Ouderling David E. Sorensen
van de Zeventig
Alleen al de aanwezigheid van een tempel moet dienen als herinnering aan de verbonden die we hebben gesloten, de noodzaak om integer te zijn en het feit dat God nooit ver weg is.
Broeder Maxwell, u bent heel waardevol voor de kerk en de hele wereld tot zegen. Moge God u bewaren en zegenen.
Broeders en zusters, het is een schrikaanjagende ervaring om hier voor u te staan. Als kind woonde ik op een boerderij in het zuiden van Utah en ik heb heel wat uurtjes in het zadel doorgebracht om het vee bij elkaar te halen en te verzorgen. Ik moet toegeven dat ik me enerzijds meer op mijn gemak zou voelen als ik nu een woeste stier moest ontwijken dan dat ik moet spreken; anderzijds weet ik dat ik mij temidden van vrienden bevind, en ik geloof met mijn hele hart in het belang van het werk dat wij doen.
In de begintijd van de kerk, toen het aantal leden nog klein was, heeft de profeet Joseph Smith tegen een groepje mannen gezegd: 'U weet niet meer van de bestemming van deze kerk en dit koninkrijk dan een baby in de schoot van zijn moeder. U kunt het niet omvatten ( . . . ) Er is hier vanavond slechts een handjevol priesterschapsleiders, maar deze kerk zal zich over Noord- en Zuid-Amerika verspreiden -- zij zal zich over de wereld verspreiden' (Naar een citaat van Wilford Woodruff, Conference Report, April 1898, 57). Wij zien hoe deze profetie nu gedeeltelijk wordt vervuld.
Met de groei van het ledental over de hele wereld is de behoefte aan tempels toegenomen. President Hinckley heeft dertien jaar geleden gezegd: 'Het heilige belangrijke werk in de tempel moet versneld worden en om dit te bereiken moet de tempel dichter tot de mensen komen in plaats dat de mensen zo ver naar de tempel moeten reizen' (Conference Report, Oct. 1985, 71; Ensign, Nov. 1985, 54).
Misschien kan ik even een paar getallen noemen die aantonen hoe ver de kerk gevorderd is bij haar inspanningen om de tempels dichter bij de leden te brengen:
In het jaar 1900 waren er maar vier tempels in gebruik -- allemaal in de staat Utah.
In de daarop volgende vijftig jaar, van 1900 tot 1950, werden nog vier tempels ingewijd zodat er in totaal acht waren. Dus gedurende de eerste honderd jaar bouwde de kerk ongeveer één tempel per decennium.
In de dertig jaar van 1951 tot 1980 werden er nog elf tempels gebouwd. Nu waren er in totaal negentien. Het tempo lag al hoger, maar toch waren er nog veel leden voor wie een tempelbezoek jarenlang sparen en een lange reis betekende.
In de jaren tachtig was er grotere nadruk op tempelbouw; in 1997 waren er 32 tempels ingewijd, oftewel twee per jaar.
Nu is de kerk aan een tijdperk begonnen waarin men zich meer op de bouw van tempels richt dan ooit tevoren. In 1998 zijn er twee tempels ingewijd, is men aan de bouw van vijftien tempels begonnen en is men voor nog eens 26 tempels bezig met de voorbereidingen op de eerste-spadesteking. Deze 43 tempels plus de tempels die al in bedrijf zijn, brengen het totale aantal op 94.
Dat is een buitengewone zegen voor ons als leden van de kerk. In het Oude Testament lezen we iets over de vreugde die voortvloeit uit het bouwen van deze heilige gebouwen: 'Zij zongen beurtzangen van lof en prijs aan de Heer ( . . . ) En al het volk juichte met groot gejuich en loofde de Heer, omdat het fundament van het huis des Heren gelegd was' (Ezra 3:11; zie ook vss. 10, 12, 13).
Wanneer wij de bouw van die nieuwe tempels gadeslaan, denk ik dat wij ook de gelegenheid krijgen om de Heer te prijzen en te huilen van vreugde.
Nu we merken hoezeer president Hinckley en anderen zich toeleggen op het bouwen van nieuwe tempels, moeten we onszelf misschien eens rustig afvragen waarom tempels zo belangrijk zijn. Niet-leden van de kerk begrijpen misschien niet eens wat het verschil is tussen onze gewone kerkgebouwen, waarvan er duizenden zijn, en die heel bijzondere gebouwen die we tempels noemen.
President Hinckley heeft dat verschil als volgt aangegeven: 'Die unieke wonderbaarlijke gebouwen en de verordeningen die er worden bediend, vertegenwoordigen het hoogste niveau van onze aanbidding. Die verordeningen worden de krachtigste uiting van onze theologie' (Gordon B. Hinckley, Conference Report, Oct. 1995, 72). Met andere woorden, tempels zijn heel waardevol voor ons omdat wij daardoor de kern van onze theologie tot uitdrukking kunnen brengen, namelijk dat wij tot Christus willen komen.
