The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Talen Hoofdmenu
Algemene conferentie
april 2001
'Waakt met Mij'

'Waakt met Mij'

Ouderling Henry B. Eyring
van het Quorum der Twaalf Apostelen

'Bij het waken over zijn schapen, zal uw liefde voor Hem toenemen. En daardoor zullen uw vertrouwen en uw moed toenemen.'

Ouderling Henry B. Eyring

Ik ben dankbaar dat ik in naam van de Heer tot de herders van Israël kan spreken. Want dat zijn wij. Toen wij het priesterschap aanvaardden, namen wij de taak op ons om ons deel te doen van het waken over de kerk. Ieder van ons moet daar rekenschap over afleggen. De president van de hele priesterschap op aarde draagt de algehele verantwoordelijkheid daarvoor. Door de sleutels van het priesterschap doet ieder quorum zijn deel. Zelfs de nieuwste diaken in de meest verafgelegen plaats op aarde draagt een deel van die grote verantwoordelijkheid om over de kerk te waken.

Luister eens naar deze woorden uit de Leer en Verbonden: 'Laat daarom eenieder zich bij zijn eigen ambt bepalen, en in zijn eigen roeping arbeiden; en laat het hoofd niet tot de voeten zeggen, dat het de voeten niet nodig heeft; want hoe zal het lichaam zonder de voeten kunnen staan?' En vervolgens neemt de Heiland zelfs de diakenen op in zijn opsomming van taken: 'de diakenen en leraars moeten worden aangesteld om over de gemeente te waken, om plaatselijke dienaren der kerk te zijn' (LV 84:109, 111).

Ik bid dat ik onze heilige opdracht zo goed mag uitleggen dat zelfs de nieuwste diaken en de meest recent geordende bekeerling zal inzien wat hij kan doen. Op veel plekken in de Schriften heeft de Heer zichzelf en hen die Hij tot het priesterschap roept, herders genoemd. Een herder waakt over zijn schapen. In de verhalen in de Schriften verkeren de schapen in gevaar; zij hebben bescherming en voeding nodig. De Heiland waarschuwt ons dat wij net zo over zijn schapen moeten waken als Hij. Hij heeft zijn leven voor hen gegeven. Zij behoren Hem toe. Wij kunnen zijn norm niet halen als wij, net als een huurling, alleen maar waken als dat zo uitkomt, en uitsluitend voor een beloning. Dit is zijn norm:

'Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht -- en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen' (Johannes 10:11–12).

De leden van de kerk zijn de schapen. Zij zijn van Hem en wij zijn door Hem geroepen om over hen te waken. Wij moeten meer doen dan hen alleen voor gevaar waarschuwen. Wij moeten hen voeden. Om hen te waarschuwen voor geestelijk gevaar en hen geestelijk te voeden, moeten wij geloof hebben en onzelfzuchtig zijn. Lang geleden heeft de Heer zijn profeet eens geboden om de herders van Israël te vermanen. Dit is die waarschuwing, die nog steeds van kracht is, met de woorden van de profeet Ezechiël:

'Het woord des Heren kwam tot mij:

Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, (. . .) en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Here Here: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?' (Ezechiël 34:1–2.)

Het voedsel dat die herders voor zichzelf hielden, terwijl zij de schapen lieten verhongeren, kon tot het heil van die schapen leiden. Een van de grote herders in het Boek van Mormon heeft beschreven wat dat voedsel is en hoe het te verschaffen is.

'En nadat zij de doop hadden ontvangen, en de macht van de Heilige Geest op hen had ingewerkt en hen had gereinigd, werden zij tot het volk der kerk van Christus gerekend; en hun namen werden ingeschreven, opdat zij bekend zouden zijn, en door het goede woord van God worden gevoed om hen op het rechte pad te houden, en hen voortdurend het gebed indachtig te doen zijn, en alleen te doen vertrouwen op de verdiensten van Christus, die de Bron en Voleinder van hun geloof was' (Moroni 6:4).

Het is pijnlijk om je voor te stellen dat een herder alleen zichzelf voedt en de schapen honger laat lijden. Toch heb ik al vaak met eigen ogen een herder gezien die zijn kudde voedde. Een van hen was president van een diakenenquorum. Een van zijn quorumleden woonde vlakbij mij. Die buurjongen had nog nooit een quorumvergadering bijgewoond of iets anders met de leden van zijn quorum gedaan. Zijn stiefvader was geen lid en zijn moeder ging niet naar de kerk.

Op een goede zondagochtend hield het presidium van zijn diakenenquorum een vergadering. Elke week voedde een fijne adviseur en leerkracht hen met het goede woord van God. In hun presidiumvergadering dachten die dertienjarige herders aan de jongen die nooit naar de kerk ging. Zij bespraken hoezeer hij nodig had wat zij al kregen. De president gaf zijn raadgever de opdracht om het afgedwaalde schaap op te zoeken.

Ik wist dat die raadgever nogal verlegen was, en ik wist hoe moeilijk zijn opdracht was, dus ik keek vol verbazing toe door mijn voorkamerraam toen die raadgever aarzelend mijn huis voorbijliep en het tuinpad insloeg van het huis waar de jongen woonde die nooit naar de kerk ging. De herder had zijn handen in zijn zakken. Hij keek naar de grond. Hij liep langzaam, zoals je zou doen als je er niet zo zeker van was dat je wel in die richting wilde lopen. Na ongeveer twintig minuten kwam hij weer teruglopen, met de verloren diaken aan zijn zijde. Dat tafereel herhaalde zich nog enkele zondagen. En toen verhuisde de jongen die verloren was en was gevonden.

Dat lijkt geen opmerkelijk verhaal. Het waren gewoon drie jongens die rond een tafeltje zaten in een kamer. En toen was het een jongen die ergens naartoe liep en terugkwam met een andere jongen. Maar jaren later bezocht ik een ringconferentie, een heel werelddeel verwijderd van de kamer waarin dat presidium vergaderd had. Een man met grijs haar kwam naar mij toe en zei zachtjes: 'Mijn kleinzoon woonde jaren geleden in uw wijk.' Vol gevoel vertelde hij me over het leven van de jongen. En toen vroeg hij of ik de diaken wist te vinden die jaren geleden zo langzaam naar dat huis gelopen was. En hij vroeg zich af of ik hem kon bedanken en hem kon vertellen dat zijn kleinzoon, die nu was opgegroeid en volwassen was, het zich nog herinnerde.

Hij herinnerde zich die paar weken dat hij was meegegaan, want toen hadden, voor zover hij wist, voor het eerst in zijn leven de herders van Israël over hem gewaakt. Hij was gewaarschuwd doordat hij de eeuwige waarheid hoorde van mensen die om hem gaven. Het brood des levens was hem aangeboden. En jonge herders hadden trouw de opdracht vervuld die de Heer hen gegeven had.

Het is niet makkelijk te leren om dat goed en voortdurend te doen. De Heiland heeft ons laten zien hoe het moet en hoe we het anderen kunnen leren. Hij heeft zijn kerk gevestigd. Hij heeft apostelen geordend. Hij moest zijn kerk achterlaten in handen van onervaren dienstknechten, net zo onervaren als velen van ons zijn. Hij wist dat ze met moeilijkheden te maken zouden krijgen die ze met hun eigen menselijke macht niet konden oplossen. Wat Hij voor hen heeft gedaan, kan een leidraad zijn voor ons.

Toen de Heiland naar de Hof van Getsemane ging om daar bitter lijden te doorstaan vóór zijn verraad en zijn lijden aan het kruis, had Hij daar alleen heen kunnen gaan. Maar Hij nam zijn dienstknechten van de priesterschap mee. Dit staat erover in Matteüs: 'Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij' (Matteüs 26:38; cursivering toegevoegd).

De Heiland bad zijn Vader om kracht. Te midden van zijn kwelling ging Hij terug naar Petrus om hem te leren wat er verwacht wordt van allen die met Hem willen waken:

'En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met Mij te waken?

'Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak' (Matteüs 26:40–41).

Er schuilt zowel een geruststelling als een waarschuwing in dat eenvoudige gesprekje dat de Meester met zijn herders had. Hij waakt met ons. Hij, die alles ziet, die eindeloze liefde heeft, en die nooit slaapt, waakt met ons. Hij weet wat de schapen op elk moment nodig hebben. Door de macht van de Heilige Geest kan Hij het ons vertellen en ons naar hen toesturen. En wij kunnen door het priesterschap zijn macht uitnodigen om hen tot zegen te zijn.

Maar zijn waarschuwing aan Petrus geldt ook voor ons. De wolf die de schapen wil doden, zal beslist ook uithalen naar de herder. Daarom moeten wij zowel over onszelf als over anderen waken. Wij, als herders, zullen verleid worden om ons tot op het randje van de zonde te begeven. Maar elke zonde, in welke vorm dan ook, schrikt de Heilige Geest af. U moet niets doen en nergens heen gaan waardoor u de Geest kunt afschrikken. U kunt zich dat risico niet veroorloven. Als u door zonde faalt, bent u niet alleen verantwoordelijk voor uw eigen zonden, maar ook voor het leed dat u bij anderen had kunnen voorkomen als u het waardig was geweest om de influisteringen van de Geest te horen en die had gehoorzaamd. De herder moet in staat zijn om de Geest te horen en de machten des hemels over zijn schapen af te roepen, want anders zal hij falen.

De waarschuwing die aan een profeet vanouds is gegeven, geldt ook voor ons:

'Gij nu, mensenkind, u heb ik tot wachter over het huis Israëls aangesteld. Wanneer gij een woord uit mijn mond hoort, zult gij hen uit mijn naam waarschuwen.

'Als ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven -- maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen' (Ezechiël 33:7–8).

De straf voor passiviteit is groot. Maar de Heer heeft Petrus geleerd hoe hij een fundament moest leggen voor succes. Hij herhaalde een eenvoudige boodschap drie keer. En die hield in dat de liefde voor de Heer in het hart van een ware herder zou zijn.

Het staat als volgt in de Schriften: 'Hij zeide ten derden male tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijn schapen' (Johannes 21:17).

De herders van Israël moeten liefde als motivatie hebben. Dat mag in het begin moeilijk lijken, omdat we de Heer misschien niet eens zo goed kennen. Maar als we beginnen met zelfs maar een klein beetje geloof in Hem, neemt onze liefde voor Hem toe door ons dienstbetoon aan de schapen. Dat komt door eenvoudige dingen die elke herder moet doen. We bidden voor de schapen, voor elk schaap waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Als wij vragen: 'Vertel mij alstublieft wie mij nodig heeft', dan krijgen we antwoord. Er komt ons een gezicht of een naam in gedachten. Of we hebben een toevallige ontmoeting en voelen dat het geen toeval is. Op die momenten voelen we de liefde die de Heiland voor hen en voor ons heeft. Bij het waken over zijn schapen, zal uw liefde voor Hem toenemen. En daardoor zullen uw vertrouwen en uw moed toenemen.

Nu denkt u misschien: Het is niet zo makkelijk voor mij. Ik heb zoveel mensen om over te waken. En ik heb zo weinig tijd. Maar als de Heer iemand roept, bereidt Hij hem een weg, zijn weg. Er zijn herders die dat geloven. Ik zal u over een van hen vertellen.

Twee jaar geleden werd er een man geroepen als president van zijn ouderlingenquorum. Hij was nog geen tien jaar lid van de kerk. Hij was net waardig geworden om zich in de tempel aan zijn vrouw en kinderen te laten verzegelen. Zijn vrouw was invalide. Hij had drie dochters. De oudste van dertien kookte, en deed samen met de anderen het huishouden. Van zijn magere inkomen uit de lichamelijke arbeid die hij verrichtte, werden niet alleen die vijf mensen onderhouden, maar bovendien een grootvader die ook in hun huisje woonde.

Toen hij geroepen werd als president van zijn ouderlingenquorum, had het dertien leden. En bovendien was hij verantwoordelijk voor nog eens 101 mannen die ofwel helemaal geen priesterschap droegen, of die diaken, leraar of priester waren. Hij was verantwoordelijk voor het waken over de ziel van de leden van 114 gezinnen, met weinig hoop dat hij meer dan zijn zondagen en misschien één avond door de week aan het werk kon besteden.

Omdat zijn taak zo moeilijk was, ging hij op zijn knieën en bad. Toen stond hij op en ging aan het werk. Bij zijn pogingen om kennis te maken met zijn schapen en hen te leren kennen, werden zijn gebeden verhoord op een manier die hij niet had verwacht. Hij leerde de behoeften zien van meer dan alleen wat individuele quorumleden. Hij kwam erachter dat de Heer wilde dat hij gezinnen opbouwde. En zelfs met zijn bescheiden ervaring wist hij dat de manier om dat te doen, was om hen ertoe aan te zetten in aanmerking te komen voor het sluiten en nakomen van tempelverbonden.

Hij begon te doen wat een goede herder altijd doet, maar hij deed het anders toen hij de tempel als hun bestemming zag. Hij bad om erachter te komen wie zijn raadgevers moesten worden, wie hem terzijde moesten staan. En toen bad hij om erachter te komen welke gezinnen hem nodig hadden en erop voorbereid waren.

Hij bezocht zoveel mogelijk mensen. Sommigen kon het niet schelen en zij aanvaardden zijn vriendschap niet. Maar bij hen die dat wél deden, volgde hij een vaste procedure. Zo gauw hij interesse en vertrouwen bespeurde, nodigde hij hen uit om kennis te maken met de bisschop. Hij vroeg de bisschop vooraf: 'Vertel ze alstublieft hoe ze in aanmerking komen om naar de tempel te gaan en de zegeningen daarvan op te eisen voor henzelf en hun gezinsleden. En getuig vervolgens tot hen, zoals ik ook heb gedaan, dat het de moeite waard is.'

Enkelen namen de uitnodiging van de quorumpresident aan om een cursus voorbereiding op de tempel te volgen die gegeven werd door leidinggevenden in de ring. Niet iedereen maakte de cursus af, en niet iedereen kwam ervoor in aanmerking om naar de tempel te gaan. Maar er werd voor elk gezin en elke vader gebeden. De meesten werden ten minste één keer uitgenodigd om zich te vergasten aan het goede woord van God. En elke uitnodiging werd vergezeld van het getuigenis van de president van de zegeningen die gezinsleden krijgen door zich voor eeuwig aan elkaar te laten verzegelen, en het verdriet dat ze krijgen als ze van elkaar gescheiden worden. Elke uitnodiging werd verstrekt met de liefde van de Heiland.

In de tijd dat hij als quorumpresident werkzaam was, zijn er twaalf van de mannen die hij onderwezen heeft tot ouderling geordend. Vier van zijn ouderlingen zijn in die periode hogepriester geworden. Maar die cijfers geven zelfs bij benadering niet aan welk een wonder er tot stand is gebracht. De families van die mannen zullen nog generaties lang zegeningen ontvangen. Vaders en moeders zijn nu aan elkaar verzegeld en aan hun kinderen. Ze bidden voor hun kinderen, ontvangen hemelse hulp, en onderrichten in het evangelie met de liefde en de inspiratie die de Heer getrouwe ouders geeft.

Die president en zijn raadgevers zijn ware herders geworden. Ze hebben samen met de Meester over de kudde gewaakt en ze zijn Hem gaan liefhebben. Ze zijn ooggetuigen van de waarheid die de Heiland een apostel, Thomas B. Marsh, leerde. Die waarheid geldt voor allen die samen met de Heer over zijn schapen waken:

'Ga, waarheen Ik ook wil, en het zal u door de Trooster worden ingegeven wat te doen en waarheen te gaan.

'Bid steeds, opdat gij niet in verleiding komt en uw loon verliest.

'Wees getrouw tot het einde, en zie, Ik ben met u. Deze woorden zijn niet van een mens of van mensen, maar van Mij, Jezus Christus, uw Verlosser, door de wil des Vaders. Amen' (LV 31:11–13).

Ik getuig dat God de Vader leeft en dat Hij onze gebeden beantwoordt. Ik ben een getuige dat de liefhebbende Heiland samen met zijn getrouwe herders over zijn schapen waakt.

In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy