Skip to Content Skip to Navigation

Geef ons heden ons dagelijks brood

Ouderling D. Todd Christofferson
van het Quorum der Twaalf Apostelen


Ouderling D. Todd Christofferson,  “Geef ons heden ons dagelijks brood,”  Jan 2011

CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen • 9 januari 2011 • Brigham Young University

Wij ouderen, met inbegrip van ouders, kerkleiders, hoogleraren en vrienden, geven jullie vaak de raad om je op de toekomst voor te bereiden. Wij moedigen jullie aan een goede opleiding te volgen als basis voor jullie verdere leven. We dringen er bij jullie op aan een basis te leggen voor een huwelijk en een gezin. We waarschuwen jullie om na te denken over de gevolgen later van jullie keuzes nu (bijvoorbeeld van wat je op het internet zet). We adviseren jullie na te denken over wat een leven succesvol maakt en vervolgens datgene te doen wat jou succes zal brengen.

Dat alles getuigt van een verstandige levenswandel en ik wil vanavond op geen enkele manier afdoen aan het belang van vooruitdenken en plannen. Zorgvuldige planning en voorbereiding zijn de sleutels tot een prettige toekomst, maar bedenk wel dat we niet in de toekomst leven, we leven in het heden. We werken dag aan dag aan onze toekomstplannen; we bereiken onze doelstellingen door er dag aan dag aan te werken. We voeden onze kinderen dag voor dag op. We werken dag voor dag aan onze gebreken. We volharden dag voor dag tot het einde toe. Het is de som van vele goed bestede dagen die van iemand een heilige maakt. Vandaar dat ik het met jullie wil hebben over dag in dag uit een goed leven leiden.

Vertrouw op God voor wat je elke dag nodig hebt

In Lucas lezen we dat een van Jezus’ discipelen aan Hem vroeg: ‘Here, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft’ (Lucas 11:1). Jezus gaf vervolgens een gebedsmodel dat bekend is geworden als het Onzevader. Dat gebed vinden we ook in Matteüs als onderdeel van de Bergrede (zie Matteüs 6:9–13).

In het onzevader komt dit verzoek voor: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ (Matteüs 6:11) of ‘Geef ons elke dag ons dagelijks brood’ (Lucas 11:3). Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat ieder dagelijkse noden heeft waar we de hulp van onze hemelse Vader bij nodig hebben. Voor sommigen kan het soms letterlijk om brood gaan, dat wil zeggen, voedsel om in leven te blijven. Voor mensen die chronisch ziek zijn of langdurig revalideren, kan het gaan om de geestelijke en lichamelijke kracht om de dag door te komen. In andere gevallen kan het gaan om zaken die verband houden met iemands taken of werk, bijvoorbeeld lesgeven of een examen afleggen.

Jezus leert ons, zijn discipelen, hier dat we elke dag op God behoren te vertrouwen voor het brood, ofwel zijn hulp en steun, die we elke dag nodig hebben. Dat is in overeenstemming met de raad om ‘altijd [te] bidden en niet [te] verslappen; dat gij niets voor de Heer moet doen zonder in de eerste plaats tot de Vader te bidden in de naam van Christus dat Hij uw handeling voor u zal heiligen, opdat uw handeling voor het welzijn van uw ziel zal zijn’ (2 Nephi 32:9).

De uitnodiging van de Heer om onze hemelse Vader om ons dagelijks brood te bidden, laat ons een liefdevolle Vader zien, die Zich bewust is van zelfs de kleinste, dagelijkse noden en die ons heel graag bij al die noden wil helpen. Hij zegt ons dat we in geloof kunnen bidden tot Hem ‘die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden’ (Jakobus 1:5). Dat is, uiteraard, ongelooflijk geruststellend, maar er speelt nog iets mee wat belangrijker is dan elke dag de nodige hulp krijgen. Als we dagelijks goddelijk brood vragen en ontvangen, groeit ons geloof en vertrouwen in God en zijn Zoon.

Het sterkt je geloof als je voor je noden dagelijks op God vertrouwt

Je zult je de grote uittocht van de stammen van Israël uit Egypte herinneren, alsmede de veertig jaar dat ze in de woestijn woonden voordat ze het beloofde land binnengingen. Die grote schare van wel een miljoen mensen moest te eten hebben. Een schare van die omvang kon niet lang leven van wat de jacht opbracht, en hun seminomadische leefstijl maakte het moeilijk om op grote schaal gewassen te verbouwen en vee te houden. Jehova loste het probleem op door hun dagelijks brood op wonderbaarlijke wijze uit de hemel te laten regenen — manna. Dit kleine eetbare voedsel dat elke morgen op de grond lag, was nieuw en onbekend. De naam manna gaat dan ook terug op het Hebreeuwse man hu, vertaald met ‘Wat is het?’ Bij monde van Mozes instrueerde de Heer het volk om zoveel te verzamelen als voor iedere dag nodig was, uitgezonderd op de dag vóór de sabbat, want dan moest het volk dubbel zoveel verzamelen.

Aanvankelijk, in weerwil van Mozes’ specifieke aanwijzingen, probeerden sommigen meer manna dan wat op een dag nodig was te verzamelen en op te slaan:

‘En Mozes zeide tot hen: Niemand late ervan over tot de morgen.

Maar sommigen luisterden niet naar Mozes en lieten ervan over tot de morgen, maar toen was het bedorven van de wormen en stonk’ (Exodus 16:19–20).

Maar als zij op de zesde dag dubbel zoveel manna verzamelden, bedierf het zoals beloofd was niet:

‘Zij lieten het dan tot de volgende morgen liggen, zoals Mozes bevolen had; toen stonk het niet, en er waren geen maden in.

‘Voorts zeide Mozes: Eet dit vandaag, want heden is het sabbat voor de Here, vandaag zult gij het niet vinden op het veld.

‘Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat; dan is het er niet’ (Exodus 16:24–26).

En weer schoten sommigen te kort in geloof: zij gingen op de sabbat op zoek naar manna.

‘Daarom zeide de Here tot Mozes: Hoelang weigert gij mijn geboden en wetten te onderhouden?

‘Bedenkt, dat de Here u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten’ (Exodus 16:28–29).

Het lijkt erop dat er in oude tijden ook mensen waren die de verleiding om op zondag te gaan winkelen niet konden weerstaan.

Door dag voor dag in hun dagelijkse voedsel te voorzien, probeerde Jehova geloof te leren aan een natie die in vierhonderd jaar tijd het geloof van hun vaderen grotendeels was verloren. Hij leerde hun om in Hem te vertrouwen, want er staat geschreven: ‘Vertrouw op Mij bij iedere gedachte; twijfel niet, vrees niet’ (LV 6:36). Hij verschafte hun dag voor dag voldoende. Uitgezonderd op de zesde dag konden ze voor de daaropvolgende dag of dagen geen manna opslaan. Waar het om gaat is dat de kinderen Israëls zich dagelijks op Hem moesten verlaten en erop moesten vertrouwen dat er de volgende dag voldoende manna zou vallen. Op die manier zouden ze Hem nooit lang vergeten.

Ook wil ik er, tussen twee haakjes, op wijzen dat veertig jaar manna niet bedoeld was als aalmoes. Toen de stammen van Israël weer in een positie waren dat ze voor zichzelf konden zorgen, werd dat ook van hen verwacht. Toen zij de Jordaan waren overgestoken en gereed waren om Kanaän te veroveren, te beginnen bij Jericho, staat er geschreven: ‘en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land [dat wil zeggen, de oogst van het vorige jaar]. […]

‘En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde’ (Jozua 5:11–12).

Evenzo moeten wij, terwijl wij God om ons dagelijks brood vragen — om hulp die we zelf niet voorhanden hebben — nog steeds aan de slag gaan en datgene doen wat wel in onze macht ligt.

Vertrouw de Heer — er komen oplossingen

Een tijdje voordat ik als algemeen autoriteit werd geroepen, kreeg ik zakelijke problemen die een paar jaar aanhielden. Ze waren niet het gevolg van wangedrag of kwaadwilligheid; soms gebeuren dingen nu eenmaal. Soms waren de problemen erger dan anders, maar ze waren er altijd. Soms kwam door deze problemen het welzijn van mij en mijn gezin in het geding en leek onze financiële ondergang gevaarlijk dichtbij. Ik bad om een wonderbaarlijke bevrijding. Hoewel ik daar vaak vurig en oprecht om gebeden heb, was het antwoord uiteindelijk ‘Nee.’ Ten slotte leerde ik te bidden wat de Heiland eens gebeden had: ‘Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiedde’ (Lucas 22:42). Ik raadpleegde de Heer bij elk stapje op weg naar de uiteindelijke oplossing.

Er waren tijden dat de financiële nood zo hoog was, dat er echt niemand was bij wie ik kon aankloppen, niemand bij wie ik voor hulp terecht kon om aan mijn financiële plichten te kunnen voldoen. Ik kon niets anders doen dan telkens voor mijn hemelse Vader neer te knielen en in tranen om hulp te vragen. En Hij heeft mij geholpen. Soms was het niet meer dan een vredig gevoel, een geruststellend gedachte, dat het in orde zou komen. Ik zag niet altijd hoe of wat, maar Hij gaf mij, direct of indirect, te verstaan dat Hij een weg zou bereiden. De omstandigheden veranderden, er kwamen nieuwe, nuttige ideeën, er waren onverwachte inkomsten, meevallertjes die precies op tijd kwamen. Hoe dan ook kwam er een oplossing.

Hoewel ik er toen flink onder leed, ben ik, nu ik erop terugkijk, dankbaar dat er geen snelle oplossing voor mijn probleem was. Omdat mijn omstandigheden mij er vele jaren bijna dagelijks toe dwongen om mij tot God te wenden, leerde ik hoe ik moest bidden, hoe ik antwoord op gebed kon krijgen, en hoe ik op een zeer praktische manier geloof in God kon hebben. Ik heb mijn Heiland en mijn hemelse Vader leren kennen op een manier die misschien anders aan mij voorbij was gegaan of waar ik anders veel langer over gedaan had. Ik heb geleerd dat dagelijks brood een kostbaar goed is. Ik heb geleerd dat het hedendaagse manna net zo reëel kan zijn als het manna uit de Bijbelse geschiedenis. Ik heb geleerd om met mijn hele hart op de Heer te vertrouwen. Ik heb geleerd om Hem dagelijks te raadplegen.

Werk aan grote problemen in kleine, dagelijkse stukjes

God om ons dagelijks brood vragen, in plaats van dat wekelijks, maandelijks of jaarlijks te doen, is ook een manier om ons op de kleinere, meer beheersbare stukjes van ons probleem te concentreren. Als we met een heel groot probleem te maken krijgen, moeten we er misschien in kleine, dagelijkse stukjes aan werken. Soms kunnen we niet meer aan dan één dag tegelijk (of misschien zelfs maar een deel van de dag). Ik zal je een niet-schriftuurlijk voorbeeld geven.

In het boek Lone Survivor, dat ik onlangs las, wordt het tragische verhaal verteld van vier commando’s van de Amerikaanse marine, die vijfenhalf jaar geleden een geheime missie uitvoerden in een afgelegen deel van Afghanistan. Toen ze onbedoeld werden ontdekt door herders, twee mannen en een jongen, stonden deze speciaal opgeleide commando’s voor de keuze om de herders te doden of ze te laten gaan, in het besef dat als ze ze in leven lieten, de herders de locatie van de groep zouden doorgeven en ze onmiddellijk zouden worden aangevallen door al Qaeda en de Taliban. Niettemin lieten ze de onschuldige herders gaan. In het vuurgevecht dat volgde, wist alleen de auteur, Marcus Luttrell, de aanval van ruim honderd man te overleven.

