Bisschop Richard C. Edgley
Eerste raadgever in de Presiderende Bisschap
Waar het om gaat is niet hoe anderen ons kenschetsen, maar hoe de Heiland ons kenschetst.
Enkele jaren geleden werkte ik in de zakenwereld en op een dag kwam onze personeelschef, een toegewijd katholiek, met zijn secretaresse, Darlene, mijn kantoor binnen. Ik zag direct dat het bij Darlene niet van harte ging, dat ze liever ergens anders was. De personeelschef begroette me met de woorden: 'Vertel jij Darlene eens dat mormonen christenen zijn. Ik probeer het haar al meer dan een half uur duidelijk te maken, maar ik kan haar er niet van overtuigen. Ze moet het van jou horen.'
Mijn eerste zorg was: heb ik in mijn leven iets gedaan waardoor Darlene aan mijn geloof in en trouw aan de Heiland twijfelt? Maar al snel ontdekte ik dat haar twijfels niet mij persoonlijk betroffen.
Ik bood hen een stoel aan en vroeg Darlene waarom ze meende dat wij geen christenen waren. Zij antwoordde dat haar predikant haar dat verteld had. Ik vroeg of ze de officiële naam van de kerk kende. Nee, ze kende de kerk alleen als de mormoonse kerk. Ik legde uit dat zij De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen heet en vroeg of dat geen merkwaardige naam was voor een niet-christelijke kerk. Toen vroeg ik mijn katholieke vriend of hij het een en ander over ons en ons geloof met betrekking tot Christus en zijn leringen wilde uitleggen aan de hand van onze urenlange gesprekken in vliegtuigen en hotels, tijdens maaltijden en andere persoonlijke contacten. Hij legde het misschien wel met meer geloofwaardigheid uit dan ikzelf had kunnen doen.
Darlene antwoordde dat haar predikant haar had verteld dat wij niet in de Bijbel geloven en die hadden vervangen door het Boek van Mormon. Ik citeerde het achtste geloofsartikel: 'Wij geloven dat de Bijbel het woord van God is, voorzover de vertaling juist is; wij geloven ook dat het Boek van Mormon het woord van God is.'
Vervolgens legde ik uit dat het Boek van Mormon extra Schriftuur is die de Bijbel aanvult en ons nog een getuigenis van Christus verschaft. Veel zeer heilige en belangrijke leringen van Christus worden erin uiteengezet en verhelderd. Haar antwoord was: 'Mijn dominee zegt dat het Boek van Mormon geen leringen van Christus kan bevatten, omdat er na de dood van de apostelen geen openbaring meer zou zijn; dus geen Schriftuur meer na de Bijbel.' Ik vroeg haar: 'Vraag je je niet af, nu we in een tijd van allerlei snelle veranderingen in een woelige, verwarde wereld leven, waarom een liefhebbende Vader zou ophouden met zijn kinderen te communiceren? Kinderen van wie Hij zo veel hield dat Hij zijn eniggeboren Zoon voor hen offerde?' Het gesprek ging nog zo'n vijftien à twintig minuten door, waarin ik onze letterlijke interpretatie van de verzoening en de opstanding en andere belangrijke leringen van de Heiland probeerde uit te leggen. Ik gaf ten slotte zo krachtig mogelijk getuigenis van een liefhebbende Vader en een gewillige Zoon.
Aan het eind van het gesprek was haar reactie nog steeds hetzelfde: 'Mijn dominee heeft het gezegd en zo is het.' Daar bleef het bij. Ik was teleurgesteld en het hele misverstand zat me niet erg lekker.
Het is interessant dat gebrek aan begrip bij enkelen onbewust of expres velen kan misleiden. Iemands hart en geweten beoordelen moeten wij maar liever aan de rechtvaardige Rechter overlaten. De uiteindelijke beslissing wie een ware discipel van Christus is, zal zeker aan de Heiland worden overgelaten, want Hij zei: 'Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne ( . . . )' (Johannes 10:14).
Nadat hij met enkele fundamentele leerstellingen van de kerk had kennis gemaakt, belde dominee Charles Taylor, een vriend van me, op om mij te vertellen welke geweldige nieuwe inzichten in het evangelie hij had ontvangen. Opgetogen verklaarde hij: 'Als je de tijd neemt om de leringen en leerstellingen van de mormoonse kerk te bestuderen, wordt het duidelijk dat mormonen werkelijk christenen zijn. In feite heb ik nooit mensen ontmoet die zich meer als christenen gedragen dan de mormonen die ik onlangs heb leren kennen.'
Ik antwoordde dat ik graag meer zou horen over zijn gevoelens en inzichten nadat hij de kans had gehad om het Boek van Mormon te lezen en het getuigenis van dit Boek en de leringen van de Heiland had kunnen ervaren. Zijn antwoord: 'Ik ben het Boek van Mormon al aan het lezen en het is geweldig. Het heeft mijn begrip van Christus en zijn zending vergroot. Ik voel een geweldige geest als ik erin lees.'
Mijn vriend nam de tijd voor een grondig onderzoek voordat hij zich een oordeel vormde. Hij probeerde niet anderen op grond van gebrek aan begrip of op grond van misvattingen te beïnvloeden. Dat vond ik een verantwoordelijke houding begrip zoeken alvorens te oordelen en zeker alvorens een ander van zijn eigen misvattingen te overtuigen.
Tegen Darlene zou ik nogmaals willen zeggen dat Jezus Christus centraal staat in iedere leerstelling, iedere verordening en ieder beginsel van de kerk precies zoals de naam van de kerk aangeeft. Het Boek van Mormon getuigt van Jezus Christus; het benadrukt en verheldert zijn leringen. Een profeet uit het Boek van Mormon, Nephi, verklaarde aan de wereld: 'En wij spreken van Christus, wij verheugen ons in Christus, wij prediken Christus, wij profeteren van Christus, en wij schrijven volgens onze profetieën, opdat onze kinderen mogen weten uit welke Bron zij vergeving hunner zonden mogen verwachten' (2 Nephi 25:26).
Nephi zei verder: '( . . . ) [er] is [ . . . ] geen andere naam onder de hemel gegeven, waardoor een mens zalig kan worden, dan deze Jezus Christus van Wie ik heb gesproken' (2 Nephi 25:20).
Door de jaren heen heb ik soms over deze ervaring met Darlene en de vervelende afloop ervan nagedacht. Niettemin ben ik tot de conclusie gekomen dat ik mij niet moet laten verontrusten door standpunten die gebaseerd zijn op misvattingen en misleidend onderricht, behalve dat ik moet proberen zulke misvattingen op te helderen. Waar het om gaat is niet hoe anderen ons kenschetsen, maar hoe de Heiland ons kenschetst. Dus de vraag is: hoe ziet Hij persoonlijk een ieder van ons?
Als leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen moeten wij daarom onze aandacht richten op onze relatie met onze hemelse Vader en Jezus Christus.
In de laatste ogenblikken van het rechtschapen en voorbeeldige leven van mijn vader, uitte hij, met alle kracht die hij nog kon verzamelen, met nauwelijks hoorbare stem de woorden: 'Ik hoop alleen maar dat de Heiland mij waardig zal achten om mij zijn vriend te noemen.' O, door de Heiland vriend genoemd te worden! Zoals mijn vader daar naar smachtte, zo vraag ik mij ook af: zou Christus mij tot zijn schapen rekenen? Zou Hij zien dat ik probeer zijn leringen en zijn goddelijke beginselen werkelijk na te leven? Zou Hij mij een discipel noemen? Zou Hij mij een vriend noemen? Daar gaat het om.
De Heiland gaf de maatstaf voor zijn vriendschap in Johannes 15, waarin Hij zegt: 'Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied' (Johannes 15:14). Voorts gaf Hij de proef op de som toen Hij zei: 'Aan hun vruchten zult gij hen kennen ( . . . )' (Matteüs 7:16; zie ook vers 1718, 20). Zo zullen wij geoordeeld worden, naar onze vruchten, goed of slecht. Bij het laatste oordeel, als onze vruchten daarvoor borg staan, zullen wij uitgenodigd worden om aan de rechterhand van God te zitten. Ik denk dat zijn vrienden daar zullen zijn.
Dus als we, in onze zwakheid en met vallen en opstaan, oprecht proberen zoals Christus te leven, is het van weinig belang hoe anderen ons willen karakteriseren. Wij zijn verantwoordelijk voor ons christelijk gedrag. Anderen mogen over ons zeggen wat ze willen; de ware en rechtvaardige Rechter zal ons oordelen zoals wij zijn. Wat voor discipelen we zijn, moeten wij bepalen, niet iemand anders.
Toen wij gedoopt werden namen wij ieder vrijwillig de naam van Christus op ons. Dat wij zijn naam op ons hebben genomen, houdt in dat wij een verbond hebben gesloten om zijn leringen te volgen. Iedere keer als wij van het avondmaal nemen, hebben wij de kans om onze verbonden te hernieuwen en ons dagelijks leven te evalueren.
Wij kunnen onszelf allemaal de standaardvragen stellen: bidden wij dagelijks, persoonlijk en als gezin? Lezen wij de Schriften? Houden we gezinsavond en betalen we tiende? We kunnen nog veel meer opnoemen, maar de echte vraag is: worden wij een discipel? Worden we een vriend?
Alma stelde de vraag: '( . . . ) Zijt gij geestelijk uit God geboren? Hebt gij Zijn beeld in uw gelaat ontvangen? Hebt gij deze grote verandering in uw hart ondervonden?' (Alma 5:14). Waar het allemaal om draait is de verandering van ons hart een verandering die tot wijziging van onze leefwijze leidt.
De daaropvolgende vragen van Alma werden geleidelijk steeds specifieker. Hij vroeg:
'Hebt gij zo gewandeld dat gij uzelf vlekkeloos hieldt voor God?'
'( . . . ) indien gij nu werd geroepen om te sterven, dat gij nederig genoeg zijt geweest?' ( . . . )
'Hebt gij u geheel van uw hoogmoed ontdaan?' (Alma 5:2728.)
Tegenwoordig zouden we daaraan kunnen toevoegen:
Houden wij evenveel van onze broeders als van onszelf?
Zijn we volkomen eerlijk in onze zakentransacties en in andere relaties?
Stellen wij ons gezin op de eerste plaats, vóór onze eigen belangen?
Hebben wij heden iets goeds in de wereld gedaan?
Volgen wij de aansporingen en leringen van de profeet?
Ja, de vraag is: is onze uiterlijke toewijding de weerspiegeling van een christelijk leven? Het is niet genoeg om van Christus te spreken, Christus te prediken, of zelfs van Christus te profeteren (zie 2 Nephi 25:26).
Wij moeten in Christus leven, want op grond van ons persoonlijk dagelijks leven zal de Heiland bepalen of wij één van zijn ware discipelen zijn, zijn vriend.
Voor de Darlenes van deze wereld hoop ik dat onze vruchten de term christelijk verdienen. En voor ons als leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen hoop ik dat onze daden, ons hart en ons gelaat de leringen van de Heiland uitstralen en onze dankbaarheid voor zijn grote offer voor ons allen demonstreren.
Tot hen die zich afvragen hoe Christus in onze theologie en ons persoonlijk leven past, getuigen wij dat Christus de Verlosser van de wereld is. Hij is onze Heer, ons Licht en onze Heiland. Hij werd van omhoog geordend om beneden alles neder te dalen, om boven alles te lijden! Hij is de kern van alles wat wij leren en doen. Als kerk bestaan wij uit individuele christenen die de Heiland willen bewijzen dat wij zijn discipelen zijn. Het is geen kwestie van de kerk als instituut, het is een kwestie van persoon.
Het is mijn getuigenis dat Hij heeft geleefd, dat Hij is gestorven en dat Hij leeft. Hij heeft onze zonden verzoend. Het is mijn gebed dat wij allen zo zullen leven en onze toewijding zodanig betonen dat wij door lid en niet-lid duidelijk herkenbaar zullen zijn als ware discipelen van de levende Christus. Maar belangrijker nog: ik bid dat wij zo mogen worden herkend door de ware, rechtvaardige Rechter van ons allen, de Heer Jezus Christus. Welke grotere beloning zou wie ook van ons kunnen ontvangen dan door Hem als ware, getrouwe dienstknecht te worden erkend een discipel, een vriend. In de naam van Jezus Christus. Amen.