President Gordon B. Hinckley
Die eenvoudige woorden -- 'Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt' -- zijn de diepzinnigste woorden in alle literatuur geworden. ( . . . ) Zij zijn de vervulling van alles wat Hij gezegd had over zijn opstanding.
Broeders en zusters, Ik voel mij erg dankbaar nu ik voor u sta. Van alle mensen voel ik mij vooral rijk gezegend. Ik ben gezegend door uw liefde. Waar ik ook heenga, u bent zo aardig voor mij. Ik ben gezegend door uw geloof. Uw enorme dienstbetoon, uw toewijding, uw trouw gaan alle deel uitmaken van mijn eigen geloof. U bent geweldig. Het is overduidelijk dat het evangelie, als het wordt nageleefd, de mensen beter maakt dan zij anders zouden zijn.
U bent ook bijzonder onzelfzuchtig met uw tijd en uw middelen. In deze hele grote wereld bent u overal werkzaam om het koninkrijk van onze Vader op te bouwen en zijn werk voort te stuwen.
Afgelopen week belde ik een man. Hij is met pensioen. Hij is werkzaam geweest als zendingspresident, en zijn vrouw en hij zijn nu zelf werkzaam als zendeling. Ik vroeg hem of zij bereid zouden zijn om een nieuwe tempel te presideren. Hij brak in tranen uit. Hij was overweldigd door emotie. Hij kon niets meer zeggen. Zijn vrouw en hij gaan hun kinderen en kleinkinderen weer een lange periode achterlaten om de Heer in een andere functie te dienen. Zullen ze hun kleinkinderen missen? Natuurlijk wel. Maar toch gaan ze, en ze zullen trouw dienen.
Ik ben erg dankbaar voor de toewijding en trouw van de kerkleden over de hele aarde, die gehoor geven aan elke oproep, ongeacht de ongemakken die ermee gepaard gaan, ongeacht welke gemakken ze moeten opgeven.
Maar van alles waar ik dankbaar voor ben, ben ik op deze paasochtend het dankbaarst voor het geschenk van mijn Heer en mijn Verlosser. Het is nu Pasen, de tijd waarop wij met het hele christendom de opstanding van Jezus Christus herdenken.
Dat was geen gewone gebeurtenis. Het was de grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid. Ik aarzel niet om dat te zeggen.
'Als een mens sterft, zou hij herleven?' vroeg Job (Job 14:14). Er bestaat geen enkele vraag die van groter belang is.
Zij die in luxe en veiligheid leven, denken zelden aan de dood. Wij houden ons met andere zaken bezig. Toch is er niets zekerder, niets universeler, niets definitiever dan de afsluiting van het sterfelijk leven. Niemand kan eraan ontkomen, niemand.
Ik heb in Parijs voor het graf van Napoleon gestaan, in Moskou voor het graf van Lenin, en voor de graven van veel andere grotere leiders van deze aarde. Zij hebben in hun tijd het bevel gevoerd over legers, hebben met bijna allesomvattende macht geheerst, alleen al hun woorden joegen de mensen de schrik om het hart. Ik heb ook eerbiedig over enkele van de grote begraafplaatsen van de wereld gelopen. Ik heb in stilte nagedacht toen ik op de militaire begraafplaats in Manila (Filipijnen) was, waar zo'n 17 duizend Amerikanen begraven liggen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun leven gegeven hebben, en waar nog eens 35 duizend anderen herdacht worden die gesneuveld zijn in de verschrikkelijke slagen van de Grote Oceaan, van wie het lichaam nooit gevonden is. Ik heb buiten Rangoon (Birma) eerbiedig over de Britse begraafplaats gelopen en de namen van honderden jongemannen gezien die uit de dorpen en steden van Groot-Brittannië kwamen en hun leven gaven in een heet, verafgelegen land. Ik heb over oude begraafplaatsen gelopen in Azië en Europa en nog andere werelddelen en heb nagedacht over het leven van hen die eens vrolijk en opgewekt waren, die eens creatief en beroemd waren, die de wereld waarin zij leefden veel gegeven hebben. Zij zijn allen de vergetelheid van het graf ingegaan. Allen die vóór ons op aarde geleefd hebben, zijn heengegaan. Zij hebben alles achtergelaten toen zij over de drempel van de stille dood zijn gestapt. Geen van hen is eraan ontkomen. Allen zijn gelopen naar 'dat onontdekte land, uit welks gebied geen reiziger ooit keert' (Hamlet, derde bedrijf, eerste toneel, 56). Shakespeare heeft het zo beschreven.