In zijn boek verhaalt Luttrell de extreem zware opleiding die iemand dient te doorlopen om tot de commandotroepen van de Amerikaanse marine te worden toegelaten. Van de 164 man in de lichting waarvan Luttrell deel uitmaakte, wisten slechts 32 man de opleiding te voltooien. Ze doorstonden weken van zware lichamelijke inspanning, zoals zwemmen in ijskoud zeewater, roeien en rubberboten dragen, duurlopen door het zand, honderden push-ups per dag, tientallen kilometers afleggen met een boomstam op de schouder, hindernisbanen nemen enzovoort. Ze bevonden zich constant op de rand van de uitputting.

Ik was onder de indruk van wat een hoge officier tegen de overgebleven commando’s zei toen ze aan de laatste en zwaarste fase van hun opleiding begonnen.

‘Ten eerste,’ zei hij, ‘moet je niet opgeven als je moet afzien. Je moet gewoon doorgaan, ook als het pijn doet. Houd vol tot de dag erop zit. En mocht je dan nog twijfels hebben, denk dan heel goed na, voordat je ermee kapt. Ten tweede, leef met de dag. Eén [fase] tegelijk.

‘Sta niet toe dat je gedachten met je aan de loop gaan, dat je ermee kapt omdat je toekomst er donker uitziet en je je afvraagt of je het wel aankunt. Maak je geen zorgen over de pijn van morgen. Zorg dat je door de dag heen komt, en dan wacht je een geweldige toekomst.’1

Doorgaans is het goed om in te schatten wat je te doen hebt en je daar op voor te bereiden. Maar soms is de raad van die commandant verstandig: ‘Leef met de dag. (…) Maak je geen zorgen over de pijn van morgen. Zorg dat je door de dag heen komt.’ Je zorgen maken over wat er wel of niet kan gebeuren, heeft een remmende werking. Het kan ons verlammen, zodat we voortijdig afhaken.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw onderging mijn moeder een operatie in verband met borstkanker. Alsof dat niet moeilijk genoeg was, werd de operatie gevolgd door een tiental bestralingsbehandelingen onder wat we nu nogal primitieve medische omstandigheden zouden noemen. Ze herinnert zich dat haar moeder haar in die tijd iets leerde waar ze sindsdien veel profijt van heeft gehad: ‘Ik was zo ziek en zwak, dat ik op een dag tegen haar zei: “O, mama, ik geloof niet dat ik nog zestien van die behandelingen aankan.” Haar moeder vroeg: “Denk je dat het je vandaag lukt?” “Ja.” “Wel, lieverd, meer hoef je vandaag niet te doen.” Dat heeft mij vaak geholpen om met de dag te leven of één ding tegelijk te doen.’

De Geest kan ons laten voelen wanneer we vooruit dienen te kijken en wanneer we ons alleen dienen te bepalen tot die ene dag of tot dat ene moment. Als we erom vragen zal de Heer ons door de Heilige Geest laten weten wanneer het verstandig is om het gebod dat Hij aan zijn apostelen vanouds heeft gegeven op ons leven toe te passen: ‘Weest dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zijn eigen zaken zorgen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’ (3 Nephi 13:34; zie ook Matteüs 6:34).

We hebben ‘dagelijks brood’ van God nodig om ons potentieel te verwezenlijken

Ik heb erop gewezen dat God om dagelijks brood vragen belangrijk is om op God te leren vertrouwen en onze dagelijkse problemen aan te kunnen. We hebben ook een dagelijks deel goddelijk brood nodig om te worden wat we moeten worden. Tot bekering en verbetering te komen en uiteindelijk ‘de maat van de wasdom der volheid van Christus’ (Efeziërs 4:13) te bereiken, zoals Paulus het onder woorden bracht, is een geleidelijk proces. Nieuwe goede gewoontes aanleren, of slechte gewoontes of verslavingen afleren, houdt meestal in dat we er vandaag aan werken, en morgen weer, en de dag daarna, misschien wel vele dagen, zelfs maanden en jaren, totdat we de zege hebben behaald. Maar we kunnen het omdat we God dagelijks om brood vragen, om de hulp die we elke dag nodig hebben.

