 15 maart 1842, blz. 732.
6. Uit een toespraak gegeven in Honduras, 21 nov. 1998; zie ook 'President Hinckley: "We Will Not Forget You"', Church News, 28 november 1998, blz. 3, 67.
7. Brief van het Eerste Presidium, 24 juni 1988.
8. Gospel Standards, bezorgd door G. Homer Durham (1941), blz. 111.
9. Ensign, november 1988, blz. 46.
10. Zie Genesis 3:19
11. Zie LV 88:124
12. Teachings of Gordon B. Hinckley (1997), blz. 172
13. Conference Report, okt. 1977, blz. 123124; of Ensign, november 1977, blz. 77.
14. Lofzang 151
15. LV 52:40
16. LV 81:5.