The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast General Conference Archives
Conferences
April 1998
Getuigenis

Getuigenis

President Gordon B. Hinckley

Dat wat we een getuigenis noemen, is de grote kracht van de kerk. Het is de bron van geloof en activiteit. Het is moeilijk te meten. Het is moeilijk uit te leggen. En toch is het net zo reëel en machtig als elke andere kracht op aarde.

President Gordon B. Hinckley

Mijn beste vrienden, ik bid om de leiding van de Heilige Geest. Het is nu drie jaar geleden dat u mij steun verleende als president van de kerk. Mag ik even iets persoonlijks zeggen? Ik dank u uit de grond van mijn hart voor uw liefde en steun, voor uw gebeden en geloof. Ik ben geen jongeman vol energie en vitaliteit meer. Ik ben een oude man die probeert broeder Haight in te halen! Ik wijd mij aan meditatie en gebed. Ik zou het prettig vinden in een schommelstoel te zitten, medicijnen te slikken, naar rustige muziek te luisteren en de zaken van het heelal te overdenken. Maar dergelijke activiteiten houden geen enkele uitdaging in en leveren niets op.

Ik ben graag actief bezig. Ik wil elke nieuwe dag beginnen met een vast voornemen en doel. Ik wil elk uur dat ik wakker ben besteden aan aanmoediging, het zegenen van hen die een zware last dragen, het opbouwen van geloof en getuigenis. Door de goedheid van een genereuze vriend ben ik de afgelopen drie jaar in staat geweest de hele aarde te bereizen, en heb ik onze mensen in vele landen bezocht. Ze zijn met duizenden en tienduizenden bijeengekomen. In één plaats waren ze met tweehonderd bussen naar het stadion gekomen.

Ik heb mij in het gezelschap bevonden van de welgestelden, maar veel meer onder de armen ­ de armen van de aarde en de armen van de kerk. Bij sommigen staan de oogleden wat anders dan de mijne en heeft de huid een andere kleur, maar dat verdwijnt en is totaal niet meer van belang als ik mij onder hen bevind. Zij worden allen de zoons en dochters van onze Vader, kinderen met een goddelijk geboorterecht. We spreken verschillende talen, maar we begrijpen allen de gemeenschappelijke taal van broederschap.

Dat verre reizen is vermoeiend. En het is moeilijk om ze te verlaten na bij ze te zijn geweest. Overal waar we heengaan, leggen we slechts een kort bezoek af, een vergadering die zo is gepland dat hij past in een schema met andere vergaderingen. Ik zou willen dat we langer konden blijven. Aan het eind van de vergadering zingen we spontaan 'God zij met u tot w'u wederzien' (lofzang 105). Er verschijnen zakdoeken om tranen te drogen, waarna er ten afscheid mee wordt gewuifd. Het laatst hebben we elf grote bijeenkomsten gehouden in verschillende steden in Mexico, binnen een tijdsbestek van slechts zeven dagen.

Het is de aanwezigheid van geweldige mensen die de adrenaline stimuleert. Het is de liefdevolle blik in hun ogen die mij energie geeft.

Ik zou de hele dag in mijn kantoor kunnen doorbrengen, jaar in jaar uit, en mij met bergen problemen bezighouden, waarvan vele echter onbeduidend zijn. Ik breng daar sowieso veel tijd door. Maar ik voel dat ik een grotere opdracht heb, een hogere plicht om mij onder de mensen te begeven. Die duizenden, honderdduizenden, ja zelfs miljoenen nu, hebben allen één ding gemeen. Zij hebben een individueel en persoonlijk getuigenis dat dit het werk van de Almachtige is, van onze hemelse Vader; dat Jezus, de Heer, die op Golgota aan het kruis gestorven is en herrezen is, leeft, en dat hij een afzonderlijke, reële en individuele persoonlijkheid is; dat dit hun werk is, dat hersteld is in deze laatste, geweldige bedeling des tijds; dat het priesterschap uit oude tijden hersteld is met al zijn sleutels en machten; dat het Boek van Mormon uit het stof gesproken heeft tot getuigenis van de Verlosser van de wereld.

Dat wat we een getuigenis noemen, is de grote kracht van de kerk. Het is de bron van geloof en activiteit. Het is moeilijk te meten. Het is moeilijk uit te leggen. Het is een ongrijpbaar, mysterieus ding, en toch is het net zo reëel en machtig als elke andere kracht op aarde. De Heer heeft het beschreven toen Hij tegen Nicodemus zei: 'De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is' (Johannes 3:8). Dat wat wij een getuigenis noemen, is moeilijk te definiëren, maar zijn vruchten zijn duidelijk zichtbaar. Het is de Heilige Geest die door ons getuigt.

Een eigen getuigenis is de factor die de mens een ommekeer in het leven laat maken bij zijn toetreding tot deze kerk. Het is het element dat de leden motiveert om alles te verzaken in de dienst van de Heer. Dat is de stille, aanmoedigende stem die onophoudelijk hen steunt die in geloof wandelen tot het eind van hun leven.

Het is iets mysterieus en geweldigs, een gave van God aan de mens. Het schuift rijkdom of armoe opzij wanneer men geroepen wordt om te dienen. Dat getuigenis dat de mensen in hun hart dragen, motiveert hen tot het uitvoeren van een plicht die ze niet kunnen negeren. Het is te vinden bij jong en oud. Het is te vinden in de seminarieleerling, de zendeling, de bisschop en de ringpresident, in de zendingspresident, de ZHV-zuster en in elke algemeen autoriteit. Het wordt gehoord van hen die geen enkele andere functie hebben dan hun lidmaatschap in de kerk. Het is de essentie van dit werk. Het is dat wat het werk van de Heer over de hele wereld voortstuwt. Het zet aan tot handelen. Het eist van ons dat wij doen wat ons gevraagd wordt. Het brengt de verzekering met zich mee dat het leven een doel heeft, dat sommige zaken belangrijker zijn dan andere, dat wij een eeuwige reis maken, dat wij rekenschap moeten afleggen tegenover God.

Emily Dickinson heeft een element ervan als volgt beschreven:

Ik heb nooit de hei voor ogen gehad
Noch de zee, maar ondanks dat
Ken ik toch de aanblik van de hei
En weet ik wat een golf moet zijn.
Ik heb nooit gesproken met God, de Heer,
Noch heb ik Hem bezocht in hemelse sfeer.
Toch ben ik er zeker van waar die bestaat,
Alsof ik hem kon vinden op een kaart.

(Naar 'Chartless', in A Treasury of the Familiar, gered. door Ralph L. Woods [1942], blz. 179.)

Het is dát element, al is het aanvankelijk enigszins zwak, wat elke onderzoeker in de richting van zijn bekering stuurt. Het stuwt elke bekeerling naar een gevoel van veiligheid in zijn geloof. Dit is hetgeen wat onze voorouders ertoe bewoog Engeland en andere landen in Europa te verlaten, de zee met al zijn gevaren over te steken, schijnbaar eindeloos langs voortploeterende trekdieren of handkarren te lopen in de richting van deze westelijke bergen. Zij worstelden, zij werkten, zij stierven met duizenden op die noodlottige reis. Die geest van getuigenis is tot ons gekomen, tot ons die erfgenaam zijn van hun dierbaar geloof.

Waar de kerk ook wordt gesticht, wordt haar macht gevoeld. Wij staan op en zeggen wat wij weten. Wij zeggen het tot het bijna monotoon wordt. Wij zeggen het omdat we niet weten wat we anders moeten zeggen. Maar het feit is dat wij echt weten dat God leeft, dat Jezus de Christus is, en dat dit hun werk en hun koninkrijk is. De woorden zijn eenvoudig, de uiting komt uit het hart. Het is overal werkzaam waar de kerk georganiseerd is, waar er zendelingen zijn die het evangelie verkondigen, waar er leden zijn die anderen over hun geloof vertellen.

Het is niet te verloochenen. Tegenstanders kunnen eindeloos schriftteksten aanhalen en leerstellingen beargumenteren. Ze kunnen slim en overtuigend zijn. Maar iemand die zegt 'Ik weet het', daar is geen argument tegen. Misschien is er geen aanvaarding, maar wie kan de zachte stem verloochenen of ontkennen die in de ziel met persoonlijke overtuiging spreekt?

Ik wil u een verhaal vertellen dat ik onlangs in Mexico hoorde. In Torréon werd ik rondgereden in de mooie auto van de man waar ik het over heb. Zijn naam is David Castañeda.

Dertig jaar geleden woonde hij met zijn vrouw, Tomasa, en hun kinderen op een droog stuk land met een vervallen boerderij vlakbij Torréon. Ze bezaten dertig kippen, twee varkens en een mager paard. De kippen leverden wat eieren op om in hun onderhoud te voorzien en wat extra pesos te verdienen. Ze waren arm. En toen werden ze bezocht door de zendelingen. Zuster Castañeda zei: 'De zendelingen deden ons de oogkleppen af en brachten licht in ons leven. Wij wisten niets van Jezus Christus. Wij wisten niets van God totdat zij kwamen.'

Zij had twee jaar schoolopleiding gehad en haar man geen. De zendelingen gaven hun les tot ze zich uiteindelijk lieten dopen. Ze verhuisden naar het plaatsje Bermejillo. Ze kwamen gelukkig terecht in de sloophandel en kochten autowrakken op. Ze gingen zaken doen met verzekeringsmaatschappijen en andere ondernemingen. Geleidelijk bouwden ze een bloeiende zaak op waarin de vader en zijn vijf zoons werkten. Met een eenvoudig geloof, betaalden ze tiende. Ze stelden hun vertrouwen in de Heer. Ze leefden het evangelie na. Ze waren werkzaam in de kerk als ze daartoe geroepen werden. Vier zoons en drie dochters vervulden een zending. De jongste zoon is momenteel op zending in Oaxaca. Ze hebben nu een bijzonder goed lopende onderneming en ze zijn welvarend geworden. Ze zijn bespot door hun critici. Maar hun antwoord is een getuigenis van de macht van de Heer in hun leven.

Zo'n tweehonderd familieleden en vrienden zijn als gevolg van hun invloed lid van de kerk geworden. Meer dan dertig zoons en dochters van familie en vrienden zijn op zending geweest. Ze hebben bovendien het land geschonken waarop nu een kerkgebouw staat.

De kinderen, die nu volwassen zijn, en hun ouders gaan maandelijks om de beurt naar Mexico-Stad om daar tempelwerk te doen. Zij zijn een levend getuigenis van de grote macht van dit werk van de Heer om de mensen te verheffen en te veranderen. Zij zijn kenmerkend voor duizenden en duizenden mensen over de hele wereld die het wonder van het mormonisme ervaren wanneer zij een getuigenis van de goddelijke aard van dit werk krijgen.

Dit getuigenis kan de dierbaarste van alle gaven Gods zijn. Het is een hemelse gift die volgt op de juiste inzet. Het is de kans, de verantwoordelijkheid van elke man en vrouw in deze kerk om in zichzelf een overtuiging te verkrijgen van de waarheid van dit geweldige werk van deze laatste dagen, en van Hen die aan het hoofd ervan staan, de levende God en de Heer Jezus Christus.

Jezus wees ons de weg naar het verkrijgen van zo'n getuigenis toen Hij zei: 'Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek' (Johannes 7:16­17).

Wij groeien in geloof en kennis naarmate wij dienen, studeren en bidden.

Toen Jezus de schare van vijfduizend spijzigde, erkenden zij het wonder dat Hij had verricht, en verwonderden zich erover. Sommigen kwamen terug. Hun leerde Hij de leer van zijn goddelijke aard, van het feit dat Hij het Brood des levens was. Hij beschuldigde hen ervan niet geïnteresseerd te zijn in de leer, maar slechts in het stillen van hun lichamelijke honger. Sommigen zeiden bij het horen van Hem en zijn leer: 'Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren?' (Johannes 6:60.) Wie kan geloven wat die man leert?

'Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede.

'Jezus zeide dan tot de twaalven [ik denk met enig gevoel van ontmoediging]: Gij wilt toch ook niet weggaan?

'Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God.' (Johannes 6:66­69 [zie ook Matteüs 16:16].)

Dit is de grote vraag, en wij moeten allen het antwoord onder ogen zien. 'Zo niet tot U, Heer, tot wie moeten wij dan gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven, en wij geloven en zijn er zeker van dat Gij Christus bent, de Zoon van de levende God.'

Het is die overtuiging, die innerlijke zekerheid van de realiteit van de levende God, van de goddelijke aard van zijn geliefde Zoon, van de herstelling van hun werk in deze tijd en van de heerlijke manifestaties die erop gevolgd zijn, die voor ieder van ons het fundament van ons geloof worden. Zij worden ons getuigenis.

Zoals ik tijdens deze conferentie al eerder heb gezegd, was ik onlangs in Palmyra (New York). Van de gebeurtenissen die in die omgeving plaats hebben gevonden, kan men alleen maar zeggen: 'Het is gebeurd, of niet. Er kan geen grijs zijn, geen tussenweg.'

En dan fluistert de stem van het geloof: 'Het is allemaal echt gebeurd. Het is precies gebeurd zoals hij zei dat het gebeurd is.'

Daar dichtbij ligt de heuvel Cumorah. Daar kwam het oude verslag vandaan waaruit het Boek van Mormon vertaald is. Men moet zijn goddelijke oorsprong aanvaarden of verwerpen. Het afwegen van het bewijsmateriaal moet ieder mens dat het in geloof gelezen heeft, brengen tot de uitspraak: 'Het is waar.'

En zo is het ook met andere elementen van dit wonderbaarlijke dat wij de herstelling van het evangelie, het priesterschap en de kerk vanouds noemen.

Dit getuigenis is nu hetzelfde als het altijd is geweest: een verklaring, een rechtstreekse bewering van de waarheid zoals wij die kennen. Eenvoudig en krachtig is de verklaring van Joseph Smith en Sidney Rigdon aangaande de Heer die aan het hoofd van dit werk staat:

'En nu, na de vele getuigenissen, die van Hem zijn gegeven, is dit het getuigenis, het allerlaatste, dat wij van Hem geven: Dat Hij leeft!

'Want wij zagen Hem, namelijk ter rechterhand Gods; en wij hoorden de stem, die getuigenis gaf, dat Hij de Eniggeborene des Vaders is

'Dat door Hem, en in Hem, en uit Hem de werelden worden en werden geschapen, en dat de bewoners er van Gode gewonnen zonen en dochteren zijn' (LV 76:22­24).

In die geest voeg ik er mijn eigen getuigenis aan toe. Onze eeuwige Vader leeft. Hij is de grote God van het heelal, Hij heerst in majesteit en macht. En toch is Hij mijn Vader, tot wie ik in gebed kan gaan met de verzekering dat Hij zal horen, luisteren en antwoorden.

Jezus is de Christus, zijn onsterfelijke Zoon, die onder zijn Vaders leiding de Schepper van de aarde was. Hij was de grote Jehova van het Oude Testament, die erin toestemde om in de wereld te komen als de Messias, die in zijn wonderbaarlijke verzoening zijn leven gaf aan het kruis op Golgota, omdat Hij ons liefhad. Het werk waarmee wij bezig zijn, is hun werk, en wij zijn hun dienstknechten, die Hem verantwoording schuldig zijn. Daarvan getuig ik, in de heilige naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy