Bisschop H. David Burton
Presiderende bisschop
Het is een tijd om iemand de hand te reiken, een tijd om ons voor te nemen de sabbat heilig te houden, en een tijd om er mede voor te zorgen dat het licht in onze tempels blijft branden.
Onlangs suggereerde een lieftallige jongedame tijdens een avondmaalsdienst dat een goede toespraak begint met een stukje smaakvolle humor of een ongehoorde onwaarheid. Mijn vermogen om humor over te brengen is vrijwel nihil, maar ik kan oprecht zeggen dat ik mij volkomen op mijn gemak en onbevreesd voel nu ik hier op deze prachtige herfstochtend op dit podium sta.
Aan het eind van onze pioniersviering richtte onze geliefde profeet onze aandacht weer op de toekomst toen hij zei: 'Nu is de tijd aangebroken om ons om te keren en naar de toekomst te kijken. Dit is de tijd van grote mogelijkheden. Het is aan ons die aan te grijpen en voorwaarts te gaan. Voor ieder van ons is het de tijd om zijn of haar deel te doen in het voortstuwen van het werk van de Heer naar zijn luisterrijke bestemming' (Gordon B. Hinckley, De Ster, januari 1998, blz. 69).
Wij worden allen in ons dagelijks leven met moeilijkheden geconfronteerd. Maar in sommige moeilijkheden liggen onze grootste kansen. Herkennen we die kansen, en maken we er gebruik van, dan volgen er vooruitgang, geluk en geestelijke groei.
Wij moeten betrokken zijn bij het voortstuwen van het werk van de Heer. Hoewel de kansen die ons ter beschikking staan talrijk zijn, wil ik er toch enkele noemen. Telkens weer zijn we er vanaf dit spreekgestoelte aan herinnerd dat we de sabbatdag volledig moeten heiligen. Als we dat niet doen, dan is het vandaag de ideale tijd om ons dat voor te nemen, de kans aan te grijpen, om de zegeningen te ontvangen die ons beloofd zijn voor de heiliging van de sabbatdag.
Veel mensen menen dat de termen 'sabbatdag' en 'speeldag' synoniem zijn. Een vriend die manager is van enkele kleine detailhandels in plaatsen waar overwegend heiligen der laatste dagen wonen, zegt mij dat hij precies weet wanneer de zondagsdiensten voorbij zijn, want op dat moment neemt het aantal klanten drastisch toe. Recreatie in verschillende vormen is voor velen de voornaamste sabbatsactiviteit geworden.
Toen mijn vrouw en ik pas gehuwd waren, woonden we in het zuidoosten van de Salt Lake Valley. Soms zagen we bij het boodschappen doen in een kleine buurtwinkel president Joseph Fielding Smith en zijn vrouw in dezelfde zaak winkelen. Toen mij dat enkele malen was opgevallen, bracht ik de moed op om president Smith te vragen waarom hij helemaal uit het centrum daarheen reisde, waarbij hij ruim tien supermarkten passeerde, om in die buurt-winkel boodschappen te doen. Hij keek over zijn bril heen en antwoordde met veel nadruk: 'Jongen!' (Toen had hij mijn onmiddellijke aandacht.) 'Mijn vrouw en ik gaan alleen naar winkels waar men de sabbatdag heilig houdt.'
De noodzaak om de sabbatdag te heiligen is geen nieuwe raad. Wat ons tegenwoordig gezegd wordt, is wat voorgaande generaties ook gezegd is door de profeten uit hun tijd, en wat talloze keren door de profeten van onze tijd bevestigd is. In de hedendaagse Schriften staat de volgende aansporing: 'En opdat gij uzelf meer onbesmet van de wereld moogt bewaren, moet gij op mijn heilige dag naar het huis des gebeds gaan en uw sacramenten opofferen; want voorwaar, dit is een dag, die u is toegewezen om van uw arbeid uit te rusten en de Allerhoogste uw toewijding te betonen' (LV 59:910).
Ik weet dat het moeilijk is, vooral voor onze jongemensen, om te besluiten de sabbatdag heilig te houden, omdat sportploegen waar zij zo graag deel van uit willen maken geregeld wedstrijden op zondag plannen. Ik weet dat het velen als een kleinigheid voorkomt om op de sabbat, als ze slechts enkele artikelen nodig hebben, bij een weekendwinkel langs te gaan om een zondagsaankoop te doen. Maar ik weet ook dat de sabbat heiligen een van de belangrijkste geboden is die we kunnen gehoorzamen ter voorbereiding op het ontvangen van de influisteringen van de Geest.
Dit is een tijd met veel kansen voor het gezin om rechtschapen te leven en onder de getrouwen gerekend te worden die het vierde grote gebod gehoorzamen: 'Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God' (Exodus 20:810).
