Ouderling M. Russell Ballard
van het Quorum der Twaalf Apostelen
Elke raad van ( . . . ) behoort te werken aan manieren om onze leden doeltreffender voor te bereiden op alle zegeningen van de kerk ( . . . ) en de tempel.
Tijdens onze vorige conferentie deed president Gordon B. Hinckley de historische mededeling dat er over de hele wereld dertig of meer kleinere tempels gebouwd zouden worden. De eerste is deze zomer in Monticello (Utah) ingewijd. Zoals u weet is het de bedoeling van president Hinckley dat er aan het einde van deze eeuw minstens honderd tempels in gebruik of in aanbouw zijn. De president kennende, ben ik er zeker van dat het doel bereikt of zelfs overtroffen zal worden!
President Hinckley heeft over dat buitengewone plan gezegd: 'Dit wordt een enorme onderneming. Er is nog nooit zoiets geprobeerd.'1 Sinds die verbluffende mededeling denk ik steeds aan het grote vertrouwen dat de Heer en zijn profeet in u en mij stellen. Wat een grote verantwoordelijkheid rust er op ons allemaal om te zorgen dat wijzelf en anderen de zegeningen van die heilige tempels waardig zijn.
De algemene autoriteiten zijn zich er al heel lang van bewust dat veel leden wonen in gebieden die ver van de dichtstbijzijnde tempel verwijderd zijn. Hun hart is oprecht, ze hebben een groot geloof in de zending van de kerk, ze hebben de Heer lief en willen zijn wil doen. Wat een zegen zullen die mooie tempels zijn voor die toegewijde heiligen.
Opnieuw citeer ik president Hinckley: 'Als de tempelverordeningen een essentieel deel uitmaken van het herstelde evangelie, en ik getuig dat dit zo is, dan moeten wij de middelen verschaffen waarmee ze kunnen worden verkregen. ( . . . ) De tempelverordeningen zijn de grootste zegens die de kerk te bieden heeft.'2
De urgentie van dit werk motiveert ons om de zegeningen van de tempel aan zoveel mogelijk kinderen van onze hemelse Vader te doen toekomen. Ik was onder de indruk van wat president Woodruff eens verteld heeft over een verschijning van de profeet Joseph Smith, enige tijd nadat die gestorven was. President Woodruff vertelde: '[Joseph Smith] kwam bij me en sprak tegen me. Hij zei dat hij niet met me kon blijven praten, omdat hij haast had. De volgende die ik ontmoette was vader Smith; hij kon niet met me spreken omdat hij haast had. Ik had een ontmoeting met zes broeders die op aarde een belangrijke functie hadden bekleed, en geen van hen kon met me spreken, omdat ze haast hadden. Ik was stomverbaasd. Na enige tijd zag ik de profeet weer, en ik had het voorrecht hem een vraag te stellen.
'"Ik wil weten waarom u haast heeft", zei ik. "Ik heb mijn hele leven haast gehad, maar ik verwachtte dat het voorbij zou zijn als ik in het koninkrijk van de hemel zou komen, mocht die zegen mij vergund worden."
'Joseph zei: "Dat zal ik u vertellen, broeder Woodruff. Elke bedeling die het priesterschap op aarde gehad heeft en het celestiale koninkrijk is binnengegaan, heeft een bepaalde taak gekregen om zich voor te bereiden met de Heiland naar de aarde te gaan als Hij daar gaat regeren. Elke bedeling heeft voldoende tijd gehad om dat werk te doen. Wij niet. Wij zijn de laatste bedeling, en er is zoveel werk te doen, en we moeten ons haasten om dat te voltooien."
