The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
April 1998
'Van God gekomen ( . . . ) als leraar'

'Van God gekomen ( . . . ) als leraar'

Ouderling Jeffrey R. Holland
van het Quorum der Twaalf Apostelen

Wij moeten het onderwijs in de kerk nieuw leven inblazen ­ thuis, vanaf de kansel, in onze vergaderingen en zeker in het leslokaal.

Ouderling Jeffrey R. Holland

Toen Nikodemus naar Jezus toe kwam in het begin van de bediening van de Heiland, sprak hij namens ons allen toen hij zei: 'Rabbi, wij weten, dat Gij van God gekomen zijt als leraar.'1

Christus was natuurlijk veel meer dan een leraar. Hij was letterlijk de Zoon van God, de Heilige Israëls van het eeuwige evangelieplan, de Heiland en Verlosser van de wereld.

Maar Nikodemus begon zo ongeveer zoals u en ik begonnen zijn, zoals elk kind, beginnend student of bekeerling begint ­ door gehoor te geven aan een indrukwekkende leraar die de diepste gevoelens van ons hart raakt.

In de afgelopen maanden heeft president Gordon B. Hinckley ons opgeroepen om onze mensen dichtbij de kerk te houden, vooral de pasgedoopte bekeerlingen. Bij die oproep heeft president Hinckley ons eraan herinnerd dat we allemaal tenminste drie zaken nodig hebben om sterk in het geloof te blijven ­ een vriend, een taak en '[voeding met] het goede woord van God.'2

Geïnspireerde lessen thuis en in de kerk voorzien in dat belangrijke element van voeding met het goede woord van God. Wij zijn heel dankbaar voor ieder die lesgeeft. Wij houden van u en waarderen u meer dan we kunnen zeggen. Wij hebben groot vertrouwen in u. Effectief lesgeven en er nog voldoening in hebben ook, vraagt veel werk. Maar dat is het waard. We kunnen 'geen grotere roeping'3 ontvangen. De mogelijkheid om die roeping groot te maken bestaat zeker overal. Er is altijd behoefte aan. Vaders, moeders, broers, zussen, vrienden, zendelingen, huisonderwijzers en huisbezoeksters, priesterschapsleiders en leidsters van hulporganisaties, leerkrachten ­ allemaal zijn ze, op hun manier, 'van God gekomen' voor onze vorming en redding. In deze kerk is het bijna onmogelijk iemand te vinden die niet op de een of andere manier leiding geeft aan zijn of haar medeleden van de kudde. Geen wonder dat Paulus in zijn verslagen schrijft: 'God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars ( . . . ).4

Voor ieder van ons is 'tot Christus [ . . . ] komen'5, zijn geboden onderhouden en zijn voorbeeld volgen om terug te keren tot de Vader absoluut het hoogste en heiligste doel van het menselijk bestaan. Daar anderen behulpzaam bij zijn ­ onderwijzen, overreden en ze gebedvol leiden om ook de weg van verlossing op te gaan ­ moet zonder twijfel de op één na belangrijkste taak in ons leven zijn. Misschien heeft president David O. McKay daarom eens gezegd: 'Mensen kunnen geen grotere taak hebben dan onderricht geven aan Gods kinderen.'6 In feite lijken we allemaal enigszins op de man uit Ethiopië naar wie Filippus gestuurd was. Net als hij weten we misschien genoeg om ons voor godsdienst open te stellen. We kunnen langdurig de Schriften bestuderen. We kunnen zelfs onze aardse schatten opgeven, maar zonder voldoende instructie ontgaat ons misschien de betekenis van dat alles en van wat verder nog van ons gevraagd wordt. Dan roepen we met die man van gezag uit: 'Hoe [zouden wij] dit kunnen [begrijpen] als niet [een leerkracht ons] de weg wijst?'7

De apostel Paulus heeft gezegd: 'Want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden. [Maar] hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben?

