Ouderling Neal A. Maxwell
van het Quorum der Twaalf Apostelen
Ware hoop is veel meer dan wensdromen. De geestelijke ruggengraat wordt erdoor verstevigd, niet verzwakt.
Broeders en zusters, ik ben erg dankbaar dat ik vandaag bij u ben. Mijn hoofd glimt nogal, maar niet omdat mijn kapper zijn roeping heeft grootgemaakt. Ik ben weer onder behandeling, wat goed gaat ondanks mijn wisselende conferentiehaarstijl.
Mijn dankbaarheid blijft in de eerste plaats uitgaan naar de Heer, dan naar mijn lieve vrouw en familie, kundige en zorgzame artsen en verpleegsters, en vele vrienden en leden die voor mij bidden.
Om verschillende redenen, broeders en zusters, probeert de huidige maatschappij uit alle macht ergens hoop uit te putten. De oorzaken en gevolgen zijn daarbij haast niet van elkaar te onderscheiden.
We gebruiken het woord 'hoop' meestal in de zin van dat we 'hopen' op een bepaalde tijd ergens aan te komen. We 'hopen' dat de wereldeconomie beter wordt. We hopen op een bezoek van een dierbare. Die hoop is oprecht, maar geldt voor alledaagse zaken.
Onze teleurstellingen zijn vaak het puin van onze stukgeslagen alledaagse hoop. Daarom wil ik u uitleggen waarom het belangrijk is om ultieme hoop te hebben.
Onze ultieme hoop, wat iets heel anders is, houdt nauw verband met Jezus en de zegeningen van zijn grote verzoening, zegeningen die leiden tot de universele opstanding en ons een kostbare kans tot bevrijdende bekering geven, waardoor wat de Schriften noemen een 'onverzwakte hoop' (2 Nephi 31:20) mogelijk wordt.
Moroni bevestigt: 'Waarop zult gij hopen? Ziet, ik zeg u, dat gij door de verzoening van Christus ( . . . ) hoop zult hebben' (Moroni 7:4041, zie ook Alma 27:28). Ware hoop richt zich dus niet op het tijdelijke, maar op het onsterfelijke en eeuwige!
Het wekt geen verbazing dat 'hoop' verweven is met andere leerstellingen, vooral geloof en geduld.
Net zo goed als twijfel, wanhoop en afstomping samengaan, doen geloof, hoop, liefde en geduld dat ook. Die laatstgenoemde eigenschappen moeten echter voorzichtig en constant worden gevoed, terwijl twijfel en wanhoop, net als paardebloemen, weinig aansporing nodig hebben om te kiemen en uit te zaaien. Helaas is wanhoop zo natuurlijk voor de natuurlijke mens!
Geduld laat ons bijvoorbeeld gelijkmatiger omgaan met de ongelijkmatigheid van het leven.
Geloof en hoop zijn constant interactief en niet duidelijk te onderscheiden. Toch berusten de verwachtingen van onze ultieme hoop zeker op waarheid (Ether 12:4; zie ook Romeinen 8:24; Hebreeën 11:1; Alma 32:21). Maar in de wiskunde van de herstelde theologie is hoop gelijkvormig aan geloof, maar soms met een grotere omtrek. Geloof is op zijn beurt de zekerheid van wat men hoopt en het bewijs van wat men niet ziet (zie Hebreeën 11:1; zie Ether 12:6; BJS, Hebreeën 11:1). Hoop gaat dus soms verder dan de huidige grenzen van het geloof, maar het komt altijd van Jezus.
Geen wonder dat de 'reveille' van de ware hoop de ziel krachtiger opwekt dan welke muziek ook. Zelfs als er kameraden slapen of deserteren, 'dan houdt nog het anker der hope' (zie lofzang 17, 'Wij danken U, Heer, voor profeten'; zie ook 1 Petrus 1:3). Hoop deed terneergeslagen discipelen vol verwachting naar een leeg tuingraf snellen (zie Marcus 16:18; Lucas 24:812). Hoop deed een profeet reddende regen zien in een verre wolk die niet groter leek dan een hand (zie 1 Koningen 18:4146).
Zulke ultieme hoop is het 'anker der ziel' en wordt vastgehouden dankzij de gave van de Heilige Geest en geloof in Christus (Hebreeën 6:19; zie Alma 25:16; Ether 12:9). Aan de andere kant kan een levensvisie zonder uitzicht op onsterfelijkheid niet alleen hoop maar ook het eigen verantwoordelijkheidsgevoel dimmen (zie 1 Korintiërs 5:19; Alma 30:18).
Toegegeven, er zijn veel mensen die netjes door het leven gaan, zonder diepe religieuze gevoelens te uiten, maar die toch zonder het te weten het 'licht van Christus' ontvangen dat een ieder in zekere mate verlicht (zie LV 84:46; Moroni 7:16; Johannes 1:9). Anderen hebben een openlijk erkende spiritualiteit waaraan zij, heel aanbevelenswaardig, hun kracht ontlenen.
