President Gordon B. Hinckley
Laten wij ware discipelen van Christus zijn en de gulden regel naleven, namelijk anderen zo behandelen als wij behandeld willen worden.
Mijn geliefde broeders en zusters, wij heten u van harte welkom op deze algemene conferentie die tot een geweldige wereldconferentie van de kerk is uitgegroeid.
Deze bijeenkomsten zullen door de hele Verenigde Staten en in Canada te zien zijn, en in een groot deel van de rest van de wereld. De gebeurtenis is ongeëvenaard. Ik prijs en dank allen die met de ingewikkelde logistiek van deze onderneming te maken hebben.
Wij zijn bijeengekomen om de Heer te aanbidden, om te verklaren dat Hij God is en dat Hij leeft. Wij zijn bijeengekomen om onze liefde voor Hem en onze zekerheid van zijn liefde voor ons te bevestigen. Niemand, wat men ook zegt, kan die liefde verkleinen.
Er zijn mensen die dat proberen. Er zijn bijvoorbeeld leden van andere geloofsrichtingen die ons niet als christenen zien. Dat is niet van belang. Hoe wij onszelf zien is belangrijk. Wij erkennen zonder aarzeling dat wij onderling van elkaar verschillen. Als dit niet zo was, zou de herstelling van het evangelie niet nodig zijn geweest. President Packer en ouderling Ballard hebben hier onlangs bij andere gelegenheden over gesproken.
Ik hoop dat wij geen ruzie maken over deze kwestie. Er is geen reden om erover te redetwisten. Wij getuigen gewoon rustig, en zonder verontschuldiging, dat God zichzelf en zijn geliefde Zoon heeft geopenbaard bij de ontsluiting van deze volledige en laatste bedeling van zijn werk.
Wij moeten niet onvriendelijk worden als we over leerstellige verschillen praten. Er is geen plaats voor bitterheid. Maar wij kunnen nooit afstand doen van, of schipperen met die kennis, want zij is tot ons gekomen door openbaring. De sleutels en bevoegdheid zijn rechtstreeks verleend door hen die ze van oudsher bezaten. Laten wij niet vergeten dat dit de herstelling is van de zaken die door de Heiland van de wereld waren ingesteld. Het is niet de waarneming en reformatie van verkeerde gebruiken en leerstellingen die door de eeuwen heen zijn ontstaan.
Wij kunnen andere godsdiensten respecteren en moeten dat ook doen. Wij moeten al het goede dat zij tot stand brengen, erkennen. Wij moeten onze kinderen leren dat zij verdraagzaam en vriendelijk moeten zijn tegenover andersdenkenden. Wij kunnen met mensen van andere godsdiensten samenwerken ter verdediging van de waarden die onze beschaving groot en onze maatschappij opmerkelijk hebben gemaakt, en wij doen dat ook.
Onlangs kwam er een protestantse dominee naar mijn kantoor, die zeer doelmatig leiding geeft in de eindeloze strijd tegen pornografie. Wij zijn hem dankbaar. Wij werken met hem en zijn medewerkers samen. Wij geven zijn organisatie financiële steun.
Wij kunnen met de leden van andere godsdiensten samenwerken bij verscheidene ondernemingen in de eeuwigdurende strijd tegen allerlei maatschappelijk kwaad dat de kostbare waarden die zo belangrijk voor ons zijn, bedreigt; en wij doen dat ook. Deze mensen hebben niet hetzelfde geloof, maar zij zijn onze vrienden, buren en partners in allerlei zaken. Wij zetten hun pogingen graag kracht bij.
Maar, hiervoor hoeven wij geen leerstellige compromissen te sluiten. Het hoeft niet en het mag van onze kant ook niet. Er is echter een mate van broederschap in onze samenwerking.
Wij vervullen onze bijzondere zending in opdracht van de herrezen Heer, die in deze allerlaatste bedeling heeft gesproken. Dit is zijn unieke en wonderbare werk. Wij getuigen van Hem. Maar dat hoeven we niet met hoogmoed of zelfgenoegzaamheid te doen.
Zoals Petrus het uitdrukte: wij zijn '( . . . ) een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom.' Waarom? '[Om] de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht' (1 Petrus 2:9).
