SYDNEY S. REYNOLDS
Eerste raadgeefster in het algemeen jeugdwerkpresidium
De Heer weet wie we zijn en waar we zijn, en Hij weet wie onze hulp nodig
heeft.
Joseph Smith moet toen hij veertien was, wel een van de minst opvallende
mensen op aarde geweest zijn, en toch kende de God des hemels hem en noemde
hem in het heilige bos bij naam. Ik denk dat de Heer ook mijn en uw naam
kent.
In het jeugdwerk leren we de kinderen dat zij elk een kind van God zijn
en dat onze hemelse Vader hen kent en liefheeft. Jeugdwerkleidsters en priesterschapsleiders
zijn, als zij een kind bij zijn of haar naam noemen, een voorbeeld van wat
de Heiland zou doen. Jezus heeft gezegd: 'Ik ben de goede herder en Ik ken
de mijne en de mijne kennen Mij.'1 De Schriften getuigen: 'Hij
roept zijn schapen bij name en voert ze naar buiten.'2
De Heer weet niet alleen wie we zijn, Hij weet waar we zijn, en Hij laat
ons doen wat goed is. Eens kreeg een moeder die ik ken, de ingeving om haar
dochter te bellen. (Dat soort dingen overkomt moeders altijd.) Het was midden
op de dag, mama was op haar werk en daarom was het een ongewoon telefoontje.
Tot haar verbazing nam haar schoonzoon de telefoon op — meestal is
hij op werkdagen ook niet thuis. Hij gaf de telefoon aan zijn vrouw en zei:
'Het is je moeder met haar gebruikelijke inspiratie.'
Ze waren net bij de dokter geweest. Ze nam bijna huilend de telefoon over
en zei: 'Uit de echo blijkt dat de navelstreng met een dubbele lus om de
nek van de baby zit. De dokter zegt dat een keizersnede de enige keuze is,
en wel zo snel mogelijk.' Toen kwam de werkelijke oorzaak van het verdriet
eruit: 'En hij zegt dat ik vier weken lang niets mag tillen wat zwaarder
is dan de baby!' Vóór de operatie had ze behoefte aan de zekerheid
dat de Heer haar nood kende en van haar hield — en dat er thuis gepast
zou worden op de drie kleintjes die zelf nog bijna baby's waren. Als moeders — en
vaders — bidden dat de Heer hun gezin zegent en sterkt, toont Hij vaak
de weg.
Zuster Gayle Clegg van het algemeen jeugdwerkpresidium en haar man hebben
een paar jaar in Brazilië gewoond. Onlangs is ze voor het jeugdwerk
naar Japan geweest. Toen ze zondags in de kerk kwam, zag ze tussen alle Japanse
heiligen een Braziliaans gezin zitten. 'Ze zagen er gewoon Braziliaans uit',
zei ze. Ze had maar een minuut om ze te begroeten. En ze merkte dat de moeder
en de kinderen heel enthousiast waren, maar dat de vader nogal stil was.
'Na de dienst kan ik nog wel met ze praten', dacht ze terwijl ze snel op
het podium plaatsnam. Ze bracht haar boodschap in het Engels, en die werd
vertaald in het Japans, en toen kreeg ze de ingeving om haar getuigenis in
het Portugees te geven. Ze aarzelde omdat er niemand was die Portugees kon
vertalen en omdat 98 procent van de mensen haar niet verstond.
Na de dienst kwam de Braziliaanse vader naar haar toe en zei: 'Zuster, ze
hebben hier zulke andere gewoonten, en ik ben eenzaam geweest. Het is moeilijk
om naar de kerk te komen en dan niets te verstaan. Soms vraag ik me af of
het beter zou zijn om gewoon thuis in mijn Schriften te lezen. Ik zei tegen
mijn vrouw: "Ik geef het nog één kans", en ik dacht
dat ik vandaag voor het laatst kwam. Toen u uw getuigenis in het Portugees
gaf, raakte de Geest mijn hart, en wist ik dat ik hier hoorde. God weet dat
ik hier ben, en Hij zal me helpen.' En hij ging de anderen helpen met de
stoelen.
Was het toeval dat het enige Portugees sprekende lid van het jeugdwerkpresidium
naar Japan werd gestuurd in plaats van naar Portugal? Of was het omdat de
Heer wist dat iemand daar
nodig had wat alleen zij kon geven — en zij de moed had om gehoor te
geven aan een ingeving van de Geest? Een van de grote zegeningen van een
roeping in de kerk is dat de Heer ons door zijn Geest inspireert om degenen
voor wie we geroepen zijn, te helpen.
Iedereen die een volledige tiende betaalt, kan getuigen dat de Heer ons
persoonlijk zegent en voorziet in onze persoonlijke behoeften. De Heer heeft
beloofd dat Hij de vensters van de hemel zal openen als we onze tiende betalen
en ons zo overvloedig zal zegenen dat het ons bijna teveel is.3
Lang geleden overkwam John Orth die in een gieterij in Australië werkte,
een vreselijk ongeluk doordat er gesmolten lood op zijn gezicht en lichaam
spatte. Hij werd gezalfd, en met zijn rechteroog kon hij weer iets zien,
maar aan zijn linkeroog was hij volkomen blind. Omdat hij niet goed kon zien,
verloor hij zijn baan. Hij probeerde een baan te krijgen bij de familie van
zijn vrouw, maar hun zaak ging failliet ten gevolge van de depressie. Om
voedsel en de huur te betalen moest hij allerlei baantjes en klusjes aannemen.
Eén jaar betaalde hij helemaal geen tiende, en hij ging met de gemeentepresident
praten. De gemeentepresident begreep de situatie maar vroeg John om te bidden
en te vasten om een manier te vinden om zijn tiende te betalen. Met zijn
vrouw, Alice, vastte en bad John, en besloot dat hun verlovingsring — een
mooie ring die ze in gelukkiger tijden hadden gekocht — het enige waardevolle
was wat ze bezaten. Na veel verdriet besloten ze de ring naar een pandjeshuis
te brengen, en daar bleek dat hij genoeg opbracht om hun tiende en nog een
aantal rekeningen te betalen. Die zondag ging hij naar de gemeentepresident
en betaalde zijn tiende. Toen hij het kantoor verliet, kwam hij de zendingspresident
tegen, die zijn beschadigde oog zag.
Broeder Orths zoon, die nu bisschop in Adelaide is, schreef later: 'We denken
dat [de zendingspresident] oogarts was, want meestal noemde men hem president
dr. Rees. Mijn vader volgde zijn advies op (...) en op den duur herstelde
zijn gezichtsvermogen — 15 procent van zijn linkeroog en 95 procent
van zijn rechteroog — en met een bril kon hij weer goed zien.'4 Met
zijn herstelde gezichtsvermogen zat John nooit meer zonder werk, hij kocht
de ring terug die nu een erfstuk is, en betaalde de rest van zijn leven een
volledige tiende. De Heer kende John Orth en Hij wist wie hem kon helpen.
'President dr. Rees' was mijn moeders vader, en waarschijnlijk heeft hij
nooit geweten dat er die dag een wonder plaatsvond. Generaties werden gezegend
omdat een gezin besloot hun tiende te betalen, ongeacht de problemen — en
toen een man ontmoette die 'toevallig langskwam' en 'toevallig' oogchirurg
was en hun leven ten goede kon veranderen. Hoewel sommigen in de verleiding
kunnen zijn om te denken dat het gewoon toeval is, geloof ik dat zelfs een
mus niet op de grond valt zonder dat God het weet.5
Onze familie hoorde dit verhaal pas twee jaar geleden, maar dit wisten we
wel van onze grootvader — hij hield van de Heer en probeerde Hem zijn
hele leven te dienen. En dit weten we van de Heer: Hij weet wie we zijn en
waar we zijn, en Hij weet wie onze hulp nodig heeft.
Ik heb gezien hoe u, die de Heer kent en oprecht liefheeft, tegen een jongeman
die worstelend zijn weg zocht, zei: 'God houdt van je. Hij wil dat het goed
met je gaat. Hij verlangt ernaar jou te zegenen.' Ik heb u tegen een verdrietige
vriendin horen zeggen: 'Ik weet dat er leven is na dit leven. Ik weet dat
je kind leeft en dat jij hem terug kunt zien en weer bij hem kunt zijn.'
Ik heb gezien hoe velen van u tegen een moedeloze jonge moeder zeiden: 'Laat
mij je helpen — wat jij doet is het allerbelangrijkste werk ter wereld.'
Ik heb gezien dat de mensen die u raakt, niet alleen uw liefde voelen, maar
ook de liefde en macht van de Heer, wanneer u tot hen van de waarheid getuigde.
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Ik ben er, net als Paulus,
van overtuigd, dat verdrukking noch leven, noch dood noch welke omstandigheid
dan ook de macht heeft ons van zijn liefde te scheiden.6
De Heiland heeft zijn leven voor ieder van ons gegeven. Hij kent onze vreugde
en ons verdriet. Hij kent mijn naam en uw naam. Als wij bij onze doop een
verbond met Hem sluiten, beloven we zijn geboden te onderhouden, Hem altijd
indachtig te
zijn en zijn naam op ons te nemen. Uiteindelijk is het zijn naam waarmee
we geroepen willen worden, want 'er zal geen andere naam worden gegeven,
noch enige andere wijze, noch enig ander middel, waardoor de zaligheid tot
de mensenkinderen kan komen, dan alleen in en door de naam van Christus de
almachtige Here.'7 Ik getuig dat Hij leeft en ons liefheeft, en
ons bij onze naam roept om tot Hem te komen. In de naam van Jezus Christus.
Amen.
NOTEN
1. Johannes 10:14.
2. Johannes 10:3.
3. Zie Maleachi 3:10.
4. Brief van J. Orth, 13 december 2001.
5. Zie Matteüs 10:29.
6. Zie Romeinen 8:35-39.
7. Mosiah 3:17.