'[Maar] hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? ( . . . )

'Zo is dan geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.'8

In een tijd waarin onze profeet oproept tot meer geloof door te luisteren naar Gods woord, moeten wij het onderwijs in de kerk nieuw leven inblazen ­ thuis, vanaf de kansel, in onze vergaderingen en zeker in het leslokaal. Geïnspireerd onderwijs mag in de kerk nooit een vergeten kunst worden, en we moeten ervoor zorgen dat onze zoektocht ernaar geen verloren traditie wordt.

President Spencer W. Kimball heeft eens bepleit: 'Ringpresidenten, bisschoppen en gemeentepresidenten, hecht alstublieft bijzonder belang aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs in de kerk. ( . . . ) Ik vrees dat veel leden maar al te vaak naar de kerk komen, een les of een vergadering uitzitten en dan ( . . . ) totaal [ongeïnspireerd] naar huis gaan. Het is bijzonder jammer', zei hij, 'als dat gebeurt in een tijd van spanning, verleiding of crisis. Wij moeten allemaal geraakt en gevoed worden door de Geest, en doeltreffend onderwijs is een van de belangrijkste manieren waarop dat kan plaatsvinden. We verzetten vaak veel werk om de leden naar de kerk te krijgen, maar houden niet genoeg zicht op wat ze ontvangen als ze dan ook komen.'9 Over dit onderwerp heeft president Hinckley gezegd: 'Doeltreffend onderwijs is de essentie van het leiderschap in de kerk.' Ik herhaal: Doeltreffend onderwijs is de essentie van het leiderschap in de kerk. 'Eeuwig leven', vervolgt hij, 'zal alleen dan tot stand komen als mensen zulk doeltreffend onderwijs krijgen dat ze veranderingen in hun leven aanbrengen. Zij kunnen niet tot rechtschapenheid of tot in de hemel gedwongen worden. Ze moeten geleid, en dat betekent onderricht worden.'10

Onder de laatste woorden die de Heiland tot zijn discipelen sprak en ongeveer de eerste woorden die Hij nu tot ons richt, zijn: 'Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen ( . . . ) leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.'11 Tegen Petrus, de leidende apostel van de kerk, heeft de herrezen en ten hemel gevaren Christus gezegd: 'Weid mijn lammeren, ( . . . ) hoed mijn schapen, ( . . . ) volg Mij.'12

Bij dit alles moeten we eraan denken dat de Heer nooit een nadrukkelijker raad aan de kerk heeft gegeven dan dat we in het evangelie moeten onderwijzen 'door de Geest, namelijk de Trooster, Die werd uitgezonden om de waarheid te onderwijzen.'

Onderwijzen wij het evangelie door 'de Geest der waarheid', zoals Hij gevraagd heeft. Of doen we het 'op een andere wijze? ( . . . ) Indien het op een andere wijze geschiedt,' waarschuwt Hij, 'dan is het niet van God.'13 In woorden waarin andere geboden doorklinken, heeft Hij gezegd: 'Indien gij de Geest niet ontvangt, moet gij niet onderwijzen.'14

Er bestaat geen eeuwig leerproces zonder de bezieling van de Geest uit de hemel. Ouders, leerkrachten en leiders moeten dus deze opdracht onder ogen zien zoals Mozes het beloofde land onder ogen kreeg. Wetend dat hij op geen andere manier zou slagen, zei Mozes tegen Jehova: 'Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken.'15

Dat is wat onze leden werkelijk nodig hebben als ze een vergadering of een les bijwonen. De meeste mensen komen niet alleen maar naar de kerk voor een paar nieuwe evangeliefeiten of om oude vrienden te ontmoeten, hoewel dat allemaal belangrijk is. Ze komen voor een geestelijke ervaring. Ze willen vrede. Ze hebben behoefte aan versterkt geloof en vernieuwde hoop. Kortom, ze willen door het goede woord van God worden gevoed, en gesterkt door de machten des hemels. Wie van ons geroepen is om de spreken, te onderrichten of te leiden heeft de verplichting daarin te voorzien, zo goed als we kunnen. Dat kunnen we alleen als we er zelf naar streven God te kennen, als we zelf voortdurend op zoek zijn naar het licht van zijn Eniggeboren Zoon. Dan, als we oprecht van hart zijn, als we zo rein mogelijk zijn, als we hebben gebeden en geweend, en ons hebben voorbereid en ingespannen totdat we niet weten wat we nog meer kunnen doen, kan God tegen ons zeggen wat Hij tegen Alma en de zoons van Mosiah gezegd heeft: 'Hef ( . . . ) uw hoofd op en verblijd u ( . . . ) en Ik zal u doen slagen.'16