Enkele jaren geleden reageerde president Hinckley op een opmerking over het aantal tempelinwijdingen of herinwijdingen waaraan hij tijdens zijn ambtsperiode als algemeen autoriteit had deelgenomen. Hij gaf aan dat het zijn verlangen was om bij veel meer tempelinwijdingen betrokken te zijn, tot wij minstens honderd tempels in bedrijf zouden hebben. Toen ik dat hoorde, kon ik mezelf er niet van weerhouden een klein rekensommetje te maken, waarop ik besefte dat het totale aantal tempels dat toen in bedrijf was, samen met het totale aantal tempelbouwprojecten, veel minder was dan honderd. Omdat de presiderende bisschap de taak heeft om toezicht te houden op de bouw van tempels zodra die aangekondigd zijn, herinner ik me als de dag van gisteren dat ik toen gezegd heb: 'President, ik bid dat de Heer u met een lang leven zal zegenen.'
Ik wist toen niet dat, misschien zelfs op dat moment, onze profeet de ingeving uit de hemelen kreeg om manieren te overwegen om meer goede heiligen der laatste dagen de kans te geven deel te hebben aan de zegeningen van aanbidding in de tempel. Ik weende en verheugde mij met u toen wij president Hinckley tijdens de afgelopen algemene aprilconferentie hoorden zeggen: 'De afgelopen maanden [hebben wij] ver gereisd om de leden van de kerk te bezoeken. Ik ben bij veel leden geweest die erg weinig aardse goederen hebben. Maar hun geloof in dit werk van de laatste dagen brandt fel in hun hart. Zij houden van de kerk. Zij houden van het evangelie. Zij houden van de Heer en hebben het verlangen om zijn wil te doen. Zij betalen hun tiende, al is die nog zo bescheiden. Zij brengen enorme offers om de tempel te bezoeken. Zij reizen dagenlang in goedkope bussen en met oude boten. Zij sparen hun geld ervoor op en ontzeggen zich veel om dit allemaal mogelijk te maken. Zij hebben nabijgelegen tempels nodig. ( . . . ) Ik maak van deze gelegenheid gebruik om de hele kerk een programma aan te kondigen in het kader waarvan er onmiddellijk zo'n dertig kleinere tempels zullen worden gebouwd. ( . . . ) ze zijn een aanvulling op de zeventien gebouwen die al in aanbouw zijn. ( . . . ) Samen zijn het 47 nieuwe tempels naast de 51 reeds operationele. Ik denk dat we er beter nog twee aan toe kunnen voegen, om er tegen het eind van deze eeuw precies honderd te hebben' (De Ster, juli 1998, blz. 98).
Al vroeg in deze bedeling werden onze voorvaders gezegend met de kans om zich enorme opofferingen te getroosten voor de bouw van tempels. Zij offerden vrijgevig van hun schamele financiële middelen en van de vruchten van hun lichamelijke arbeid. Voor de bouw van tempels, eerst in Kirtland en later in Nauvoo, waren de offers van de heiligen groot. Zij werden gezegend naarmate zij aan de oproep gehoor gaven. Na de trek van de heiligen naar de bergtoppen, begonnen er op verscheidene locaties in het westen tempels te verschijnen. Elk tempelproject was een groot offer. Maar zoals God beloofd had, wachtten hen die de kans grepen om deel te nemen aan de bouw van tempels, grote zegeningen.
De tijd van grote kansen in het tempelwerk die wij nu hebben, is anders dan die in het verleden. Er wordt nu niet van ons verwacht dat wij komen hameren, steenhouwen, houtzagen, beton storten of anderszins fysiek deelnemen aan de bouw van tempels. Maar wij krijgen wel de kans om getrouw onze tiende te betalen zodat het werk van de tempelbouw en het werk van de Heer voort mogen blijven gaan. Wij worden ook aangespoord om te zorgen dat we ervoor in aanmerking komen om onszelf op te offeren in het dienstbetoon waardoor wij heilige heilsverordeningen verschaffen aan hen die ons zijn voorgegaan. Om het eenvoudig te zeggen: de gezinnen in de kerk hebben de grote kans om ervoor te zorgen dat het licht in onze tempels dagelijks vroeg aangaat en laat uitgaat. Misschien kunnen we het nodig maken dat het zelfs de hele nacht blijft branden, zoals we nu al in de weekends doen in enkele tempels.
Enkele jaren geleden gebruikte een grote communicatiefirma in hun reclames de zin: 'Steek een ander de helpende hand toe'. President Hinckley heeft ons er herhaaldelijk aan herinnerd dat wij veel kansen hebben om anderen de hand te reiken. Hij had het bijvoorbeeld over hen die zich pas bij ons hebben gevoegd en beschreef de noodzaak om hen in liefde en vriendschap de hand te reiken; maar ook hen die van ons vervreemd zijn, reiken wij de hand van aanmoediging, met onvoorwaardelijke liefde en zo nodig met een grote mate van vergevensgezindheid; aan onze buren, kennissen en vrienden die niet van ons geloof zijn, de zegening om bij onze woorden en daden geraakt te worden door de Heilige Geest.
Bij een recente trainingsbijeenkomst voor ring- en wijkraadsleden tijdens een ringconferentie die ik bijwoonde, gingen de goed voorbereide presentaties over de gelegenheid om juist meer mensen bij de kerkactiviteiten te betrekken dan er mensen buiten te laten, door zowel nieuwe, als inactieve, als niet-leden de hand te reiken. Zuster Laura Chipman, jongevrouwenpresidente van een ring, heeft vijf vragen gegeven die ons kunnen helpen om te bedenken hoe wij mensen de hand kunnen reiken. Zij zijn: 1. Introspectie -- Stralen wij onbewust een houding uit die mensen buitensluit? 2. Identificatie -- Kennen we de pasgedoopten, de minder-actieven of de niet-leden in onze omgeving? 3. Aanpassing aan de persoon -- Zoeken we uit welke interesses, talenten en vaardigheden de personen hebben die we willen begeleiden? 4. Uitnodigen -- Betrekken we buren en vrienden bij gepaste activiteiten? 5. Erbij betrekken -- Zijn er manieren om de vaardigheden, talenten en vermogens te gebruiken van de mensen die we ergens bij willen betrekken?
Onlangs woonde ik de begrafenisdienst bij van een jeugdvriend. Deze broeder was geboren met een genetische afwijking. Hij kon alles prima begrijpen, maar kon niet lezen of schrijven. Zijn spraak was beperkt tot slechts enkele verstaanbare woorden, aangevuld met zijn eigen vocabulaire. Sommigen onder ons konden wel een paar van zijn woorden herkennen. Maar meestal moesten we uit de toon die hij gebruikte, opmaken of hij zijn bezorgdheid over iets uitsprak of dat hij uiting gaf aan zijn grote vermogen tot liefhebben. Lynn bracht een groot deel van zijn jeugd door op een speciale kostschool. In de zomer en de vele vakanties was hij thuis bij zijn ouderlijk gezin. Maar de afgelopen zeventien jaar woonde Lynn, die zijn hele familie had overleefd, in een verpleeghuis waar men het beste aan zijn vele noden tegemoet kon komen.
Toen Lynn overleden was, regelde een van zijn goede vrienden een begrafenisdienst in het kerkgebouw waar we als jongens heengingen. Bij de begrafenisdienst waren zijn geliefde vrienden aanwezig, medewerkers van het verpleeghuis, enkele wijkleden die zich hem van jaren geleden herinnerden en ruim tien jeugdvrienden en hun gezinsleden. Enkele broeders die nauw met Lynn waren blijven omgaan tijdens zijn lange, vaak eenzame, verblijf in het verpleeghuis, zeiden enkele vriendelijke woorden.
In de loop van die dienst haalden we al onze herinneringen op. Een vriend herinnerde zich dat onze zondagsschoolleerkracht ons op een zondag had gevraagd om tijdens de les ons getuigenis te geven. Hij vroeg ons om de beurt, maar sloeg Lynn over, misschien omdat hij meende dat die niets begrijpelijks kon uitbrengen. Met alle gerechtvaardigde verontwaardiging die hij kon opbrengen, maakte Lynn de leerkracht duidelijk dat hij ook een kans verwachtte om wat te zeggen. Hoewel we niet veel begrepen van wat hij zei, voelden we zijn liefde en de diepgang van een grote geest die tragisch genoeg gevangen zat in een lichaam dat niet optimaal functioneerde. De geest in die les was erg sterk!
Toen de medewerkers en zijn vrienden uit het verpleeghuis hun onvoorwaardelijke liefde voor Lynn uitspraken, was het overduidelijk dat hij, op zijn eigen ootmoedige manier, zijn hand naar hen had uitgestrekt en hun leven had aangeraakt. In de loop van de begrafenisdienst werd duidelijk dat ten minste drie van onze jeugdvrienden en hun gezinsleden moeite hadden gedaan om Lynn te helpen met geregelde bezoeken, lange autoritten, uitnodigingen voor maaltijden op bijzondere dagen en verjaardagsfeesten.
Toen de verhalen en herinneringen verteld waren, beseften we dat onze fysiek gehandicapte, liefhebbende engel van een vriend ons en de geweldige meelevende gezinnen die hem zo vaak in liefde de hand hadden toegestoken, veel meer echt waardevols had gegeven dan hij zelf ooit had ontvangen.
Ja, het is nu werkelijk een tijd met veel kansen. Het is een tijd om iemand de hand te reiken, een tijd om ons voor te nemen de sabbat heilig te houden, en een tijd om er mede voor te zorgen dat het licht in onze tempels blijft branden, om maar enkele kansen te noemen. Ik getuig van een levende Vader in de hemel en van zijn Zoon, onze Heiland en Verlosser, die ons beiden onvoorwaardelijk liefhebben en graag willen dat wij de vele kansen die Zij verschaft hebben, zullen aangrijpen. Ik betuig mijn liefde voor onze fijne profeet, die vol toewijding en met moed en majesteit onze banier draagt. In de naam van Jezus Christus. Amen.