Zuster Margaret D. Nadauld
Algemeen presidente jongevrouwen
Wij willen tot Christus komen omdat wij alleen in Hem en door Hem bij onze Vader terug kunnen keren.
Altijd, en vooral in deze paastijd, verheugen we ons in de meest betekenisvolle uitnodiging die ooit naar de mensheid is uitgegaan. Dat is de uitnodiging om tot Christus te komen. En die uitnodiging betreft ons allen. De Schriften zijn doordrenkt van die geweldige uitnodiging en een mooie samenvatting ervan vinden we in de lofzang:
'O, komt tot Jezus, uit alle volk'ren,
uit alle landen, ver of nabij.
Tot de voornamen en de geringen
klinkt 's Heren stem: Komt tot Mij.'
('O, komt tot Jezus', lofzang 85.)
Die grootmoedige uitnodiging geeft Hij ons gewoon omdat Hij van ons houdt en omdat Hij weet dat wij Hem nodig hebben. Hij kan ons helpen en genezen. Hij begrijpt ons op grond van zijn eigen ervaringen: 'Hij zal uitgaan en pijnen en smarten en allerlei verzoekingen doorstaan; ( . . . ) opdat Hij ( . . . ) zal kunnen weten, hoe zijn volk hulp te verlenen volgens hun krankheden' (Alma 7:1112). Wij willen tot Christus komen omdat wij alleen in Hem en door Hem bij onze Vader terug kunnen keren.
Vele jaren geleden heeft zich iets eenvoudigs voorgedaan wat ik nooit vergeten ben omdat het me deed denken aan de zending van de Heiland. Hoewel het slechts een kinderlijk incident was, had het toch wel iets te betekenen. Het gebeurde toen onze tweeling pas een jaar of vijf was. Ze leerden nog maar net fietsen. Toen ik uit het raam over de straat uitkeek, zag ik ze daar heel snel fietsen! Misschien gingen ze wel een beetje te hard voor hun doen, want plotseling maakte Adam een verschrikkelijke duikeling. Hij zat bekneld in wat er van zijn fiets over was en ik zag alleen maar een warboel van verwrongen metaal, banden, armen en benen. Zijn tweelingbroertje Aaron zag het allemaal gebeuren en sprong onmiddellijk van zijn fiets, gooide die neer en schoot zijn broer, van wie hij zoveel hield, te hulp. Die tweeling was echt één van hart. Als de één pijn had, had de ander het ook. Als de één gekieteld werd, lachten ze allebei. Als de één een zin begon, kon de ander die afmaken. Wat de één voelde, voelde de ander ook. Daarom deed het Aaron pijn om Adam die duikeling te zien maken! Het was niet best met Adam. Zijn knieën waren ontveld, hij bloedde uit een hoofdwond, zijn trots was gekrenkt, en hij huilde. Zo zachtaardig als een vijfjarige maar kon, haalde Aaron zijn broer uit de warboel, controleerde de wonden, en toen deed hij zoiets liefs! Hij tilde zijn broer op en droeg hem naar huis. Probeerde dat althans. Het was niet gemakkelijk omdat ze even groot waren, maar hij probeerde het. En zo, zijn broer moeizaam half dragend en half slepend, kwamen ze tenslotte bij de voordeur. Tegen die tijd huilde niet Adam, die gewond was, maar Aaron, zijn redder. Op de vraag: 'Waarom huil je, Aaron?' antwoordde hij eenvoudig: 'Omdat Adam pijn heeft.' En daarom had hij hem thuis gebracht, waar iemand zou weten wat er gedaan moest worden, waar iemand de wonden zou schoonmaken, verbinden en genezen thuis, waar hij met liefde omringd zou worden.
Zoals de ene helft van de tweeling zijn broer in nood hielp, zo kunnen wij allemaal opgetild, geholpen en soms zelfs gedragen worden door onze beminde Heiland, de Heer Jezus Christus. Hij voelt wat wij voelen. Hij kent ons hart. Zijn zending was het om onze tranen weg te wissen en ons te zegenen met zijn genezende macht. Hij kan ons met de kracht van zijn weergaloze liefde naar huis dragen, naar onze hemelse Vader.
Het doet de Heer zeker goed als wij, zijn kinderen, elkaar onderweg de helpende hand reiken en elkaar nader tot Christus brengen. Hij heeft gezegd: 'In zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan' (Matteüs 25:40). Hij wil dat wij treuren 'met de treurenden, ( . . . ) troosten, die vertroosting nodig hebben' (Mosiah 18:9), en 'elkander door de liefde [dienen]' (Galaten 5:13).
Susan Evans McCloud heeft het zo goed onder woorden gebracht:
Heiland, leer mij U te dienen op het pad dat U ons wees;
tijd te nemen voor een ander, hulp te bieden zonder vrees.
Ben ik niet mijn broeders hoeder?
Laat mijn oog opmerkzaam zijn.