Dit is de tijd van goede voornemens, en ik zou de woorden van president N. Eldon Tanner, voormalig raadgever in het Eerste Presidium: ‘Laten we ons, nu we nadenken over de waarde van persoonlijke verbetering, ten doel stellen onze voornemens zorgvuldig uit te kiezen, bij onszelf na te gaan waarom we juist die voornemens kiezen en ons er, ten slotte, aan te houden en ons er door niets of niemand vanaf te laten houden. Laten we onszelf er elke ochtend aan herinneren dat we ons die dag aan ons goede voornemen kunnen houden. En als we dat doen, zal het gemakkelijker worden, totdat het een gewoonte wordt.’2

Ruim een jaar geleden besprak ouderling David A. Bednar hoe belangrijk het is voor een gezin om consequent te zijn in eenvoudige dagelijkse gewoontes zoals gezinsgebed, schriftstudie en gezinsavond. Die ogenschijnlijk kleine, dagelijkse stapjes zijn van groot belang voor een groot werk, met inbegrip van vorderingen op het pad van het discipelschap. Ouderling Bednar vergeleek de dagelijkse handelingen met de penseelstreken op een doek die samen na verloop van tijd een schilderij opleveren. Hij zei:

‘In mijn kantoor hangt een prachtig schilderij van een tarweveld. Het schilderij bestaat uit vele afzonderlijke penseelstreken, die elk op zich weinig voorstellen of indruk maken. Als je dicht bij het doek staat, zie je eigenlijk alleen maar een reeks schijnbaar losse en lelijke gele, gouden en bruine strepen verf. Als je echter wat verder van het doek gaat staan, vormen de losse penseelstreken samen een prachtig korenlandschap.

‘(…) Maar net als de gele, gouden en bruine strepen verf elkaar aanvullen en samen een indrukwekkend meesterwerk vormen, kan het consequent doen van ogenschijnlijk kleine dingen grote geestelijke gevolgen hebben. “Welnu, wordt niet moede goed te doen, want gij legt het fundament van een groot werk. En uit het kleine komt het grote voort.” (LV 64:33).’3

President Ezra Taft Benson heeft in verband met bekering deze raad gegeven:

‘In ons streven naar een meer [christelijke levenswandel] moeten we ervoor waken dat we niet ontmoedigd raken en onze hoop verliezen. Een christelijke levenswandel komt ons niet aanwaaien, vaak komen de groei en verandering langzaam en haast onmerkbaar. In de Schriften staan verhalen over mannen wier leven als het ware van de ene op de andere dag op dramatische wijze veranderde: Alma de Jonge, Paulus op weg naar Damascus, Enos die tot diep in de nacht bad, Koning Lamoni. Dergelijke verbazingwekkende voorbeelden van hoe zelfs de grootste zondaar tot bekering kan worden gebracht, schenken ons het vertrouwen dat de verzoening ook haar uitwerking kan hebben op mensen die de hoop al hebben opgegeven.

‘Maar we moeten voorzichtig zijn als we deze opmerkelijke voorbeelden bespreken. Hoewel ze werkelijk hebben plaatsgevonden, zijn ze de uitzondering op de regel. Tegenover iedere Paulus, iedere Enos en iedere koning Lamoni staan honderdduizenden mensen voor wie zich het bekeringsproces zich veel subtieler, nauwelijks waarneembaar voltrekt. Dag aan dag komen ze dichter bij de Heer, waarbij zij zich er haast niet van bewust zijn dat ze gestalte geven aan een goddelijk leven. Hun leven wordt gekenmerkt door menslievendheid, dienstvaardigheid en toewijding. (…)

‘We moeten de moed niet verliezen. Hoop is een anker voor de ziel. Satan wil dat we dat anker lichten. Op die manier kan hij ons ontmoedigen en uitschakelen. Maar we moeten de moed niet verliezen. De Heer is blij met elke stap voorwaarts, zelfs de kleine, dagelijkse pasjes, waarmee we op Hem willen gaan lijken.’4

Vraag de Heer om hulp als je anderen wil dienen

Denk eraan dat we niet uitsluitend met onszelf bezig moeten zijn als we dagelijks een portie goddelijk brood willen hebben. Als we zoals de Meester willen worden, die niet kwam ‘om Zich te laten dienen, maar om te dienen’ (Marcus 10:45), zullen we zijn hulp inroepen om onze naaste dagelijks te dienen.

President Thomas S. Monson houdt zich beter dan wie ook aan dit beginsel. Hij heeft altijd een gebed in zijn hart of God hem wil laten weten of hij iemand in zijn omgeving, op welke dag of welk tijdstip ook, van dienst kan zijn. Een voorbeeld uit zijn tijd als bisschop maakt duidelijk dat zelfs maar een klein beetje inspanning, met de hulp van de Geest, veel vrucht kan dragen. Ik citeer uit Heidi Swintons biografie van president Monson, To the Rescue:

‘Een van de mensen aan wie [president Monson] hulp bood was Harold Gallacher. Zijn vrouw en kinderen waren actief in de kerk, maar Harold niet. Zijn dochter Sharon had bisschop Monson gevraagd of hij “iets” wilde doen om haar vader te heractiveren. Op zekere dag kreeg bisschop Monson de ingeving om bij Harold op bezoek te gaan. Op een hete zomerdag klopte hij bij Harold G. Gallacher op de hordeur. De bisschop kon Harold in zijn stoel zien zitten, die een sigaret rookte en de krant las. “Wie is daar?” vroeg Harold nors zonder op te kijken.

‘“Uw bisschop,” antwoordde Tom. “Ik kom kennismaken en u dringend verzoeken om met uw gezin naar de kerk te komen.”

‘“Nee, ik heb het te druk”, klonk het minachtend. Hij keurde hem geen blik waardig. Tom dankte hem voor zijn tijd en vertrok. Het gezin verhuisde zonder dat Harold ooit naar de kerk kwam.

‘Jaren later belde ene broeder Gallacher het kantoor van ouderling Thomas S. Monson en vroeg of hij langs mocht komen.

‘“Vraag hem of hij Harold G. Gallacher is”, zei ouderling Monson tegen zijn secretaresse, “en of hij ooit op Vissing Place 55 heeft gewoond, en of zijn dochter Sharon heet.” Toen de secretaresse dat deed, kon Harold er niet over uit dat ouderling Monson zich dat allemaal nog herinnerde. Toen ze elkaar kort daarna ontmoetten, omhelsden ze elkaar. Harold sprak: “Ik kom mijn excuses aanbieden omdat ik lang geleden op die zomerdag niet uit mijn stoel ben gekomen om u binnen te laten.” Ouderling Monson vroeg hem of hij actief was in de kerk. Met een zuinig lachje antwoordde Harold: “Ik ben tweede raadgever in de bisschap van mijn wijk. Uw verzoek om naar de kerk te komen, en mijn afwijzende antwoord, hebben me zo beziggehouden, dat ik besloot er iets aan te doen.”’5

Dagelijkse keuzes hebben eeuwige gevolgen

Door aan ons dagelijks brood te denken, blijven we ons bewust van wat er in ons leven speelt, van het belang van de kleine dingen waaraan we onze tijd besteden. Ervaring leert dat een huwelijk meer gebaat is bij een gestage stroom liefdeblijken, hulp en aandacht om de liefde in stand te houden en de relatie te stimuleren dan een indicenteel groot of duur gebaar. Dat wil niet zeggen, broeders, u die getrouwd bent, dat uw vrouw het niet zou waarderen als ze iets nieuws en moois om aan te trekken zou krijgen, of af en toe een ander cadeautje dat, met een uitroepteken, uiting geeft aan uw gevoelens voor haar (uiteraard binnen de grenzen van uw nogal beperkte budget). Maar het is nu eenmaal zo dat de voortdurende, dagelijkse uiting van genegenheid, zowel in woord als in daad, op den lange duur veel meer zegt.

Evenzo kunnen we met dagelijkse keuzes voorkomen dat bepaalde verraderlijke invloeden ons leven binnenkomen en deel gaan uitmaken van wie we zijn. In een informeel gesprek dat ouderling Neal A. Maxwell en ik jaren geleden met een priesterschapsleider in een ring hadden, kwamen we tot de conclusie dat iemand de meeste pornografie kan mijden door gewoon goede keuzes te maken. Voor het grootste deel is het gewoon een kwestie van zelfdiscipline om weg te blijven van de plekken waar pornografie is, in de winkel of op het internet. We beseffen echter wel dat pornografie jammer genoeg zo algemeen verspreid is, dat zelfs iemand die erbij wegblijft er toch mee geconfronteerd kan worden. ‘Ja’, zei ouderling Maxwell, ‘maar hij kan haar onmiddellijk afwijzen. Hij hoeft haar niet binnen te nodigen en haar een stoel aan te bieden.’ En dat geldt ook voor andere invloeden en gewoontes, zoals een slordig voorkomen, nalatig gedrag, grof taalgebruik, scherpe kritiek, of dingen uitstellen. Als we er dagelijks op letten dat we die zaken niet toelaten, voorkomt dit dat we op een dag wakker worden en tot de ontdekking komen dat we door onze onachtzaamheid een kwaad of zwakte in onze ziel post hebben laten vatten.

In werkelijkheid zijn er op een dag maar weinig zaken die totaal zonder betekenis zijn. Zelfs wat alledaags en monotoon lijkt, kunnen kleine maar belangrijke bouwstenen zijn die na verloop van tijd de discipline, het karakter en de orde scheppen die nodig zijn om onze plannen en dromen te realiseren. Daarom dien je, terwijl je om je dagelijks brood bidt, zorgvuldig na te gaan wat je behoeften zijn, zowel waar het je aan ontbreekt als waartegen je je moet beschermen. Denk voordat je naar bed gaat na over wat er die dag goed en minder goed is gegaan en wat ertoe zal leiden dat de volgende een stukje beter zal gaan. En dank je hemelse Vader voor het manna dat Hij je die dag gegeven heeft. Door je bespiegelingen zul je zijn hulp in je leven zien om bepaalde zaken te doorstaan en andere te veranderen, en zal je geloof in Hem toenemen. Je zult je verheugen in de dag die achter je ligt, die je weer een stap dichter bij het eeuwige leven heeft gebracht.

Jezus Christus is het Brood des levens

Denk er bovenal aan dat we Hem hebben, van wie het manna een voorafschaduwing en een symbool was, het Brood des levens, de Verlosser.

‘Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. (…)

‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.

‘Ik ben het brood des levens.

‘Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven;

‘dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve.

‘Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld’ (Johannes 6:35, 47–51).

Ik geef je mijn getuigenis van de levende werkelijkheid van het brood des levens, Jezus Christus, en van de oneindige kracht en invloed van zijn verzoening. Uiteindelijk is het zijn verzoening, zijn genade, die ons dagelijks brood zijn. We behoren Hem dagelijks te zoeken, elke dag zijn wil te doen, om één met Hem te worden zoals Hij één is met de Vader (zie Johannes 17:20–23). Ik zegen jullie dat als je je hemelse Vader erom vraagt, Hij je je dagelijkse brood zal geven. In de naam van Jezus Christus. Amen.

© 2010 by Intellectual Reserve, Inc. Alle rechten voorbehouden. Engels origineel vrijgegeven: 10/10. Ter vertaling vrijgegeven: 10/10. Titel van het Engels origineel: Give Us This Day Our Daily Bread. Dutch. PD50028437 120

Notes

1. Marcus Luttrell met Patrick Robinson, Lone Survivor: The Eyewitness Account of Operation Redwing and the Lost Heroes of SEAL Team 10 (2007), p. 124.

2. N. Eldon Tanner, ‘Just for Today’, New Era, januari 1975, p. 5.

3. David A. Bednar, Conference Report, oktober 2009, p. 18; of Liahona, november 2009, pp. 19–20.

4. Ezra Taft Benson, ‘Een grote verandering van hart’, De Ster, maart 1990, p. 5.

5. Heidi S. Swinton, To the Rescue: The Biography of Thomas S. Monson (2010), pp. 160–161.

^ Back to top