Een superieure houding past ons niet. Ik heb een brief gekregen van een man in onze gemeenschap die geen lid van de kerk is. Hij schrijft dat zijn dochtertje door haar medescholieren, die heiligen der laatste dagen zijn, is uitgestoten. Hij geeft nog een voorbeeld, waarbij een mormoons kind, zo verklaart hij, een ander kind een godsdienstig kettinkje heeft afgerukt. Ik hoop dat het niet waar is. Als het wel waar is, bied ik hen die beledigd zijn mijn excuus aan.
Laten wij zulk gedrag ontgroeien en onze kinderen dat ook leren. Laten wij ware discipelen van Christus zijn en de gulden regel naleven, namelijk anderen zo behandelen als wij behandeld willen worden. Laten wij ons geloof en dat van onze kinderen versterken en intussen aardig zijn tegen andersdenkenden. Liefde en respect zullen ieder gevoel van vijandigheid overwinnen. Onze vriendelijkheid kan wel eens het meest overtuigende argument van onze geloofsopvattingen zijn.
Nu een andere aangelegenheid. Vorige week was ik in Palmyra (New York). Daar heb ik twee gebouwen gewijd. Eén was de nagebouwde, kleine blokhut waarin het gezin van Joseph Smith sr. gewoond heeft. In deze bescheiden woning nam de veertienjarige Joseph zich voor om het nabije bos in te gaan om God te vragen, en daar aangekomen een onvergelijkelijk visioen van de Vader en de Zoon kreeg.
En in die woning verscheen de engel Moroni aan de jonge Joseph, die hem bij zijn naam noemde en hem zei dat God een werk voor hem te doen had; en dat zijn 'naam zowel ten goede als ten kwade onder alle natiën, geslachten en talen bekend zou worden' (Geschiedenis van Joseph Smith 2:33).
Hoe kan een boerenjongen, grotendeels zonder opleiding, zoiets hebben durven zeggen? En toch is het allemaal uitgekomen, en zal zelfs nog verder uitkomen nu het evangelie over de hele wereld wordt gepredikt.
Ook heb ik in Palmyra het E.B. Grandin-gebouw gewijd, waar de eerste drukken van het Boek van Mormon in 1829 en 1830 van de pers zijn gerold. Er was moed voor nodig een boek te drukken, dat door de heer Grandin aanvankelijk werd afgedaan als zwendel, en nog wel 5000 exemplaren, wat voor die tijd veel was. Het doet mij genoegen te kunnen melden dat er sinds die tijd ruim 88 miljoen exemplaren van dit opmerkelijke boek zijn gedrukt.
Ik ben dankbaar dat we dat oude gebouw in ons bezit hebben, aangekocht door een gul lid van de kerk en aan de kerk geschonken. Het gebouw is een tastbaar stukje geschiedenis van het boek, dit opmerkelijke getuigenis van de Zoon van God.
Kan iemand die het gelezen heeft, in alle eerlijkheid de goddelijke oorsprong ervan betwijfelen? Critici mogen proberen het onderuit te halen. Hoe harder ze dat proberen, des te aannemelijker wordt het verslag van zijn verschijning als een stem die uit het stof opklinkt.
Ik ben dankbaar voor het getuigenis waarmee God me heeft gezegend van de goddelijke roeping van Joseph Smith, van de realiteit van het eerste visioen, van de herstelling van het priesterschap, of de waarheid van deze kerk, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
Dus, broeders en zusters, laten wij ons samen verheugen en met waardering van de wonderbaarlijke leerstellingen en gebruiken genieten, die nu als een gave van de Heer, in de heerlijkste periode van zijn werk tot ons gekomen zijn. Het is de paastijd, waarin wij zijn heerlijke opstanding gedenken, waarvan wij getuigen. Laten wij altijd dankbaar zijn voor deze kostbare gaven en voorrechten en als mensen die de Heer liefhebben ons deel doen. Ik nodig u uit om te luisteren naar de woorden die vanaf dit spreekgestoelte tot u gericht zullen worden door hen die als uw dienstknechten geroepen zijn. Moge de Heer ons zegenen, bid ik in de naam van Jezus Christus. Amen.