Wij maken ons terecht zorgen over het nieuwe lid, omdat we willen dat ze allemaal bij ons blijven en zich verheugen in alle zegeningen van de kerk. Ik ben envoudig genoeg om te denken dat bekeerlingen, als we ze blijven lesgeven ­ met dezelfde christelijke geest, overtuiging, leer en persoonlijke belangstelling die de zendelingen ze gegeven hebben ­ niet alleen bij ons zullen blijven, maar, heel letterlijk, niet weggehouden kunnen worden. De behoefte aan constant, solide onderwijs is duidelijk. In deze tijd hebben we allemaal nodig wat Mormon 'de kracht van het woord Gods' noemde, omdat dit 'groter invloed had [ . . . ] op de gemoederen van het volk dan het zwaard of iets anders, waarmede zij hadden kennisgemaakt.'17 Als er zich een crisis in ons leven voordoet, en dat zal gebeuren, zijn de filosofieën van mensen, vermengd met een paar teksten en gedichten niet genoeg. Voeden we onze jongeren en nieuwe leden werkelijk dusdanig dat ze steun vinden als er zich spanningen in hun leven voordoen? Of geven we ze een soort theologisch luchtig gebakje ­ zonder geestelijke calorieën? President John Taylor heeft zulk onderwijs eens 'gebakken schuim' genoemd, iets wat je de hele dag kunt eten en dat uiteindelijk helemaal niet bevredigt.18 President Boyd K. Packer heeft een paar jaar geleden tijdens een strenge winter opgemerkt dat een aanzienlijk aantal herten de hongerdood was gestorven terwijl hun maag vol hooi zat. In een eerlijke poging om te helpen, hadden instanties bijzaken aangedragen, terwijl er behoefte was aan hoofdzaken. Jammer genoeg hadden ze de herten gevoerd, maar niet gevoed.

Wat president J. Reuben Clark meer dan een halve eeuw geleden over onze jeugd gezegd heeft, spreekt mij aan. En wat hij over de jeugd heeft gezegd kan ook van nieuwe leden gezegd worden: '[Zij] honger[en] naar de zaken van de Geest;' zei hij, 'ze verlangen naar kennis van het evangelie, en ze willen dat zonder omwegen, onvermengd. ( . . . ) U hoeft niet achter hun rug te kruipen en godsdienst in hun oren te fluisteren; ( . . . ) u kunt die waarheden openlijk bespreken.'19

Satan is zeker niet subtiel in zijn leringen, dus waarom wij wel? Laten we zorgen, of we nu kinderen thuis lesgeven of staan voor een groep in de kerk, dat ons geloof nooit moeilijk is waar te nemen. Onthoud ­ wij behoren 'van God gekomen'-leerkrachten te zijn. Zaai nooit twijfel. Vermijd het uzelf op de voorgrond te plaatsen. Bereid uw lessen goed voor. Houd op de Schriften gebaseerde toespraken. Onderwijs in de geopenbaarde leer. Geef uw oprechte getuigenis. Bid, oefen en probeer vooruitgang te maken. Laten we in onze bestuursvergaderingen 'onderrichten en stichten' zoals in de openbaringen gezegd wordt, dat we uiteindelijk lesgeven 'van omhoog'.20 De kerk zal er wel bij varen, en u ook, want heeft Paulus niet tot de Romeinen gezegd: 'Gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet?'21

Een gedenkwaardig verslag van de kracht van zulk onderwijs vinden we in het leven van de profeet Jeremia. Die grote man voelde zich zoals de meeste leerkrachten of sprekers of functionarissen van de kerk zich voelen als ze geroepen worden ­ onervaren, incapabel, bang. 'Ach, Here Here, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.'

Maar de Heer stelde hem gerust. 'Vrees niet voor hen, want Ik ben met u ( . . . ). gij dan, gord uw lendenen, maak u op en spreek tot hen.'22

Dus Jeremia sprak ze toe, maar aanvankelijk zonder veel succes. Het ging van kwaad tot erger totdat hij uiteindelijk gevangen werd genomen en tot mikpunt van spot voor het volk werd. Boos dat hij zo mishandeld en belasterd was, zwoer Jeremia in feite dat hij nooit meer les zou geven, niet aan een onderzoeker, niet in het jeugdwerk, niet aan een bekeerling, en niet, de hemel verhoede het, aan vijftienjarigen. 'Ik wil aan Hem niet denken en in zijn naam niet meer spreken', zei de ontmoedigde profeet. Maar toen kwam er een ommekeer in Jeremia's leven. Er was iets gebeurd bij elk getuigenis dat hij had gegeven, elke tekst die hij had voorgelezen, elke waarheid waarin hij had onderwezen. Er was iets gebeurd waarop hij niet gerekend had. Zelfs toen hij zwoer dat hij zijn mond zou houden en het werk van de Heer in de steek zou laten, merkte hij dat hij dat niet kon. Waarom niet? Omdat '[zijn woord] in mijn hart [werd] als brandend vuur, opgesloten in mijn gebeente; wel matte ik mij af om het in te houden, maar ik kon het niet.'23

Dat is wat er in het evangelie gebeurt met zowel de leerkracht als de leerling. Dat gebeurde er met Nephi en Lehi, wat we in het boek Helaman kunnen lezen: 'de Heilige Geest Gods daalde uit de hemel in hun hart neder, en zij werden als het ware met vuur vervuld en konden wonderbare woorden spreken.'24 Dat moet wel het soort hemelse vreugde zijn geweest dat Maria van Magdala voelde toen ze onverwacht haar geliefde, herrezen Heer aanschouwde en eenvoudig zei: 'Rabboeni, dat wil [letterlijk] zeggen: Meester.'25

Namens allen die onderwijs hebben genoten tot allen onder u die lesgeven ­ zeggen wij uit de grond van ons hart: dank u. Mogen wij opnieuw de aandacht vestigen op het belang van het onderwijs thuis en in de kerk, en ons meer inspannen om op te bouwen en te instrueren. Mogen wij in al onze bijeenkomsten en al onze boodschappen voeden met het goede woord van God. En mogen onze kinderen en onze bekeerlingen, onze buren en vrienden over onze eerlijke pogingen zeggen: 'Gij [zijt] van God gekomen.' In de heilige naam van de Meester Leraar, Jezus Christus. Amen.

NOTEN

1. Johannes 3:2.
2. Moroni 6:4.
3. Onderwijzen ­ geen grotere roeping. Hulpboek voor de leerkracht, 1996. Zie Spencer W. Kimball, 'No Greater Call', Conferentie voor de zondagsschool, 1 oktober 1967.
4. 1 Korintiërs 12:28
5. Leer en Verbonden 20:59
6. David O. McKay, Conference Report, oktober 1916.
7. Zie Handelingen 8:26­31.
8. Romeinen 10:13, 14, 17, cursivering toegevoegd.
9. Teachings of Spencer W. Kimball, blz. 524, cursivering toegevoegd.
10. Gordon B. Hinckley, 1979, cursivering toegevoegd.
11. Matteüs 28:19­20.
12. Johannes 21:15­21.
13. LV 50:14, 17­18.
14. LV 42:14
15. Exodus 33:15.
16. Alma 8:15; 26:27.
17. Alma 31:5.
18. John Taylor, The Gospel Kingdom, blz. 78.
19. 'De koers die de kerk voor het onderwijs heeft uitgezet', blz. 3, 9.
20. LV 43:8, 16.
21. Romeinen 2:21.
22. Jeremia 1:6, 8, 17.
23. Zie Jeremia 20:7­9.
24. Helaman 5:45.
25. Johannes 20:16.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy