“Grote verwachtingen,” Jan 2009
CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen • 11 januari 2009 • Brigham Young University
Beste jonge vrienden, de geest die hier vanavond in het Marriott Center van de Brigham Young University heerst, en op honderden andere plaatsen over de hele wereld, is een weerspiegeling van jullie kracht, toewijding en goedheid. Ik ben erg dankbaar dat ik vanavond bij jullie ben. Jullie doen me denken aan de woorden van de dichter Henry Wadsworth Longfellow:
Hoe schoon is de jeugd! Hoe helder haar voorkomen.
Met haar illusies, aspiraties en dromen!
Boek van begin, verhaal zonder eind,
Elk meisje een heldin, en elke man een vriend!1
Naast jullie allemaal, is het ook een plezier om vanavond leden van mijn familie aanwezig te hebben.
Ik las onlangs opnieuw een van mijn lievelingsboeken van Charles Dickens, Great Expectations. Diegenen onder jullie die dit klassieke werk hebben lezen, zullen zich herinneren dat Dickens schrijft over een jongen die Philip Pirrip heet, ook wel Pip genaamd. Kleine Pip was wees en kon zich niet herinneren ooit zijn moeder of vader te hebben gezien. Hij had de verlangens van een jongen. Met heel zijn hart wilde hij studeren. Hij wilde een heer worden. Hij wilde niet ongeletterd zijn. Maar al zijn ambities en hoopvolle verwachtingen leken op niets uit te lopen. Tot Pip op een dag benaderd werd door een advocaat uit Londen, Jaggers, die hem vertelde dat een anonieme weldoener hem een fortuin had nagelaten. Toen zei die advocaat dat Pip een ‘jonge man met grote verwachtingen’ was.2
Nu ik vanavond denk aan wie en wat jullie zijn, en wie en wat jullie kunnen worden, zeg ik tegen jullie, net als die advocaat tegen Pip zei: jullie hebben grote verwachtingen — niet vanwege een anonieme weldoener, maar vanwege een bekende weldoener, namelijk onze hemelse Vader, en er wordt veel groots van jullie verwacht.
Voorbereiding op de wedloop van het leven
Velen van jullie die hier vanavond zijn, staan op het punt om hun formele opleiding af te ronden. (Laten we dat even toejuichen.) Anderen hebben nog een verdere academische voorbereiding in het verschiet. Ieder van ons loopt mee in wat we de wedloop van het leven kunnen noemen.
De schrijver van het boek Prediker heeft over dit onderwerp ook iets geschreven: ‘Niet de snelsten [winnen] de wedloop, noch de sterksten de strijd’ (Prediker 9:11); maar zij die volharden tot het einde. De wedloop van het leven is zo belangrijk, de prijs zo waardevol, dat we grote nadruk moeten leggen op voldoende en grondige voorbereiding.
Als we de eeuwige aard van onze keuzes overdenken, is die voorbereiding een essentiële factor in ons leven. De dag zal komen waarop we terugkijken op onze voorbereiding en dankbaar zijn dat we ons er goed voor hebben ingezet.
Vele jaren geleden, voordat ik als lid van het Quorum der Twaalf werd geroepen, sprak ik op een zakencongres in Dallas (Texas), ook wel de ‘stad der kerken’ genoemd. Na het congres ging ik met een toeristische rondrit door de buitenwijken van de stad mee. Terwijl we langs de prachtige kerken reden, vertelde onze chauffeur: ‘Links ziet u de methodistenkerk’ of ‘rechts ligt de katholieke kathedraal’. Toen we een prachtig roodstenen gebouw op een heuvel passeerden, zei de chauffeur: ‘En in dat gebouw komen de mormonen samen.’
Achter uit de bus vroeg een vrouwenstem: ‘Chauffeur, kunt u ons iets over de mormonen vertellen?’ De chauffeur ging aan de kant van de weg staan, draaide zich om en antwoordde: ‘Mevrouw, al wat ik van de mormonen weet, is dat ze bijeenkomen in dat roodstenen gebouw. Is er iemand in de bus die iets van de mormonen weet?’
Ik keek naar de uitdrukking op de gezichten van de andere passagiers om een blik van herkenning te zien, of een verlangen om iets te zeggen. Maar ik zag niets. Geen enkel teken. Toen besefte ik hoe waar deze uitspraak is: ‘Als de tijd voor beslissingen aanbreekt, is de tijd van voorbereiding voorbij.’ De daaropvolgende vijftien minuten had ik het voorrecht om, zoals Petrus het heeft uitgedrukt, een reden te geven voor ‘de hoop, die in u is’ (1 Petrus 3:15). En ik kreeg meer waardering voor een goede voorbereiding.