Maar Jezus de Christus heeft dat allemaal veranderd. Alleen een God kon doen wat Hij heeft gedaan. Hij heeft de banden des doods verbroken. Ook Hij moest sterven, maar op de derde dag na zijn begrafenis, herrees Hij uit het graf, de 'eersteling van hen, die ontslapen zijn' (1 Korintiërs 15:20), en daarmee bracht Hij ieder van ons de zegen van de opstanding.
Paulus verklaarde bij zijn overpeinzing van dit wonderbaarlijke feit: 'Dood, waar is uw overwinning[?] Dood, waar is uw prikkel?' (1 Korintiërs 15:55).
Twee weken geleden was ik in Jeruzalem, die grote, oude stad waar Jezus tweeduizend jaar geleden gelopen heeft. Ik stond op een hoog punt en keek neer op de oude stad. Ik dacht aan Betlehem, dat enkele kilometers naar het zuiden ligt, waar Hij in een nederige kribbe geboren was. Hij die de Zoon van God was, de eniggeboren Zoon, verliet het celestiale hof van zijn Vader om het sterfelijk leven op Zich te nemen. Bij zijn geboorte zongen de engelen en er kwamen wijze mannen geschenken brengen. Hij groeide op zoals andere jongens in Nazaret (Galilea). Daar 'nam [Hij] toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen' (Lucas 2:52).
Toen Hij twaalf was, bezocht Hij met Maria en Jozef Jeruzalem. Op hun thuisreis misten zij Hem. Ze gingen terug naar Jeruzalem en vonden Hem in de tempel, sprekend met de geleerden. Toen Maria Hem een standje gaf omdat Hij niet bij hen was, antwoordde Hij: 'Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?' (Lucas 2:49.) Zijn woorden waren een voorbode van zijn toekomstige bediening.
Die bediening begon met zijn doop in de Jordaan door zijn neef, Johannes. Toen Hij opkwam uit het water, daalde de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neer en was de stem van de Vader te horen, zeggend: 'Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb' (Matteüs 3:17). Die verklaring werd de bevestiging van zijn goddelijke aard.
Hij vastte veertig dagen lang en werd verzocht door de duivel, die niet wilde dat Hij zijn door God gegeven opdracht tot zijn bediening uitvoerde. Op de uitnodiging van de tegenstander antwoordde Hij: 'Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken' (Matteüs 4:7), waarmee Hij nogmaals zijn goddelijke zoonschap bevestigde.
Hij bewandelde de stoffige wegen van Palestina. Hij had zelf geen thuis, geen plek om zijn hoofd te ruste te leggen. Zijn boodschap was het evangelie van vrede. Zijn leer was er een van grootmoedigheid en liefde. 'Wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel' (Matteüs 5:40).
Hij onderwees met gelijkenissen. Hij verrichtte wonderen die sindsdien en voordien hun weerga niet hebben gehad. Hij genas langdurig zieken. Hij liet de blinden weer zien, de doven weer horen, de verlamden weer lopen. Hij wekte de doden op en liet hen herleven om zijn lof te spreken. Geen mens had dat ooit gedaan.
Enkelen volgden Hem, maar de meesten haatten Hem. Hij noemde de schriftgeleerden en de Farizeeën huichelaars, 'gewitte graven'. Zij smeedden plannen tegen Hem. Hij verdreef de geldwisselaars uit het huis des Heren. Ongetwijfeld voegden zij zich bij hen die van plan waren Hem te vernietigen. Maar Hij liet zich niet afschrikken. Hij ging 'rond[ . . . ], weldoende' (Handelingen 10:38).
Was dit allemaal niet genoeg om de herinnering aan Hem onsterfelijk te maken? Was het niet genoeg om zijn naam onder die van hen te plaatsen, en zelfs erboven, van de grote mensen die op aarde zijn geweest en die herinnerd worden vanwege hun uitspraken of daden? Hij zou beslist in de gelederen hebben thuisgehoord van de grote profeten aller tijden.
Maar dat was niet genoeg voor de Zoon van de Almachtige. Het was slechts een voorafspiegeling van grotere gebeurtenissen die zouden komen. Zij kwamen op een vreemde, verschrikkelijke wijze.
Hij werd verraden, gearresteerd, ter dood veroordeeld om te sterven na een vreselijk lijden door kruisiging. Zijn levende lichaam werd aan een houten kruis genageld. In onuitsprekelijke pijn vloeide zijn leven langzaam weg. Toen Hij nog ademde, riep Hij uit: 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen' (Lucas 23:34).
De aarde schudde toen Hij de geest gaf. De centurion die het allemaal gezien had, verklaarde plechtig: 'Waarlijk dit was [de] Zoon Gods' (zie Matteüs 27:54).
Zij die Hem liefhadden, haalden zijn lichaam van het kruis. Zij kleedden het en legden het in een nieuw graf, dat was aangeboden door Jozef van Arimatea. Het graf werd verzegeld met een grote steen en werd bewaakt door een wacht.
Zijn vrienden moeten geweend hebben. De apostelen die Hij liefhad en die Hij geroepen had als getuige van zijn goddelijkheid, weenden. De vrouwen die Hem liefhadden, weenden. Geen van hen had begrepen wat Hij gezegd had over opstaan op de derde dag. Hoe konden zij dat begrijpen? Dat was nog nooit eerder gebeurd. Het had geen enkele precedent. Zelfs voor hen was het ongelooflijk.
Zij moeten zich vreselijk ontmoedigd, wanhopig en ellendig hebben gevoeld bij de gedachte aan hun Heer, die hen in de dood ontnomen was.
Maar dat was niet het einde. Op de ochtend van de derde dag keerden Maria Magdalena en de andere Maria terug naar het graf. Tot hun grote verbazing was de steen weggerold en was het graf open. Zij tuurden naar binnen. Twee personen in witte kleding zaten aan weerszijden van de plek waar Hij gelegen had. Een engel verscheen aan hen en zei: 'Wat zoekt gij de levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Herinnert u, hoe Hij, toen Hij nog in Galilea was, tot u gesproken heeft, zeggend, dat de Zoon des mensen moest overgeleverd worden in de handen van zondige mensen en gekruisigd worden en ten derden dage opstaan' (Lucas 24:57).
Die eenvoudige woorden -- 'Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt' -- zijn de diepzinnigste woorden in alle literatuur geworden. Zij zijn de verklaring van het lege graf. Zij zijn de vervulling van alles wat Hij gezegd had over zijn opstanding. Zij zijn het triomferende antwoord op de vraag waarmee elke man, vrouw en kind geconfronteerd is die ooit op aarde geboren is.
De herrezen Heer sprak tot Maria en zij antwoordde. Hij was geen geestverschijning. Het was geen verbeelding. Hij was echt, zo echt als Hij in het sterfelijk leven was geweest. Hij liet zich echter niet aanraken door haar. Hij was nog niet naar zijn Vader in de hemel opgevaren. Dat zou kort daarna gebeuren. Wat een hereniging moet dat geweest zijn, omarmd te worden door de Vader die Hem liefhad en die ook om Hem geweend moet hebben in zijn uren vol kwelling.
Hij zou nog verschijnen aan twee mannen die op weg waren naar Emmaüs. Hij zou met hen spreken en met hen eten. Hij zou nog bij de apostelen komen die achter gesloten deuren bijeenkwamen, en zou hen onderrichten. Tomas was die eerste keer niet aanwezig. De tweede keer nodigde de Heer hem uit om zijn handen en zijn zijde te voelen. In absolute verbazing riep hij uit: 'Mijn Here en mijn God!' (Johannes 20:28.) Hij sprak bij een andere gelegenheid tot vijfhonderd mensen.
Wie kan de documentatie van deze feiten in twijfel trekken? Er is geen enkel verslag van het intrekken van het getuigenis van hen die deze ervaringen hadden. Er is overvloedig bewijs dat zij de rest van hun leven getuigd hebben van deze gebeurtenissen, en dat zij zelfs hun leven gaven ter bevestiging van de realiteit van wat zij hadden meegemaakt. Hun woord is duidelijk en hun getuigenis staat vast.
Door de eeuwen heen hebben miljoenen mensen dat getuigenis aanvaard. Talloze mensen hebben geleefd en zijn gestorven ter bevestiging van de waarheid ervan, die zij hadden gevoeld door de macht van de Heilige Geest en die zij in alle waarheid niet konden ontkennen. Er is beslist geen enkele gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid die uitgebreider op zijn waarheid is onderzocht.
En er is nog een getuige. Deze pendant van de Bijbel, het Boek van Mormon, getuigt dat Hij niet alleen aan de mensen in de Oude Wereld verschenen is, maar ook aan de mensen in de Nieuwe Wereld. Want had Hij niet een keer gezegd: 'Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder' (Johannes 10:16).
Na zijn opstanding verscheen Hij aan de mensen in dit deel van de wereld. Toen Hij neerdaalde door de wolken van de hemel, was de stem van God, de eeuwige Vader, te horen die plechtig verklaarde: 'Ziet mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb, in wie Ik mijn naam heb verheerlijkt -- hoort Hem' (3 Nephi 11:7).
Ook hier riep Hij twaalf apostelen die getuigen zouden worden van zijn naam en goddelijkheid. Hij leerde de mensen, zegende en genas hen, net als Hij in Palestina had gedaan, en er heerste gedurende tweehonderd jaar vrede in het land doordat de mensen trachtten te leven naar zijn leringen.
En alsof dit allemaal nog niet genoeg is, hebben we het getuigenis -- vast, zeker en ondubbelzinnig -- van de grote profeet van deze bedeling, Joseph Smith. Hij ging als jongen het bos in om te bidden, op zoek naar verlichting en begrip. En er verschenen twee Personen aan hem, van wie de helderheid en heerlijkheid alle beschrijving te boven gingen, die boven hem in de lucht stonden. Eén van hen sprak tot hem, hem 'bij de naam noemende, en zei, op de Ander wijzend: Deze is mijn geliefde Zoon -- hoor Hem!' (Zie Geschiedenis van Joseph Smith 1:17.)
Diezelfde Joseph verklaarde bij een volgende gelegenheid: 'En wij zagen de heerlijkheid van de Zoon, ter rechterhand des Vaders, en ontvingen van zijn volheid; ( . . . )
'En nu, na de vele getuigenissen, die van Hem zijn gegeven, is dit het getuigenis, het allerlaatste, dat wij van Hem geven: Dat Hij leeft!' (Leer en Verbonden 76:20, 22.)
En daarom verheffen wij op deze geweldige paasochtend, als dienstknechten van de Almachtige, als profeten en apostelen voor deze grote zaak, onze stem tot een getuigenis van onze onsterfelijke Heiland. Hij is naar de aarde gegaan als de Zoon van de eeuwige Vader. Hij heeft gedaan wat Jesaja geprofeteerd had dat Hij doen moest. Hij heeft 'onze smarten gedragen; ( . . . )
'Om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden' (Jesaja 53:45).
De derde dag herrees Hij in eeuwigdurende onsterfelijkheid uit het uit de rotsen gehouwen graf. Hij sprak met veel mensen. Zijn Vader bevestigde herhaaldelijk zijn goddelijke Zoonschap.
Dank zij de Almachtige. Zijn verheerlijkte Zoon verbrak de banden des doods, de grootste overwinning aller tijden. Zoals Paulus heeft gezegd: 'Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden' (1 Korintiërs 15:22).
Hij is onze zegevierende Heer. Hij is onze Verlosser die verzoening heeft gedaan voor onze zonden. Door zijn verlossende offer zullen alle mensen uit het graf opstaan. Hij heeft voor ons de weg bereid waardoor wij niet alleen de onsterfelijkheid kunnen verkrijgen, maar ook het eeuwig leven.
Als apostel van de Heer Jezus Christus, geef ik op deze paasdag mijn getuigenis van deze zaken. Ik zeg dit plechtig, eerbiedig en dankbaar. In de naam van Jezus Christus. Amen.