Geef mij olie voor zijn wonden, 't woord van troost voor zielepijn.
Heiland, leer mij liefde geven, net zoals U mij die geeft.
Laat mij uw discipel wezen waarin steeds uw voorbeeld leeft.
('U wil ik volgen, Heer', lofzang 153.)
Broeders en zusters, die regels geven uitdrukking aan de nederige verlangens van mijn hart, nu ik met vreugde begin aan een opdracht van mijn hemelse Vader om met de jongevrouwen van zijn kerk op weg te gaan. Ik bid voortdurend dat ik als zijn gewillige dienares kracht en een baken zal vinden in de Heer.
Het behoort tot de zending van de jongevrouwen, en het is ons grootste verlangen, om de jongevrouwen een geestelijke groei te laten doormaken en hun ouders bij te staan bij hun voorbereiding om tot Christus te komen. Velen zijn al goed op weg. Toen we een aantal jongevrouwen bijvoorbeeld vroegen wat ze fijn vonden in de avondmaalsdienst, zei er een: 'Het avondmaal, omdat het me aan Jezus doet denken en wat Hij voor mij gedaan heeft.' Iemand anders zei: 'Ik kom er nooit met een leeg gevoel vandaan, en ik vind het fijn om van het avondmaal te nemen.' Op de vraag hoe vaak ze baden, zeiden er veel: ''s Morgens en 's avonds.' Ze bidden voor een proefwerk. Ze bidden als ze met verleiding geconfronteerd worden. Ze lezen de Schriften. We merken dat deze jongevrouwen niet alleen zichzelf voorbereiden, maar ook andere mensen tot zegen zijn. Ik wil u een brief voorlezen van iemand die dankbaar is voor de liefdevolle hulp die hij van ze heeft ontvangen. Hij schrijft:
'De jongevrouwen [van mijn wijk] hebben letterlijk mijn leven gered. Ik was nog jong, net 29, bisschop, vader van vier prachtige meisjes waarvan er één nog een baby was, toen onze hemelse Vader mijn vrouw tot Zich riep. Met elk van onze meisjes had ik een gesprek waarin ik vroeg welke invloed deze verandering op ze zou hebben. Emily van vier had veel zorgen, bijvoorbeeld: 'Wie kamt er nu mijn haar en wie doet er nu een strik en clipjes in als we naar de kerk gaan?' Dat was een goede vraag. Wie? Voor mij was het belangrijk dat het leven voor ons allemaal zo "normaal" mogelijk moest zijn wat inhield dat ik me een heel nieuwe manier van leven moest aanmeten. Ik was hun vader, en ik zou hun enige ouder zijn. Ik besefte dat ik niet uitgerust was met de nodige moederlijke bekwaamheden. Ik deed een beroep op de jongevrouwen van de wijk om me te leren hoe ik tenminste het haar van mijn kinderen kon verzorgen. Ze kwamen daarvoor talloze keren bij me thuis. Ze lieten me zelfs zien hoe ik zonder al te veel moeilijkheden het haar van mijn dochtertje van een half jaar kon wassen. Tegen de tijd dat ik aan mijn "examen" toe was, kon ik het haar van mijn dochters leuk (maar eenvoudig) opmaken. Nog veel meer dan die vaardigheid hebben die jongevrouwen mij gegeven zelfvertrouwen als vader van mijn dochters, dat ik van ze kon houden, voor ze kon zorgen, er voor ze kon zijn, ongeacht hoe de rest van mijn leven eruit zou zien.' Dank u, broeder Michael Marston, voor uw lieve brief.
Ik bid dat de ouders van die dierbare jongevrouwen altijd dankbaar zullen zijn voor hun rentmeesterschap om hun dochters met liefde te leiden. Mogen de leidsters van die jongevrouwen begrijpen dat hun opdracht van eeuwig belang is. En moge elke jongevrouw begrijpen hoe gezegend ze is dat ze een dochter is van haar hemelse Vader, die heel veel van haar houdt en wil dat het haar goed gaat!
Mag ik vandaag ten slotte mijn dankbaarheid uiten. Vóór alles dankbaarheid voor mijn jeugd thuis, waar altijd de liefde heerste waar Christus over sprak; dankbaarheid voor het voorrecht dat ik aan de zijde van Stephen, mijn echtgenoot, mag staan, waar ik altijd gezegend, voorbereid en gesteund ben; en dankbaarheid voor onze dierbare kinderen die ons met hun niet aflatende, liedevolle steun inspireren, veel vreugde geven en ons vaak de weg wijzen.
Ik geef u mijn getuigenis dat we, naarmate we ingaan op de uitnodiging om tot Christus te komen, zullen merken dat Hij alle wonden kan genezen. Hij kan onze lasten lichter maken en ze voor ons dragen, en we kunnen voelen dat we 'voor eeuwig in de armen Zijner liefde omsloten [zijn]' (2 Nephi 1:15). In de naam van Jezus Christus. Amen.