In feite, mijn jonge vrienden, begon de periode van je voorbereiding niet op de dag dat je naar je eerste college of les aan de universiteit ging. Die begon al lang voordat je in het sterfelijk leven kwam, in de periode dat wij als geestkinderen bij onze hemelse Vader woonden. Ik ben zo dankbaar dat Hij ons in zijn wijsheid een verslag heeft gegeven, in het boek Abraham, waarin ons iets over dat bestaan wordt verteld:
‘De Heer nu had mij, Abraham, de intelligenties getoond die waren georganiseerd eer de wereld was; en onder al dezen waren er velen van de edelen en groten;
‘en God zag deze zielen, dat zij goed waren, en Hij stond te midden van hen en Hij zeide: Dezen zal Ik tot mijn heersers maken; want Hij stond te midden van hen die geesten waren, en Hij zag dat zij goed waren; en Hij zeide tot mij: Abraham, gij zijt een van hen; gij waart gekozen eer gij geboren waart.
‘En er stond Een in hun midden die gelijk God was, en Hij zeide tot hen die bij Hem waren: ‘Wij zullen naar beneden gaan, want er is ruimte daar, en wij zullen van deze stoffen nemen en wij zullen een aarde maken waarop dezen kunnen wonen;
‘en wij zullen hen hiermee beproeven om te zien of zij alles zullen doen wat de Heer, hun God, hun ook zal gebieden;
‘en aan hen die hun eerste staat behouden, zal worden toegevoegd; en zij die hun eerste staat niet behouden, zullen geen heerlijkheid hebben in hetzelfde koninkrijk met hen die hun eerste staat behouden; en zij die hun tweede staat behouden, op hun hoofd zal heerlijkheid worden toegevoegd voor eeuwig en altijd’ (Abraham 3:22–26).
En toen, in de wijsheid van onze hemelse Vader, werden jullie en ik geboren in het sterfelijk leven, en welkom geheten in onze liefhebbende familie.
Ik wil even stil staan bij het feit dat jullie familieleden voor je bidden. Ze maken zich zorgen om je. Ze willen weten hoe het met je gaat. Ze houden zielsveel van je. Stel ze niet teleur.
De Heer zegt ons in de Leer en Verbonden dat Satan de eerste acht jaar van ons leven geen macht krijgt om ons als klein kind te verzoeken (zie LV 29:46–47). We zijn begonnen met een voorsprong van acht jaar op Lucifer.
Die informatie heeft de Heer de profeet Joseph al in 1830 gegeven. In onze eigen tijd heeft een bekende geleerde, dr. Glenn Domann — die vrijwel zeker de aangehaalde openbaring nooit heeft gehoord — onderzoek gedaan en is tot de conclusie gekomen dat ‘een pasgeboren kind vrijwel gelijk is aan [een] (…) computer, hoewel het daar in bijna alle opzichten superieur aan is.’
‘Wat in de eerste acht jaar van het leven van een kind in zijn hersenen wordt geplaatst, blijft daar waarschijnlijk voor altijd. Als je in die periode verkeerde informatie in zijn hersens stopt, dan is het bijzonder moeilijk om dat uit te wissen.’ Hij meende dat de meest ontvankelijke leeftijd die van twee of drie jaar is.3
Je zou je kunnen afvragen: ‘Waarom legt president Monson hier zo’n nadruk op? We hebben onze achtjarige periode van leren al lang gehad.’ Maar jullie, broeders en zusters, worden op een dag ouders, en je zult het belang van die eerste periode van acht jaar tegenover je kinderen en je toekomstige generaties aan nakomelingen willen beklemtonen.
Als ik aan enkele dingen denk die jullie, en ik ongetwijfeld ook, als kind hebben gedaan, als tiener en als jongvolwassene, dan denk ik soms dat het een wonder is dat onze ouders het hebben overleefd, laat staan dat ze hun verstand niet hebben verloren. Een vrouw die het op een morgen erg moeilijk had gehad met het onder controle houden van haar kinderen, had het gevoel dat ze op het punt stond gek te worden.