Omdat onze alledaagse hoop niettemin zo kwetsbaar is voor het schrijnende of onverwachte, is er in de wereld een toenemende en diepgaande bestaansangst. Mensen mopperen cynisch op de politiek. Velen voelen zich belaagd door de vele andere problemen die in de samenleving de kop opsteken.
Zelfs zij die zich geestelijk geborgen weten, voelen de kou in de lucht. Het koude secularisme is de oorzaak van veel rillingen, nu zovelen hebben toegegeven aan wat senator Patrick Moynihan 'de afgezwakte definitie van perversiteit' noemt ('Defining Deviancy', The American Scholar, winter 1993, blz. 17). Veel wanhoop vloeit voort uit ongerechtigheid -- maar dan wel zoals God ongerechtigheid definieert. Er is zoveel beroering en tweedracht.
Het is dan ook geen wonder dat het resulterende verlies aan hoop bijna altijd de zelfzucht ontketent; velen zien dan geen andere weg meer dan zichzelf te behagen.
Wie van hoop ontdaan is, zo merkt Paulus op, kan de neiging krijgen te eten en drinken, want morgen sterven wij, in de foute veronderstelling dat als een mens sterft, dat het einde is (zie 1 Korintiërs 15:32; Alma 30:18).
En hoezeer ik de naderende stormen ook betreur, zullen die ook hun nut hebben. De gebeurtenissen zullen hernieuwde aandacht vestigen op Gods hogere wegen en zijn koninkrijk, dat 'schoon als de zon, en helder als de maan' (LV 105:31) zal worden.
De mensen en de naties zullen naar eigen believen keuzes maken, maar ze kunnen de uiteindelijke gevolgen van die keuzes niet veranderen.
Laten we daarom tijdens dit versnelde rijpingsproces niet verbaasd zijn dat het onkruid steeds meer op onkruid gaat lijken. Gedurende deze tijd van 'radeloze angst onder de volken' (Lucas 21:25) zal er zelfs wat vrijmakende beroering zijn: 'Want het koninkrijk van de duivel moet beven, en zij, die er toe behoren, moeten noodzakelijk tot bekering worden [bewogen] ( . . . ) (2 Nephi 28:19).
Dusdanigen zullen echt 'bewogen' worden, hoewel we alleen kunnen speculeren hoe dat zal gebeuren.
Ondertussen aanvaarden degenen met ultieme hoop de waarheid van dit korte vers: 'Maar alle dingen moeten op hun tijd geschieden.'
We doen er dus goed aan te bezien wat de status van de hoop in ons huidige bestaan is, waarin Gods geboden voor zoveel mensen onbelangrijk lijken. Toegegeven, volgens de Schriften is het ongewoon dat de stem van het volk iets verlangt wat strijdig is met wat juist is, maar als het gebeurt, met de massale ommezwaai in hoe de samenleving denkt, dan zullen de oordelen van God komen (zie Mosiah 29:2627). Alleen de aanvaarding van de openbaringen van God brengen de benodigde richting en correctie en daarmee een 'onverzwakte hoop' (2 Nephi 31:20) met zich mee.
Ware hoop houdt ons 'ijverig werkzaam' voor een goede zaak, zelfs als deze op het aardse scorebord lijkt te verliezen (LV 58:27). Evenzo is ware hoop dus veel meer dan wensdromen. De geestelijke ruggengraat wordt erdoor verstevigd, niet verzwakt. Hoop is sereen, niet frivool, gretig zonder naïef te zijn, en prettig constant zonder verwaand te zijn. Hoop is realistisch afwachten in de vorm van vastbeslotenheid -- niet alleen om tegenspoed te overleven, maar sterker nog, goed te verdragen, tot het einde toe (zie LV 121:8).
Hoewel hoop een levendige eigenschap is, is zij in stilte aanwezig bij begrafenissen. Onze tranen zijn net zo nat, maar niet uit wanhoop. Het zijn tranen van verdiepte verbondenheid door de pijnlijke scheiding. Die tranen van scheiding gaan spoedig over in tranen van heerlijke afwachting.
Ware hoop inspireert tot stille, christelijke dienstverlening, niet opzichtig, publiekelijk fanatisme. Finley Peter Dunne zegt daarover schelms: 'Een fanaticus is iemand die doet wat volgens hem de Heer zou doen als Hij de feiten kende ( . . . )' (aangehaald in The Third -- And Possibly The Best -- 637 Best Things Anybody Ever Said, samengesteld door Robert Byrne, New York: Atheneum, 1986, nr. 549).
Maar als we inderdaad al te ongeduldig zijn, zeggen we daarmee dat wij weten wat het beste is -- beter dan God weet. Het is vreemd dat wij die een polshorloge dragen, raad proberen te geven aan Hem die zicht heeft op kosmische klokken en kalenders.
Omdat God wil dat we thuiskomen, nadat wij meer zoals Hij en zijn Zoon zijn geworden, moet het een deel van deze ontwikkelingsgang zijn dat Hij ons onze zwakheden toont. Dus als wij ultieme hoop hebben, zijn we onderworpen, omdat met zijn hulp die zwakheden zelfs sterk kunnen worden (zie Ether 12:27).
