Skip to Content Skip to Navigation

Uw vrienden staan u bij

Ouderling Ronald A. Rasband
van het Presidium der Zeventig


Ouderling Ronald A. Rasband,  “Uw vrienden staan u bij,”  Mar 2010

CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen • 7 maart 2010 • Brigham Young University

Beste jonge vrienden, ik vind het een eer en een voorrecht om jullie vanavond op deze haardvuuravond van CES toe te spreken. Ik ben dankbaar dat ik hier in het Marriott Center op de campus van de Brigham Young University ben en dat ik jullie, met jullie verschillende omstandigheden en verschillende moedertalen, in vele locaties wereldwijd vergaderd, kan toespreken.  Dank je, dat je gekomen bent. Jullie eren de Heer Jezus Christus door vanavond andere zaken aan de kant te zetten en bij elkaar te komen. Ik vind het fijn dat mijn vrouw, Melanie, en een paar andere gezinsleden en goede vrienden, hier zijn.

Ik bid dat mijn boodschap vergezeld gaat van de Heilige Geest, en dat je in je hart zult voelen dat wat ik zeg relevant is voor jouw omstandigheden en waar je momenteel doorheen gaat.

Het belang van rechtschapen vrienden

Ruim anderhalve eeuw geleden, in maart 1839, zat de profeet Joseph Smith met verschillende anderen ten onrechte maanden vast in de gevangenis in Liberty. Veel kerkhistorici hebben geschreven dat deze periode voor de profeet Joseph ongetwijfeld een van de moeilijkste en donkerste van zijn leven was. Uit zijn woorden: ‘O God, waar zijt Gij?’ (LV 121:1)— opgetekend in afdeling 121 in de Leer en Verbonden — spreekt uitzichtloze eenzaamheid onder de somberste omstandigheden.

De Heer is niet verschenen noch heeft Hij engelen gezonden; Hij verpulverde niet de bewakers noch liet Hij de deur van die vochtige, vieze cel openzwaaien. Waar het op neer komt is dat Hij niets veranderde aan de omstandigheden, maar wel sprak Hij Joseph troost en moed in, zoals niemand anders dat kon: ‘Mijn zoon, vrede zij uw ziel; uw tegenspoed en smarten zullen slechts kort van duur zijn’ (LV 121:7). Het was alsof de Heer zijn arm om Joseph heen sloeg toen Hij zei: ‘Mijn zoon.’ Dat zijn doorvoelde, tedere woorden. En toen plaatste Hij de tegenspoed van Joseph in een tijdskader — ‘van korte duur’.  Wat een belangrijke les voor ons allen. Onze tegenspoed zal kort zijn — in eeuwige termen — en de Heer zal nabij zijn.

Toen zei de Heer dit: ‘Uw vrienden staan u bij, en zij zullen u wederom begroeten met een warm hart en vriendschappelijke handen’ (LV 121:9).

Joseph was in de gevangenis terechtgekomen door het verraad van mensen, van wie sommigen eens zijn naaste medewerkers waren geweest. Maar de Heer maakte het volstrekt helder — ‘Uw vrienden staan u bij.’ Hoe troostrijk moet die verklaring voor de profeet Joseph geweest zijn; en hoe troostrijk voor ons. Denk daar eens even over na, wat het voor jou betekent dat je iemand hebt die je bijstaat, iemand die je vertrouwt in goede zowel als slechte tijden, iemand die je waardeert en steunt, zelfs als jullie niet bij elkaar zijn.

Onze meest gewaardeerde vriend is Jezus Christus zelf. Is er een grotere geruststelling dan die van Hem: ‘Ik zal aan uw rechter- en aan uw linkerhand zijn, (…) en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te schragen’ (LV 84:88)? Zo vaak zijn onze vrienden die ‘engelen (…) rondom’.

Mijn boodschap van vanavond gaat over het belang van het hebben van rechtschapen vrienden. In mijn jeugd legde een geïnspireerde patriarch zijn handen op mijn hoofd en gaf mij door openbaring inzicht in mijn potentieel — wie ik werkelijk ben — en in welke richting ik moest gaan in mijn leven, net zoals een patriarch dat bij jou gedaan heeft.  Ik kreeg te horen dat het mij niet aan vrienden en bondgenoten zou ontbreken, en dat hun vriendschap mij tot zegen zou zijn, zowel stoffelijk als geestelijk. Ik kreeg de raad mijn naaste vrienden te zoeken onder de rechtschapenen, die verlangen de geboden van God te gehoorzamen.