'Dat antwoord was bevredigend,' besloot president Wilford Woodruff, 'maar voor mij was het nieuw.'3
Ook andere hedendaagse profeten zijn net zo gemotiveerd om ons sneller het belangrijke werk van deze laatste grote bedeling te laten voltooien. President David O. McKay heeft elk lid aangespoord een zendeling te zijn 4. President Spencer W. Kimball heeft ons dringend gevraagd onze pas te vergroten.5 President Howard W. Hunter heeft bevestigd: 'Wij bevinden ons op een punt in de geschiedenis van de wereld en de groei van de kerk waarop wij meer aandacht aan heilige zaken dienen te besteden en meer te handelen naar wat de Heiland van zijn discipelen verwacht.'6
En nu vraagt president Hinckley ons om door te gaan, om beter ons best te doen, en meer. Hij heeft gezegd: 'Wij hebben werk te doen, zoveel werk. Laten we onze mouwen opstropen en aan de slag gaan, met hernieuwde inzet, en ons vertrouwen in de Heer stellen. ( . . . ) Wij kunnen het, als we maar bidden en getrouw zijn.'7
Het is duidelijk dat de kracht van de Heer de leiders van de kerk beweegt, ze voortstuwt in dezelfde geest van urgentie die Joseph Smith motiveerde in het visioen van Wilford Woodruff. President Hinckley doet alles wat hij kan om het werk te bespoedigen. Hij maakt een ongehoord aantal reizen over de wereld om de heiligen te versterken, op te bouwen en ze voorwaarts en opwaarts te stuwen. Hij heeft zich beschikbaar gesteld aan de media om de boodschap van de herstelling aan zoveel mogelijk mensen bekend te maken. En hij heeft de leiding in een periode waarin de meeste tempels gebouwd worden, waardoor we sneller de overweldigende hoeveelheid werk die we in deze bedeling moeten verzetten, kunnen voltooien.
Onze president wijst ons dynamisch de weg. De vraag die we onszelf moeten stellen, is: 'Houden wij hem bij?' Die vraag moeten we allemaal kunnen beantwoorden. Ik kan u verzekeren dat dit onderwerp vaak in het Quorum der Twaalf besproken wordt. Ik hoop dat het ook het geval is in elke raad van de wijken en ringen van de kerk. Dit is niet de tijd om te ontspannen of het rustig aan te doen in onze roepingen. Elke raad van de kerk behoort te werken aan manieren om onze leden doeltreffender voor te bereiden op alle zegeningen van de kerk, en in het bijzonder op de zegeningen van de tempel.
We naderen met rasse schreden een periode waarin het aantal tempels op de wereld verdubbeld zal zijn vergeleken met slechts vier jaar geleden. Nu is het tijd om u af te vragen, ringpresidenten en bisschoppen, wat uw ring- en wijkraden doen om die tempels te vullen met rechtschapen leden en voldoende toegewijde werkers. Functioneren uw priesterschapsquorums zo efficiënt mogelijk? Zijn de huisonderwijzers en huisbezoeksters betrokken bij de gezinnen die hun zijn toegewezen? Bouwen uw hulporganisaties actief aan geloof en getuigenis? Zijn de activiteiten in uw ring en wijk gericht op de versterking van de gezinnen en elk lid? Coördineert u zorgvuldig het zendingswerk van de ring- en voltijdzendelingen, staat u ze bij om veel meer mensen te vinden, les te geven en te dopen? Zijn uw raden bezig elke bekeerling en elk minder-actief lid met zorg te begeleiden en wegwijs te maken in de leerstellingen van de kerk?
Broeders en zusters, we hebben veel te doen in de voltooiing van het werk dat de Heer deze bedeling heeft opgedragen. We moeten gericht en slimmer werken in onze taak om alle kerkleden voor te bereiden op het ontvangen van hun tempelzegeningen. Leiders van de kerk, mannen en vrouwen, kunnen en moeten het bereik en de kracht van hun invloed vergroten. We moeten zo verstandig zijn eerst ons gezin te beschermen en te onderrichten; en dan volledig gebruikmaken van het geïnspireerde systeem van kerkelijke raden voor meer succes in het werk dat onze hemelse Vader ons heeft gegeven, binnen de tijd die Hij daarvoor gegeven heeft.
Neem bijvoorbeeld de belangrijke rol die de wijkraad heeft bij de begeleiding van elke bekeerling en de activering van minder-actieven. Zoals elk lid nu weet, zijn het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen zeer bezorgd over het welzijn van elk nieuw en elk minder-actief lid van de kerk. Geen enkele wijk- of gemeenteraad behoort toe te laten dat een pas bekeerd lid zich onzeker voelt in zijn lidmaatschap van de kerk. En toch zijn er nog teveel die het gevoel hebben niet met warmte ontvangen te worden.
Onlangs schreef een nieuw lid mij: 'Soms ( . . . ) heb ik het gevoel dat het een vergissing was me te laten dopen. Ik weet dat deze kerk waar is, en ik heb een sterk getuigenis, maar ik twijfel nog steeds. ( . . . ) Toen ik onderzoeker was, stond iedereen in mijn wijk altijd voor me klaar, wilden ze altijd met me praten en me altijd helpen. ( . . . ) Sinds ik me heb laten dopen, lijkt het alsof ze niet eens in de gaten hebben of ik wel of niet naar de kerk ga. Ik hoor van bijna niemand iets. ( . . . ) Ik begrijp gewoon niet waarom de mensen in mijn wijk me gewoon vergeten zijn. Ik voel me zo eenzaam en verward. ( . . . ) Ik kan niet met mijn bisschop praten omdat ( . . . ) we helemaal geen band hebben. Hij herinnerde zich niet eens wie ik was toen ik weer in de kerk kwam. Help me alstublieft als u kunt.'
Broeders en zusters, hoewel er veel vooruitgang is gemaakt, is de tijd aangebroken dat we elk middel moeten aanwenden om elke bekeerling te begeleiden en veel meer kinderen van onze hemelse Vader tot zegen te zijn. Dat is het beste te bereiken als de leden van de wijkraad erop toezien dat elke organisatie zorgt dat nieuwe leden vrienden krijgen, een taak hebben en gevoed worden door het goede woord van God. Elke ziel is waardevol voor onze hemelse Vader. We moeten nooit vergeten dat de Heer Jezus Christus door zijn verzoening een grote prijs heeft betaald voor de verlossing van ieder van ons. Zijn lijden moet niet tevergeefs zijn omdat wij degenen die proberen actief te blijven niet voeden en onderrichten. U, zusters, kunt helpen bouwen aan het getuigenis van elke vrouw, jongevrouw en elk kind in de wijk. Wij zijn heel dankbaar voor uw kracht. Zusters, bespreek in uw raden hoe u elkaar kunt liefhebben, steunen en kunt vertellen over de schitterende zegeningen en beloften van het evangelie. Wat zou het mooi zijn als elke vrouw in de wereld begreep wat haar werkelijke bestemming is, zoals dat staat in het thema van de jongevrouwen. U kent het wel: 'Wij zijn dochters van onze hemelse Vader, die van ons houdt, en wij houden van Hem. In ons streven de waarden voor de jongevrouwen na te leven, zullen wij "te allen tijde als getuige van God staan". De waarden voor de jongevrouwen zijn: geloof, goddelijke aard, gevoel van eigenwaarde, kennis, vrije keuze en verantwoording, goede werken en integriteit.'8 Over die waarden leren en ernaar handelen zal zowel jonge als oudere vrouwen tot zegen zijn.
Leden van de bisschap en jongemannenpresidium, sluit vriendschap met elke jongeman en stimuleer hem de gedragsnormen na te leven, zodat hij geordend kan worden tot het priesterschap dat bij zijn leeftijd hoort. Dat is een belangrijk deel van uw werk en van dat van alle leden van de wijkraad. Geen jongen die diaken is geworden in het Aäronisch priesterschap zou later de ordening tot ouderling mogen mislopen en de uitnodiging mogen afslaan een voltijdzending te vervullen.
De quorums van de Melchizedekse priesterschap zijn verantwoordelijk voor het geestelijk en stoffelijk welzijn van alle mannen en hun gezin. Veel werk in de gezinnen van de wijk dat nu gedaan wordt door leden van de bisschap kan heel goed gedaan worden door de mannen van de Melchizedekse priesterschap als dat in de raad goed besproken en gecoördineerd wordt.
Ringpresidenten en bisschoppen, als uw raden er niet op gericht zijn en niet functioneren op dit verhoogde niveau van geestelijke kracht en leiding, doe dan alstublieft al het mogelijke om te zorgen dat ze begrijpen hoe ze al hun middelen kunnen combineren om uw mensen geestelijk voor te bereiden.
