Ouderling Ray H. Wood
van de Zeventig
Men kan zich niet ongeïnteresseerd, nonchalant of onverschillig opstellen tegenover het dragen van het priesterschap. Wanneer iemand het eenmaal aanvaard heeft, mag hij het niet negeren, verwaarlozen of terzijde schuiven. Het is een mantel van eer en macht die altijd op onze schouders zal liggen.
Toen de kinderen van Israël de Jordaan waren overgestoken en Jericho verwoest was, stonden zij voor de stad Ai. Ai was een kleinere stad dan Jericho, had minder verdedigers, en Jozua had gedacht het met slechts drieduizend soldaten in te nemen. Maar de mannen van Ai versloegen het leger van Israël en joegen het op de vlucht. Jozua boog zich voor de Heer neer en vroeg Hem naar de oorzaak van hun nederlaag. Toen kreeg hij antwoord, en leerde een les.
Toen Jericho verwoest werd, verbood de Heer ze om zich kostbare zaken toe te eigenen. Maar één man, Achan, nam iets van de buit weg en probeerde dat te verbergen. 'Ik zag [ze] bij de buit', zei hij, 'en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen' (Jozua 7:21). De Heer liet de buit vernietigen en Achan werd gestenigd.
Misschien kunnen we maar moeilijk begrijpen hoe de oneerlijkheid van één man zulke verstrekkende gevolgen kon hebben als de nederlaag van het leger van Israël en de dood van 36 mannen. Ouderling James E. Talmage heeft geschreven: 'Er was een wet van rechtschapenheid overtreden, en vervloekte voorwerpen waren in het kamp van het verbondsvolk gekomen; die overtreding was er de oorzaak van dat de stroom van goddelijke hulp ophield, en pas toen het hele volk zich geheiligd had, stond die macht weer tot hun beschikking.' (Articles of Faith, 12de editie [1924], blz. 105; zie ook Jozua 7:1013.)
Als iemand een van Gods geboden overtreedt en zich niet bekeert, neemt de Heer zijn beschermende en steungevende invloed weg.
Als we Gods kracht verliezen, weten we zeker dat het probleem bij ons, en niet bij God ligt. 'Ik, de Here, ben gebonden, wanneer gij doet, wat Ik zeg; maar wanneer gij niet doet wat Ik zeg, hebt gij geen belofte' (LV 82:10). Onze wandaden hebben wanhoop tot gevolg. Zij maken verdrietig en doven de helderheid van 'onverzwakte hoop' (2 Nephi 31:20) die Christus aanbiedt. Zonder Gods hulp zijn we op onszelf aangewezen.
Het priesterschap is het gezag om te handelen als gevolmachtigd vertegenwoordiger van de Heer om verordeningen te verrichten die aan iedereen bepaalde geestelijke zegeningen verschaffen. Het is de macht om de zin en de wil van God over te brengen bij het besturen van de kerk, bij het verkrijgen van zijn woord door openbaring, bij de verkondiging van het evangelie en bij de bediening van de verordeningen van de verhoging voor zowel de levenden als de doden. Het is werkelijk iets machtigs om het priesterschap van God te dragen.
Ons wordt gezegd 'dat de rechten van het priesterschap onafscheidelijk met de machten des hemels zijn verbonden, en dat de machten des hemels niet bestuurd noch aangewend kunnen worden, dan alleen volgens de grondbeginselen van gerechtigheid' (LV 121:36). President Spencer W. Kimball brengt ons in herinnering: 'Er zijn geen grenzen aan de macht van het priesterschap dat u draagt. Die beperking komt in u als u niet leeft in harmonie met de Geest van de Heer, en u beperkt uzelf in de macht die u uitoefent.' (Teachings of Spencer W. Kimball, ed. Edward L. Kimball [1982], blz. 498; cursivering toegevoegd.)
Als dragers van het priesterschap van God, moeten we eraan denken dat we 'een uitverkoren geslacht [zijn], een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom' (1 Petrus 2:9). Ons is geboden: 'Gaat uit het midden der goddelozen, scheidt u af en raakt hun onreine dingen niet aan' (Alma 5:57).
Als een man, jong of oud, het priesterschap aanvaardt en ontvangt, krijgt hij een heilige plicht om dat priesterschap te verheerlijken. Daarvoor moet ieder van ons ijverig dienen, onderwijzen met geloof en een getuigenis, om hen wier leven we beïnvloeden, op te beuren en te versterken. Dat houdt in dat we niet alleen maar voor onszelf kunnen zorgen, maar ook verantwoordelijk zijn voor de groei, de ontwikkeling en het welzijn van anderen.
We behoren niet automatisch vanwege onze leeftijd of onze omstandigheden tot een ambt in het priesterschap te worden geordend. Gezegend de priesterschapsleider die gewetensvol met elke kandidaat voor een priesterschapsambt een gesprek heeft, en van die kandidaat een verslag krijgt van diensten die hij verleend heeft, een bevestiging van diens persoonlijke reinheid en rechtschapenheid, en een toezegging om zich in de toekomst nog meer in te spannen om de grote verantwoordelijkheid van een priesterschapsambt te dragen en te vervullen.
Men kan zich niet ongeïnteresseerd, nonchalant of onverschillig opstellen tegenover het dragen van het priesterschap. Wanneer iemand het eenmaal aanvaard heeft, mag hij het niet negeren, verwaarlozen of terzijde schuiven. Het is een mantel van eer en macht die altijd op onze schouders zal liggen.
Door een roeping tot het priesterschap te aanvaarden, verbindt elke man zich door zijn eigen integriteit om op een bepaalde manier te handelen. Dat brengt gevoel voor verantwoordelijkheid met zich mee, waardoor in ieder van ons de macht ontstaat om positief te handelen en we afkerig worden van luiheid.
Degenen die deze heilige roeping luchtig opvatten, waarschuwt ouderling George Q. Cannon als volgt: 'Wij moeten het priesterschap dat we dragen, eren, want anders zal dat priesterschap, in plaats van ons te verheffen, het middel zijn waardoor we verdoemd worden. Het is beangstigend om het priesterschap van God te ontvangen en het niet te verheerlijken.' (Gospel Truth, verz. door Jerreld L. Newquist, twee delen [1957], deel 1, blz. 229.)
Laten we, als we het over het priesterschap hebben, niet vergeten hoe de juiste aanduiding is: het heilige priesterschap naar de orde van de Zoon Gods. Jezus Christus is de grote hogepriester van God. Hij is de bron van alle gezag en macht van de priesterschap op deze aarde. Als onze Heiland, Middelaar en Verlosser is Hij ons grote voorbeeld van de weg die we moeten volgen -- in woord, daad, overtuiging, leer, geloof, verordeningen en in onze rechtschapenheid. 'Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden' (1 Petrus 2:21).
Hij heeft ons heerlijkheid, eeuwig leven, verhoging, zelfs alles beloofd wat Hij heeft, als wij getrouw zijn priesterschap dragen en al onze roepingen grootmaken. Wij worden mede-erfgenamen met Hem in het koninkrijk van zijn Vader. De apostel Paulus heeft dat zo goed gezegd: 'En allen die tot dat priesterschap zijn geordend, zijn gemaakt zoals de Zoon van God, voor altijd trouw aan dat priesterschap' (BJS, Hebreeën 7:3).
Ik getuig plechtig dat dit gebeuren kan, als we ons 'geheel en al ( . . . ) verlaten op de verdiensten van Hem, die machtig is om te behouden' (2 Nephi 31:19), namelijk op onze Heer en Heiland, Jezus Christus. In zijn heilige naam, Jezus Christus. Amen.