Die passage uit mijn patriarchale zegen en het vers in afdeling 121 zijn mij altijd tot troost geweest.  Bij tijden, vooral als ik niet thuis woonde, heb ik vrede en kracht uit die woorden geput — mijn vrienden stonden mij bij, zelfs al waren we ver van elkaar vandaan.  En in die tijden leerde ik een van de belangrijkste levenslessen, dat hoe lang en hoe ver ik ook weg was geweest, er werkelijk niets was veranderd als mijn vrienden en ik elkaar weerzagen.  We gingen verder waar we gebleven waren, en het was alsof de tijd had stilgestaan.

Waarom leg ik hier de nadruk op? Omdat zoveel mensen in de huidige samenleving bereid zijn die vriendschappen in te ruilen voor videofiguren en sms’jes. Zij willen zich vereenzelvigen met televisiepersoonlijkheden, die voor hen niet meer dan een gezicht op een scherm zijn. Zij kiezen voor ‘doelloos vertier’ in plaats van zich te binden aan een diepe en betekenisvolle relatie die voor eeuwig in de tempel kan worden verzegeld. Ga maar na. Ware vriendschap is gebaseerd op de liefde Gods en anderen laten delen in die liefde. Dat was een van de boodschappen in de gevangenis te Liberty.

Vanaf mijn jeugd in de ring Cottonwood in de Salt Lake Valley heb ik altijd goede vrienden gehad. De vrienden van toen zijn nog steeds mijn vrienden. Sommigen zijn hier vanavond. Zo is het altijd geweest; we waren er altijd voor elkaar.  En mij viel het geluk ten deel dat ik nieuwe vrienden heb gemaakt, die mij ook tot veel steun en zegen zijn geweest.

Als ik aan vriendschap denk, denk ik aan het voorbeeld van president Thomas S. Monson. Overpeins dit onderricht van onze geliefde profeet. Hij heeft gezegd:

‘Vrienden bepalen mede je toekomst. We zijn geneigd om net als onze vrienden te worden en ons te bevinden waar zij zich bevinden. Vergeet niet dat de weg die we in dit leven volgen, de weg bepaalt die we in het volgende leven zullen volgen.

‘Uit een onderzoek dat in verschillende wijken en ringen in de kerk is gehouden, hebben we iets belangrijks geleerd: Mensen met vrienden die in de tempel waren getrouwd, trouwden over het algemeen zelf ook in de tempel, terwijl mensen met vrienden die niet in de tempel waren getrouwd over het algemeen zelf ook niet in de tempel trouwden. En datzelfde geldt ook voor een voltijdzending. De invloed van iemands vrienden leek een zeer dominante factor te zijn — zelfs gelijk aan de invloed van de ouders, van klassikaal onderwijs of de nabijheid van een tempel.

‘Onze vrienden zullen ons succes bevorderen of belemmeren.’ 1 Dat stemt tot nadenken.

Wie zou president Monson niet als vriend willen hebben? Hij geeft zijn treintjes in de kersttijd weg; hij geeft zijn jassen en schoenen weg aan mensen die het niet hebben; hij brengt onnoemelijk veel tijd door met de vergeten mensen in verzorgingshuizen en patiënten in ziekenhuizen; en hij laat ons delen in zijn levensvreugde als hij met zijn oren wiebelt. Je kunt hem niet anders dan aardig vinden. Toen een groep zendelingen werd gevraagd wat hen het meeste aansprak in president Monson, noemden ze bijna allemaal zijn liefde voor mensen.  Een zendeling zei zelfs dat hij wou dat hij naast de profeet woonde, omdat hij wist dat ze goede vrienden zouden worden.

Wat mij betreft sluit de raad van de apostelen en profeten naadloos aan op mijn eigen ervaring en geldt die in het bijzonder voor deze tijd. Ouderling Neal A. Maxwell heeft gezegd: ‘Of we nu jong of oud zijn, we moeten zelf goede vrienden zijn, maar ook onze vrienden met zorg uitkiezen. Door eerst voor de Heer te kiezen, wordt het makkelijker en veiliger om vrienden te kiezen. Denk eens aan de vriendschappelijke banden in de stad van Henoch in contrast met die in de steden Sodom en Gomorra!  De inwoners van de stad van Henoch kozen Jezus en een levenswijze, waarmee ze eeuwige vrienden werden. Er hangt zoveel af van wie en wat wij op de eerste plaats zetten.’2

Vrienden die als mentor optreden

Sommige vrienden zijn verstandige en vertrouwenswaardige mentors. Dat zijn een bijzonder soort vrienden; zij zijn ons voorgegaan en weten de weg. En ook zij staan ons bij. Wie waren de mentors van Joseph Smith? Ik denk meteen aan Moroni; oude discipelen; Johannes de Doper; Petrus, Jakobus en Johannes; Paulus; Josephs ouders; zijn broer Alvin — de lijst is indrukwekkend. We kunnen gerust stellen dat hij zich in goed gezelschap bevond.

Denk eens even aan wie jouw mentors waren en zijn. Verlang je in de toekomst voor anderen als mentor op te treden?  Kunnen anderen dan kracht putten uit jouw getuigenis van het evangelie en van je leren hoe ze succesvol kunnen zijn?

De geschiedenis en de Schriften staan vol voorbeelden van mannen en vrouwen die als rechtschapen mentors optraden. De meest voor de hand liggende is onze Heer Jezus Christus, die in het midden des tijds zijn kerk heeft gesticht. Aan het begin van zijn bediening koos Hij twaalf ogenschijnlijk gewone mannen, die hun baan opgaven en drie jaar in zijn gezelschap doorbrachten. Zij reisden met Hem, luisterden naar zijn toespraken, gebruikten de maaltijd met Hem, waren getuige van de wonderen die Hij verrichtte, en kregen vaak onderricht van Hem. Wat een ongeëvenaarde zegen was het voor hen om les te krijgen van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Ieder van hen veranderde door die bevoorrechte vriendschap.

Een ander voorbeeld zijn Joseph Smith en zijn broer Hyrum, met de profeet dit keer in de rol van geestelijke mentor van zijn oudere broer.   Hyrum, nederig en leergierig, stond Joseph bij. Hij was er bij in de gevangenis in Liberty en liet als eerste het leven in Carthage. Hyrum koos de profeet van God als zijn mentor. Dat was een goede keuze.

In onze tijd, en in mijn functie van algemeen autoriteit, leggen de leden van het Quorum der Twaalf grote interesse voor ons aan de dag. Ze vertellen ons vaak over hun ervaringen en leren ons zo op doeltreffende wijze hoe we onze taken goed kunnen vervullen. Ik herinner mij een uitspraak van Brigham Young toen hij over de profeet Joseph zei: ‘Iedere keer als ik bedenk dat ik Joseph Smith heb gekend, wil ik halleluja roepen.’3 Dat gevoel heb ik ook voor een aantal leiders in onze tijd.

Hoe dan ook, een vertrouwenswaardig persoon met meer ervaring treedt op als een kundig gids en adviseur van een minder ervaren persoon, vormt mede het begrip van die persoon en onderwijst hem in de beginselen die van hem een doeltreffender, sterker, wijzer en waardevoller dienaar van God maken.

Denk eens even na over deze vraag: Wie zijn jouw mentors geweest? Wat heb je van hen geleerd dat je leven heeft veranderd? Hoe hebben ze over je gewaakt? Wat ga je doen met hun voorbeeld om zelf een mentor te zijn voor jongere broers en zussen, vrienden en collega’s — wie een dergelijke vriendschap nodig hebben en verlangen?

Een voorbeeld van een vriend die als mentor optrad

Ik zal u een voorbeeld uit mijn eigen leven geven. Ik ben gezegend met zo’n goede vriend en mentor, namelijk ouderling Jon M. Huntsman — gebiedszeventiger, filantroop, weldoener en stichter van de Huntsman Group of Companies, en mijn vriend.