Zo moeten ook wij, individueel en in gezinsverband, samen overleggen en ons zorgvuldig afvragen of wijzelf en ons gezin voldoende zijn toegewijd aan het evangelie van Jezus Christus. Dat onderzoek is vooral belangrijk voor degenen onder ons die de verbonden van toewijding en offerande hebben gesloten in het huis van de Heer. Wij moeten ons afvragen: 'Geven wij een voorbeeld van christelijke deugd en getrouwheid aan het evangelie, in ons leven en thuis? Tonen wij liefdevolle zorg voor onze inactieve leden of vrienden, familieleden en buren die geen lid zijn? Geven wij moedig ons getuigenis?
Ik weet hoe krachtig geïnspireerde mensen zijn die er samen naar streven de gezinnen en de individuele leden van de kerk te sterken. Maak alstublieft volledig gebruik van uw gezamenlijke mogelijkheid om iedereen tot zegen te zijn -- man of vrouw, tiener of kind, lid of geen lid -- die wonen binnen de grenzen van de wijk. Broeders en zusters, laten we ons als nooit tevoren verenigen om, individueel en als groep, ons deel te doen om onze mensen voor te bereiden op de zegeningen die alleen in het huis van de Heer verstrekt kunnen worden.
Dit is onze tijd, broeders en zusters. Een tijd die sinds het begin van de wereld voorzien is door heilige profeten. Het is de bedeling van de volheid der tijden, waarin zich de slotscènes van de geschiedenis van de wereld zullen afspelen. Onze hedendaagse profeten, van Joseph Smith tot Gordon B. Hinckley, hebben ons gewezen op onze plechtige plicht ons voor te bereiden op 'de grote en geduchte dag des Heren.'9 Die dag komt gestadig naderbij, en er is nog veel te doen. We moeten zorgen dat we onze leiders bijhouden, onze pas vergroten naarmate zij dat doen. Misschien moeten we ons als nooit tevoren richten op wat het belangrijkste is en geen tijd verknoeien aan dingen van weinig belang en weinig resultaat.
De profeet Joseph Smith heeft gezegd: 'Broederen, zullen wij in zulk een groot werk niet voorwaarts gaan? Gaat voorwaarts, en wijkt niet terug. Moed, broederen; en voort, voort ter overwinning! Laat uw hart zich verheugen en uitermate verblijd zijn. ( . . . )
'Ziet, de grote dag des Heren is nabij. ( . . . ) Laten wij ( . . . ) als een kerk en als een volk, en als heiligen der laatste dagen, de Heer een offerande in gerechtigheid brengen; en laten wij in zijn heilige tempel ( . . . ) een boek opdragen, dat de geslachtslijsten van onze doden bevat, en dat alleszins aannemelijk dient te zijn.'10
Ik bid dat we ons mogen verenigen, broeders en zusters, om ons aandeel te leveren waardoor elk gezin, elke volwassene, elke jongere en elk kind uiteindelijk waardig zal zijn om elke tempelzegening te ontvangen waarin het evangelie voorziet. Ik getuig dat de Heer Jezus Christus leeft; door Hem staan de eeuwige verordeningen van de tempel de leden van de kerk ter beschikking. Moge de Heer ons zegenen met het verlangen, de wijsheid en de toewijding om dit grote werk enthousiast voort te stuwen in onze gezinnen en in de kerk. Dat bid ik nederig. In de naam van Jezus Christus. Amen.
NOTEN
1. President Gordon B. Hinckley, De Ster, juli 1998, blz. 98
2. Ibid. , blz. 9899
3. Discourses of Wilford Woodruff, blz. 288289
4. Conference report, april 1959, blz. 122
5. Teachings of Spencer W. Kimball (1982), blz. 174-175
6. De Ster, januari 1995, blz. 81
7. De Ster, juli 1995, blz. 80
8. Handboek jongevrouwenleidsters, blz. 4
9. Maleachi 4:5
10. Zie LV 128:22,24