Dat gebeurt op twee manieren in de tempel. Ten eerste herinnert hij ons symbolisch en letterlijk aan Christus en zijn Vader, en leren wij hen daardoor kennen. We weten dat Christus een belangrijk deel van zijn bediening in de tempel te Jeruzalem doorgebracht heeft (zie Johannes 7, 8; Matteüs 2123; Marcus 1112; Lucas 20). Hij gebruikte de symboliek in de tempel regelmatig als basis voor zijn leringen en vergeleek zichzelf vaak met symbolen die in de tempeldiensten gebruikt werden, zoals licht en water (zie Johannes 7:38; 8:12). In onze huidige tempeldiensten vinden we veel symbolische toespelingen op Christus terug, van de spits buiten die onze gedachten naar de hemel richt tot aan de witte kleding die we binnen dragen als teken dat wij, zoals in het boek Openbaring staat, gekomen zijn 'uit de grote verdrukking; en [wij] hebben [onze] gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams' (zie Openbaring 7:14).
Tempels vormen een constante, tastbare herinnering aan de genade en goedheid van de Vader. Hierdoor kunnen grote groepen heiligen zichzelf versterken. President George Q. Cannon heeft gezegd: 'Iedere steen die voor het fundament voor een tempel wordt gelegd en elke voltooide tempel ( . . . ) vermindert de macht van Satan op aarde en versterkt de macht van God en de godsvrucht' (George Q. Cannon bij de ceremonie ter ere van het leggen van de hoeksteen van de tempel te Logan, 19 sept. 1877, Nolan Porter Olsen, Logan Temple The First 100 Years, 34).
Tempels zijn altijd het zinnebeeld geweest van de aanwezigheid van de Heer. 'En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen,' zei de Heer. 'En Ik zal dáár met u samenkomen en ( . . . ) met u spreken' (Exodus 25:8, 22). Door regelmatige aanbidding in het huis van de Heer komen wij dicht tot God. We kunnen Hem leren kennen en ons welkom voelen, ja, thuis voelen in zijn huis.
Nu er zoveel tempels overal ter wereld komen, zullen meer mensen een tempel in de buurt hebben die hen zal herinneren aan Christus en zijn offer voor ons. Alleen al de aanwezigheid van een tempel moet dienen als herinnering aan de verbonden die we hebben gesloten, de noodzaak om integer te zijn en het feit dat God nooit ver weg is.
Niet alleen doordat hij tastbaar aanwezig en rijk aan uiterlijke symboliek is, kan een tempel ons inspireren om tot Christus te komen, maar er is nog een manier -- dat zijn de verordeningen die we er bedienen. Alle tempelverordeningen draaien om Jezus Christus en zijn goddelijke zending, en worden voltrokken door het gezag van het Melchizedeks priesterschap. In Leer en Verbonden 84 staat: 'En zonder de verordeningen er van, en zonder het gezag van het priesterschap, wordt de macht der goddelijkheid niet aan de mensen in het vlees geopenbaard' (Leer en Verbonden 84:21). Iedere verordening zit zo in elkaar dat wij er iets over Christus door te weten komen en over onze relatie tot God.
Sommige verordeningen in de tempel lijken gemakkelijk te begrijpen, zoals het eeuwig huwelijk. Andere verordeningen vergen zorgvuldige, langdurige geestelijke voorbereiding voordat hun volledige betekenis tot ons doordringt. In zijn eerste brief aan de Korintiërs legde Paulus uit dat wij absoluut de Geest van God bij ons moeten hebben om de dingen van God te kunnen begrijpen: 'Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is' (1 Korintiërs 2:12; zie ook vers 11, 14). Wanneer wij door de Geest van God zijn plan voor ons leren begrijpen en kennen, zullen wij niet alleen meer kennis verwerven, maar ook een grotere mate van vrede en medeleven ontwikkelen.
Tempelverordeningen stellen ons ook in de gelegenheid om onze familiebanden te versterken, iets wat tegenwoordig dringend noodzakelijk is. Wij kunnen dat doen door plaatsvervangend verordeningen voor onze voorouders te voltrekken. Zodoende leggen we een 'verbindende schakel' tussen ouders en kinderen (LV 128:18). Wij kunnen ons in de tempel bijvoorbeeld plaatsvervangend laten dopen voor voorouders die misschien niet de kans hebben gehad om het evangelie tijdens hun leven te horen (zie 1 Korintiërs 15:29).
Ik was in Japan toen een man van 21 jaar het evangelie aanvaardde. Na zijn doop was hij het enige lid van de kerk in zijn familie. Hij deed familiehistorisch onderzoek voor zijn grootvader zodat hij plaatsvervangend verordeningen voor hem kon ontvangen. Zo kon hij letterlijk iets voor hem doen wat zijn grootvader niet meer zelf kon doen. Toen deze jongeman uit het doopvont opklom, had hij tranen in zijn ogen. Hij zei: 'Nu weet ik en voel ik, heb ik een getuigenis, dat ik niet het enige lid van deze kerk in mijn familie ben.' Die verordeningen versterkten de band met zijn familie en brachten een nieuw gevoel van saamhorigheid in zijn leven.
Bij de inwijding van de tempel te Manti bad president Lorenzo Snow: 'Moge deze heilige tempel voor hen als de poort van de hemel zijn waarachter het rechte en smalle pad ligt dat tot eeuwige levens en eindeloze heerschappij leidt' (Inwijding van de tempel te Manti, 17 mei 1888).
Broeders en zusters, de poort van de hemel staat voor ons open en de Heer Jezus Christus nodigt ons uit om tot Hem te komen.
Hiervan getuig ik nederig in de naam van Jezus Christus. Amen.