Haar zoontje Matthew kwam op haar af en zei vrolijk: ‘Mam, weet u nog die vaas die uw grootmoeder aan uw moeder heeft gegeven en daarna aan u, en waarover u zich altijd zorgen maakt dat hij zal breken?’
‘Ja’, zei ze.
‘Nou,’ zei Matthew, ‘u hoeft zich er geen zorgen meer over te maken!’
Voorbereiding door studie
Jullie, broeders en zusters, zijn nu in een andere grote voorbereidingsperiode op de wedloop van het leven gekomen. Met die voorbereiding bedoel ik jullie studie. Die is belangrijk, want door die studie leer je wat je nodig hebt om de moeilijkheden van deze veranderende wereld waarin wij leven te doorstaan.
Nog maar een paar generaties geleden zou een personeelschef in een gesprek met een kandidaat voor een verantwoordelijke positie in de zakenwereld waarschijnlijk aan hem vragen: ‘Bent u bereid om hard te werken? Bent u gezond?’ En als de antwoorden op die vragen ‘ja’ luidden, was er een kans dat hij in dienst werd genomen.
Maar heden ten dage is dat uiteraard anders. Aangenomen dat je — meestal na een online sollicitatie — wordt geselecteerd voor een persoonlijk gesprek, zal de hedendaagse personeelschef vragen stellen zoals: ‘Wat voor diploma’s hebt u?’ ‘Welke bijdragen kunt u leveren aan onze firma?’ ‘Welke computerprogramma’s kunt u goed bedienen?’
Moeite doen
Vele jaren geleden kreeg ik de kans om colleges te geven. En ik herinner me dat enkele studenten een idee leken te hebben wat ze gingen doen. Ze deden hun best, hadden doelen, en ze werkten hard aan het bereiken van die doelen. Maar andere studenten kon het echt niet schelen. Ze leken rond te dobberen op een zee van toeval, waar golven van mislukking hen dreigden te overspoelen. Eerst werden ze lui, vervolgens raakten ze ontmoedigd, daarna onverschillig en vervolgens gaven ze er de brui aan.
Een van de studenten die ophielden met hun studie, ging naar huis en zei tegen zijn moeder: ‘Mam, ik ben gestopt met mijn studie. Ik ga erop uit om wat van mezelf te maken in de wereld.’ Hij pakte zijn koffer en trok erop uit om het leven aan den lijve te ondervinden. Na drie weken lang het leven te hebben ondervonden, belde hij zijn moeder. ‘Mam,’ zei hij, ‘weet u nog dat u me zei toen ik van huis ging dat als ik mijn studie opgaf, ik geen baan kon krijgen? Nou, dat had u mis. Ik ben nog maar drie weken op pad, maar ik heb al zes baantjes gehad!’
Als je naar uitmuntendheid wilt streven, moet je daar echt moeite voor doen. Bedenk: ‘Wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten’ (2 Korintiërs 9:6).
Het leven is een zee waarop de hoogmoedigen verootmoedigd worden, de luilakken ontmaskerd worden en de leiders bekend worden. Om veilig te reizen en je bestemming te bereiken, moet je je kaarten bijwerken en bij de hand houden. Je moet leren van de ervaring van anderen, pal staan voor principes, je interessegebieden uitbreiden, begrip hebben voor de rechten van anderen die over dezelfde zee reizen, en betrouwbaar zijn in het uitvoeren van je plicht.
Je inzet voor je studie zal zichtbare gevolgen hebben voor de kansen die je daarna krijgt. Zie in je moeite om goede cijfers te halen niet het belang van werkelijk leren nadenken over het hoofd. Industriemagnaat Henry Ford heeft ooit gezegd: ‘Een geschoold man is niet iemand die heeft geleerd om een aantal datums uit de geschiedenis te onthouden — het is iemand die iets tot stand kan brengen. Een man die niet kan nadenken, is geen geschoold man, hoeveel universiteitsdiploma’s hij ook heeft behaald. Denken is het hardste werk wat iemand kan doen — wat waarschijnlijk de reden is dat we zo weinig denkers hebben.’4
Geestelijke voorbereiding
Geestelijke voorbereiding is nog belangrijker dan onze periode van academische voorbereiding. We moeten zelf een getuigenis van het evangelie van Jezus Christus verkrijgen, want het zal een anker zijn voor onze ziel.
In deze onzekere levensperiode van onderzoek vragen sommigen onder jullie je misschien af — net als Pilatus, de Romeinse stadhouder ten tijde van Christus: ‘Wat is waarheid?’ (Johannes 18:38.) En we wenden ons nogmaals tot de openbaringen om raad:
‘En hetgeen niet opbouwt, is niet van God, en is duisternis.
‘Hetgeen van God is, is licht’ (LV 50:23–24).
Duizenden oprecht zoekende zielen blijven maar geconfronteerd worden met die doordringende vraag die Joseph Smith bezighield toen hij de verklaringen van de kerken in zijn omgeving onderzocht op de vraag wie er gelijk had en wie ongelijk. Joseph heeft daarover gezegd:
‘Te midden van deze woordenstrijd en botsende meningen vroeg ik me vaak af: Wat staat mij te doen? Welke van al deze groeperingen heeft gelijk, of hebben ze allemaal ongelijk? Als er één gelijk heeft, welke is dat dan en hoe kom ik dat te weten?’ (…)
‘Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat ik óf in het duister en in verwarring moest blijven, óf de aanwijzing van Jakobus moest opvolgen, dat wil zeggen, God erom bidden’ (Geschiedenis van Joseph Smith 1:10, 13).
Hij ging in gebed. De resultaten van dat gebed zijn het beste met Josephs eigen woorden te beschrijven. Ze zijn bekend: ‘[Ik zag] twee Personen, wier glans en heerlijkheid elke beschrijving tarten, boven mij in de lucht staan. Een van Hen sprak tot mij, mij bij de naam noemend, en zei, wijzend op de ander: Dit is mijn geliefde Zoon. Hoor Hem!’ (Geschiedenis van Joseph Smith 1:17. Joseph luisterde. Joseph leerde. Zijn vraag was beantwoord.
Voor hen die nederig zoeken, is het niet nodig om te struikelen of te wankelen op de weg die naar de waarheid voert. Die weg is goed gemarkeerd door onze hemelse Vader. Allereerst moeten we een verlangen hebben om het zelf te weten te komen. We moeten studeren. We moeten bidden. We moeten de wil van de Vader doen. En dan zullen we de waarheid te weten komen, en de waarheid zal ons vrijmaken. Goddelijke gunsten zullen hen vergezellen die nederig zoeken. Die belofte doe ik jullie. Denk daar eens over na.
Bedenk dat niemand tegelijkertijd kan geloven en twijfelen, want het ene zal het andere verdrijven. Twijfel vernietigt, maar geloof geeft voldoening. Een gelovige houding brengt iemand dichter tot God en zijn doelen.
President David O. McKay heeft vaak gezegd: ‘Het bestaan van de mens is niet meer dan een toets, die duidelijk maakt of hij zijn inspanningen, zijn verstand, zijn ziel wil richten op de genoegdoening en bevrediging van zijn lichamelijke natuur, of dat hij zijn leven wil wijden aan de verwerving van geestelijke kwaliteiten.’5
Geloof impliceert een zeker vertrouwen, namelijk vertrouwen in het woord van onze Schepper.
Heb je ooit gedachten van twijfel, volg dan deze raad op van president Stephen L. Richards, voormalig raadgever in het Eerste Presidium: ‘Als de twijfel toeslaat, zeg dan gewoon tegen die sceptische, storende, opstandige gedachten: “Ik ben van plan bij mijn geloof te blijven, bij het geloof van mijn volk. Ik weet dat daar geluk en tevredenheid in schuilt, en ik verbied jullie, agnostische, twijfelende gedachten, om het huis van mijn geloof te vernielen. Ik erken dat ik het proces van de schepping niet begrijp, maar ik accepteer die als een feit. Ik geef toe dat ik de wonderen in de Bijbel niet verklaren kan, en ik probeer dat ook niet, maar ik accepteer Gods woord. Ik heb Joseph niet gekend, maar ik geloof hem. Mijn geloof is niet door de wetenschap gekomen, en ik zal zogenaamde wetenschap niet toestaan het te vernietigen.”’6
Loopt je voorbereidingsperiode van je studie ten einde en begin je aan de grote wedloop van het leven, misschien kan ik je dan wat nuttige hints geven waar je wat aan kunt hebben als je wilt voldoen aan je grote verwachtingen.