Het is echter niet gering om je zwakheden voorgehouden te krijgen, want het leven stelt ze geregeld aan de kaak. Toch hoort dit bij het komen tot Christus, en is het een vitaal maar pijnlijk onderdeel van Gods plan van gelukzaligheid. Ouderling Henry B. Eyring heeft bovendien heel wijs gezegd: 'Als je liever eer dan instructie krijgt, krijg je misschien geen van beide' (To Choose and Keep a Mentor, toespraak aan medewerkers van BYU tijdens de '1993 Annual University Conference' [1993], blz. 42).
Door hoopvol voorwaarts te streven, kunnen we herhaaldelijk en blij bereiken wat gisteren de verre horizon was, en daardoor ook uit onze heel eigen ervaring hoop putten. Daarom zegt Paulus dat 'de verdrukking volharding uitwerkt; en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop' (Romeinen 5:34). Daarom zingen wij terecht over God: 'Wij hebben Hem dikwijls beproefd' (lofzang 17).
Toegegeven, de persoonlijke omstandigheden van hen met ware hoop worden soms geschud als in een caleidoscoop. Maar met het oog des geloofs, zelfs in hun veranderde alledaagse omstandigheden, zien ze nog steeds het goddelijke patroon en doel (zie Alma 5:15).
Zo werken de waarlijk hoopvollen bijvoorbeeld temidden van verval aan een sterk en gelukkig gezin. Ze zijn daarin gestaag, zoals Jozua: 'Ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen' (Jozua 24:15).
Misschien kunnen we niet de hele wereld verbeteren, maar we kunnen proberen recht te zetten wat er in ons eigen gezin mis is. Tolkien houdt ons voor:
'Het is niet aan ons het wereldgetij te beheersen, maar om in onze levenstijd te doen wat wij kunnen, het kwaad te ontwortelen op de akkers om ons heen, opdat zij die na ons komen schone grond mogen bewerken. Maar wij bepalen niet wat voor weer zij krijgen' (J.R.R. Tolkien, The Return of the King [1965], blz. 190).
Broeders en zusters, op onze akkertjes kunnen wij schone grond nalaten voor komende generaties te bewerken! Zo zien we dat niet alleen liefde thuis begint, maar ook hoop!
Ongeacht onze akker kunnen we, zoals Paulus zegt, 'ploegen in hope', zonder om te zien, en zonder toe te staan dat morgen de gijzelaar van gisteren is (1 Korintiërs 9:10).
Oprechte, ultieme hoop laat ons liefdevoller zijn, zelfs als de liefde van velen verkoelt (zie Matteüs 24:12). We moeten heiliger zijn, zelfs als de wereld in ongerechtigheid rijpt; beleefder en geduldiger in een grovere en bottere wereld, en sterk van hart zijn, zelfs als het hart van anderen hen begeeft (zie Moroni 10:22).
Hoop kan besmettelijk zijn, vooral als we bereid zijn tot het afleggen van verantwoording aan al wie ons rekenschap vraagt van de hoop in ons (zie 1 Petrus 3:15). President Brigham Young heeft gezegd dat we, als we anderen geen kennis geven en geen goed doen, bekrompen worden in onze visie en gevoelens (Deseret News Weekly, 9 mei 1855, blz. 68).
Als we attent zijn op wat wij kunnen doen, zal de Heilige Geest ons 'alles tonen' wat we moeten doen, want dat is een van de inspirerende rollen die Hij speelt (zie 2 Nephi 32:5).
De kans om iemand te helpen die de hoop verloren heeft, ligt misschien niet verder dan binnen onze eigen familie, een ontmoedigde buur, of iemand om de hoek. Door een kind te helpen met lezen, of een eenzame bejaarde in een tehuis, of gewoon een karweitje te doen voor een drukbezette ouder, kunnen we veel voor anderen betekenen. Ook kan een simpel praatje over het evangelie iemand hoop geven.
Maak u er ondertussen niet druk over dat de kloof in de wereld tussen hen die wereldsgezind en normloos zijn en hen die geestelijke waarden vasthouden, groter wordt.
Laten wij, die met hoop zijn gezegend, als discipelen niet bekrompen zijn, maar de hand toesteken aan allen die om wat voor reden dan ook zijn afgebracht van de hoop van het evangelie (zie Kolossenzen 1:23).
Zoals in de door Charles Wesley geschreven lofzang 'Kom, de reis nu hervat' staat, zal ons leven spoedig als een droom voorbij zijn. Op verschillende manieren, zoals we allen weten. Maar zij die volhouden 'met de hoop en 't geduld die de liefde slechts kent' zullen de volgende heerlijke woorden horen: '"Ga de vreugde thans in, in mijn rijk u bereid"' (lofzang 152).
Moge dit heerlijke moment op zekere dag ons deel zijn door het evangelie van de hoop -- in de naam van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Amen.