De valkuilen van het leven vermijden
Ten eerste: mijd de valkuilen in het parcours. Mijd de omleidingen die je je celestiale beloning zouden ontnemen. Je kunt ze herkennen, als je wilt. Ze heten bijvoorbeeld ‘O, het hindert niet om dit één keertje te doen’ of ‘Mijn ouders zijn zo ouderwets’.
Slechte gewoontes kunnen ook een valkuil zijn. Aanvankelijk zouden we ze opzij zetten als we dat zouden willen. Later zouden we ze opzij zetten als we dat zouden kunnen. John Dryden, een invloedrijke Engelse dichter en toneelschrijver uit de zeventiende eeuw, heeft gezegd:
Slechte gewoontes nemen in onzichtbare mate toe van lieverlee;
Zoals beekjes rivieren worden, monden rivieren uit in de zee.7
Maar goede gewoontes zijn de spieren van de ziel. Hoe meer je ze gebruikt, hoe sterker ze worden.
Onze hemelse Vader heeft ons aangeraden om te streven naar al wat ‘deugdzaam, liefelijk, of eerzaam, of prijzenswaardig is’ (Geloofsartikelen 1:13). Losbandigheid, onzedelijkheid en de negatieve invloed van leeftijdgenoten kunnen ertoe leiden dat velen heen en weer geslingerd worden op een zee van zonde, en dat zij te pletter slaan op de scherpe rotsen van verloren kansen, misgelopen zegeningen en onvervulde dromen.
Wat je leest, of waar je naar luistert of kijkt, laat altijd een indruk bij je achter.
Vermijd alles wat maar enigszins op porno lijkt. Het is gevaarlijk en verslavend. Als je naar pornografie blijft kijken, zal je geest ongevoelig worden en je geweten afstompen.
Wees niet bang om een bioscoopzaal uit te lopen, de tv uit te zetten of een andere radiozender op te zoeken als er iets gebracht wordt dat niet aan de normen van je hemelse Vader voldoet. Kort gezegd, als je twijfelt of een bepaalde film, een boek of welke andere vorm van amusement dan ook gepast is, kijk er dan niet naar, lees het niet, doe er niet aan mee.
Doorzetten om doelen te bereiken
Ten tweede: pas op voor de opzichtige start en de slechte finish. Ik vind de eenvoudige wijsheid mooi in dit gedicht van een onbekende auteur. Ik denk niet dat het een literair meesterwerk is, maar het is heel begrijpelijk.
Doe je werk goed, totdat het jou goed doet.
Beginners zijn er genoeg, afmakers zijn er niet in overvloed.
Hulde, macht, positie en eer
Vallen uiteindelijk hem ten deel die het steeds weer probeert.
Doe je werk goed, totdat het jou goed doet.
Doe moeite, zweet ervoor, zie het met een glimlach tegemoet;
Want na moeite, zweet en een lach
Komen de overwinningen van het leven op een dag.8
Formule ‘W’ is interessant, het is een soort woordspeling met één letter: ‘Werk wint wanneer wissewasjes wensen weigert.’ Werklust resulteert in het vermogen om zich voortdurend in te zetten voor een goed doel.
Ik ben altijd al een groot sportfan geweest. Ik zal me nog lang een sportverslaggever herinneren die de geweldige prestaties van Y.A. Tittle prees, een van de beste quarterbacks aller tijden. Hij zei:
‘Dit wordt het kantelpunt van de wedstrijd. Tittle krijgt de bal uit het midden; hij stapt naar achteren om te gooien, maar het blok houdt geen stand. Het lijkt erop dat de wedstrijd voorbij is.
‘Wacht! Wacht! Tittle ontwijkt de tackles, hij heeft zich ver laten terugvallen. Hij doet zijn arm naar achteren om te gooien, de pass is onderweg en wordt in de eindzone gevangen voor een touchdown.
‘Dat was een fantastische tweede actie van Y.A. Tittle!’
In de wedloop van het leven is het vaak nodig om iets nog een keer te proberen. Een gelukkig leven wordt in geen enkel tijdperk ingeluid met het geschal van trompetten of tromgeroffel. Het groeit jaar in jaar uit, beetje bij beetje, tot we uiteindelijk beseffen dat we het hebben. Het wordt bereikt door werk dat we zo goed gedaan hebben dat we ons hoofd hoog kunnen houden en de wereld recht in de ogen kunnen kijken.
Volg het voorbeeld van Christoffel Columbus. Neem nou een pagina uit zijn dagboek op zijn eerste reis. Dag in dag uit, hopend land te vinden dat maar niet kwam, schreef hij gewoon: ‘Vandaag voeren we door.’9 Doorzetten levert een rijke beloning op.
Anderen helpen
Ten derde: help anderen in de wedloop van het leven. Bedenk dat als je een ander de berg op helpt, je zelf ook dichter bij de top bent. Probeer je broeder of zuster in het juiste perspectief te zien. Iemand heeft eens gezegd: ‘Ik keek door de microscoop van kritiek naar mijn broeder en zei: “Wat een ruwe man is mijn broeder.” Toen keek ik door de telescoop van geringschatting naar mijn broeder en zei: “Wat is mijn broeder klein.” Toen keek ik in de spiegel van waarheid en zei: “Wat lijkt mijn broeder op mij.”’
De zending van de Meester werd gekenmerkt door een houding van liefde. Hij liet de blinden zien, de lammen lopen en bracht de doden tot leven. Misschien zal ons, als we voor het aangezicht van onze Schepper staan, niet worden gevraagd: ‘Hoeveel functies heb je bekleed?’ maar ‘Hoeveel mensen heb je geholpen?’. In werkelijkheid kun je de Heer eigenlijk niet liefhebben tot je Hem dient door zijn kinderen te dienen.
Vraag de Heer om hulp
Ten vierde en ten laatste: vraag de Heer om hulp. Zielen zijn waardevol: zowel jullie ziel als mijn ziel. Onze hemelse Vader heeft dat zelf gezegd.
Bedenk dat we niet alleen lopen in deze grote wedloop van het leven; we hebben recht op de hulp van de Heer. De apostel Paulus heeft de Hebreeën deze aansporing gegeven:
‘(…) laten (…) wij (…) afleggen alle (…) zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt.
‘Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs’ (Hebreën 12:1–2).
Voordat we Hem tot metgezel kunnen nemen, voordat we Hem tot gids kunnen nemen, moeten we Hem vinden. Om Hem te vinden, stel ik dat wij allereerst plaats voor Hem moeten inruimen in ons leven. Hij heeft gezegd: ‘De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen’ (Matteüs 8:20).
De geneesheer Lucas beschreef het tafereel in de kerststal: ‘En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg’ (Lucas 2:7).
De uitnodiging van Jezus Christus is aan ons allen gericht. Zie hem als een uitnodiging die speciaal tot jou is gericht: ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen [en daar wil ik aan toevoegen: of bij haar]’ (Openbaring 3:20).
O, mijn jonge broeders en zusters, ruim plaats in voor de Heer in je woning en in je hart, dan zal Hij je metgezel zijn. Hij staat dan aan je zij. Hij zal je de weg van de waarheid leren. Met zijn hulp, en met de voorbereiding waar we het over hebben gehad, kun je voortgaan in deze wedloop van het leven en kun je je eigen grote verwachtingen waarmaken. En dan, als alles ten einde loopt, kun je zeggen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden’ (2 Timoteüs 4:7).
Doe je dat, dan ontvang je de zegeningen van de hemel. Hij die zelfs de val van een mus opmerkt, zal ons, op zijn eigen wijze, zijn erkentelijkheid bewijzen.
Ik wil jullie over een ervaring vertellen die deze zekerheid illustreert.
Broeder Edwin Q. Cannon jr. (laten we hem Ted noemen), was in 1938 op zending in Duitsland. Hij had de mensen lief en diende er getrouw. Aan het eind van zijn zending keerde hij terug naar Salt Lake City. Hij trouwde en begon een eigen zaak.
Er ging veertig jaar voorbij. Op een dag kwam broeder Cannon in mijn kantoor en zei dat hij opruiming had gehouden onder zijn zendingsfoto’s. (Opruimen is het goede woord. Je kijkt ze allemaal door, gooit er twee weg en houdt alle andere.) Onder de foto’s die hij sinds zijn zending had bewaard, waren er enkele met personen die hij zich niet meer voor de geest kon halen. Telkens als hij van plan was geweest ze weg te gooien, had hij het gevoel gekregen dat hij ze moest bewaren, hoewel hij echt niet wist waarom. Het waren foto’s die broeder Cannon tijdens zijn zending had genomen in Stettin. Op de foto stond een gezin: een moeder, een vader, een klein meisje en een kleine jongen. Hij wist dat hun achternaam Berndt was, maar kon zich niets meer over hen herinneren. Hij zei dat hij had gehoord dat er een kerkleider in Duitsland was die Berndt heette, en hij meende, hoewel hij het onwaarschijnlijk achtte, dat deze Berndt misschien iets te maken had met de familie Berndt die in Stettin woonde en op zijn foto’s stonden. Voordat hij besloot de foto’s weg te gooien, wilde hij dat nog even aan me vragen.
Ik zei tegen broeder Cannon dat ik kort daarna naar Berlijn zou gaan, waar ik verwachtte kennis te maken met Dieter Berndt, de genoemde kerkleider, en dat ik hem de foto’s zou tonen om te zien of het familie van hem was, en of hij ze wilde hebben. Er was ook een mogelijkheid dat ik broeder Berndts zus zou ontmoeten, die getrouwd was met Dietmar Matern, een ringpresident in Hamburg.
Maar de Heer liet mij Berlijn niet eens bereiken voordat zijn doeleinden waren bereikt. Ik ging in Zürich, in Zwitserland, aan boord van de vlucht naar Berlijn toen ineens Dieter Berndt aan boord kwam. Hij ging naast mij zitten en ik vertelde hem dat ik wat oude foto’s had van een familie Berndt uit Stettin. Ik gaf ze aan hem en vroeg of hij wist wie er op de foto’s stonden. Hij keek er aandachtig naar en begon toen te wenen. Hij zei: ‘Tijdens de oorlog woonde het gezin van mijn ouders in Stettin. Mijn vader werd gedood toen er een geallieerde bom viel op de fabriek waar hij werkte. Niet lang daarna kwam de Russische invasie van Polen en van het gebied rond Stettin. Mijn moeder vluchtte met mijn zus en mij voor de naderende vijand. We moesten alles achterlaten, ook onze foto’s. Broeder Monson, ik ben het kleine jongetje op deze foto’s, en mijn zus is het kleine meisje. De man en de vrouw zijn onze lieve ouders. Tot op de dag van vandaag had ik geen foto’s van onze jeugd in Stettin of van mijn vader.’
Ik veegde mijn eigen tranen weg en zei tegen broeder Berndt dat hij de foto’s mocht houden. Hij deed ze voorzichtig en liefdevol in zijn tas.
Toen Dieter Berndt voor de daaropvolgende algemene conferentie naar Salt Lake City ging, bracht hij een bezoek aan broeder Edwin Cannon jr. en zijn vrouw om hem in eigen persoon te danken dat hij had geluisterd naar de inspiratie om de foto’s, die zo veel waarde voor hem hadden, veertig jaar lang te bewaren.
William Cowper heeft geschreven:
God volgt voor ons verborgen paân
bij al zijn heilig werk.
Zijn wil beheerst naast d’oceaan
ook ’t stormen in het zwerk. (…)
Treedt niet met uw beperkt verstand
in het gericht met God;
Hij stiert, ofschoon met strenge hand,
met liefde ’s mensen lot.10
Dit betuig ik jullie, dit getuigenis geef ik jullie: dat God leeft, dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, dat Hij onze oudere Broer is. Hij is onze Verlosser, Hij is onze Heiland, Hij is de Bron van jullie grote verwachtingen.
Ik laat jullie mijn zegen; ik betuig jullie mijn liefde. Jullie zijn een uitverkoren generatie met grote verwachtingen. Mogen onze hemelse Vader jullie altijd leiden en zegenen; mogen jullie er altijd naar streven om die grote verwachtingen waar te maken. Dat bid ik in de naam van Jezus Christus, onze Heiland. Amen.
© 2009 Intellectual Reserve, Inc. Alle rechten voorbehouden. Origineel vrijgegeven: 10/08. Ter vertaling vrijgegeven: 10/08. Titel van het origineel: Great Expectations. Dutch. PD50013401 120
Notes
1. Henry Wadsworth Longfellow, Morituri Salutamus (1875), The Complete Poetical Works of Longfellow (1922), p. 311.
5. David O. McKay, Conference Report, oktober 1963, p. 89; of Improvement Era, december 1963, p. 1096.
7. John Dryden, ‘Of the Pythagorean Philosophy’ (1700), Ovid, Metamorphoses, boek XV, The Poetical Works of Dryden (1950), p. 881.
8. ‘Stick to Your Task’, geredigeerd door Jack M. Lyon e.a., Best-Loved Poems of the LDS People, (1996), pp. 255–56.