Ik maakte in 1975 kennis met Jon Huntsman, toen ik 24 was. Ik was quorumpresident ouderlingen van een studentenwijk aan de University of Utah, en Jon Huntsman was mijn hogeraadsadviseur. We werden vrienden en in mijn examenjaar, toen ik mijn studie aan de universiteit aan het afronden was, nam broeder Huntsman mij aan als handelsvertegenwoordiger in zijn bedrijf in plastic.

Een van mijn eerste opdrachten was de cosmeticagigant Avon, kantoor houdend in New York City. Om mij op weg te helpen met deze belangrijke klant vergezelde broeder Huntsman mij hoogstpersoonlijk naar New York City om mij te introduceren. Enthousiast over mijn nieuwe carrière en met de bedoeling een goede eerste indruk achter te laten, droeg ik mijn beste bruine kostuum, met een bruine das en bruine instappers.  Toen we elkaar zagen op de luchthaven zag ik dat meneer Huntsman mij nogal bedenkelijk aankeek. Maar hij zei niets!

Toen we in New York City aankwamen, zei hij dat we nog ergens heen moesten voor we naar Avon gingen. We gingen rechtstreeks naar Brooks’ Brothers, een beroemde kledingzaak voor heren op de chique Madison Avenue. Op weg erheen zei Jon Huntsman zoiets als: ‘Luister Ron, als je een vertegenwoordiger in mijn bedrijf wil zijn, en als je mij wil vertegenwoordigen bij Avon, zul je moeten leren hoe je je moet kleden, hoe je je moet bewegen, en hoe je je in deze nieuwe hoedanigheid moet gedragen.’   En daar voegde hij aan toe: ‘Je draagt nu eenmaal geen bruin kostuum in de zakenwereld in New York City!’ Ten minste, niet als je Jon Huntsman vertegenwoordigt!

Jon kende het personeel van Brooks’ Brothers, en hij keek toe hoe die mij in een gedistingeerd, donkergrijs, streepjeskostuum kleedden — het mooiste kostuum dat ik ooit had gezien, en zeker het mooiste dat ik ooit had gehad. In de tijd dat het kostuum op maat werd gemaakt, kozen we een overhemd, een paar dassen, een riem, en allerlei accessoires uit. Vervolgens liepen we naar de schoenenafdeling, waar Jon mij kennis liet maken met mijn allereerste paar zwarte wingtip schoenen.

Ik neem aan dat broeder Huntsman een bevoorrechte klant bij Brooks’ Brothers was, want toen we de lunch hadden gebruikt, gingen we terug naar de zaak, waar mijn nieuwe garderobe al voor mij klaar bleek te liggen, voor rekening van Jon M. Huntsman.

Ik was Jon uiteraard heel dankbaar dat mij de onnodige gêne van in een fout pak verschijnen, bespaard bleef.   Toen ik mijn bruine kostuum in een tas propte — ja, proppen, want dat is wat ik deed — besefte ik dat hij ervoor had gezorgd dat ik correct gekleed ging! Daarna haastten we ons naar Avon, waar hij mij introduceerde als hun nieuwe accountmanager van zijn bedrijf. Jon leerde mij veel meer dan het belang van er tiptop uitzien. Hij liet mij kennismaken met een hele nieuwe manier van denken, van doen, van mij presenteren aan anderen. Hij was mijn mentor. Dit was de eerste van vele dito waardevolle lessen die ik van hem heb geleerd.

Jaren later toen ik een hoge functie in het bedrijf van broeder Huntsman bekleedde, was ik vaak over de hele wereld op reis. Toen ik terugkeerde van een zakenreis vroeg broeder Huntsman, die toen ringpresident was, mij wat ik in de kerk deed. Ik zei hem dat ik de cursus Evangelieleer in de zondagsschool gaf en daar tevreden mee was. Hij vroeg mij of ik weleens een leidinggevende functie had vervuld. Ik vertelde hem dat ik werkzaam was geweest in verschillende presidiums, maar dat ik voornamelijk les had gegeven, en met plezier.

Toen ik dat aan broeder Huntsman had uitgelegd, vertelde hij mij over een soortgelijke tijd in zijn leven, toen hij in een studentenring was geroepen, eerst als hogeraadslid, en later als bisschop.  Hij zei dat het ideaal aansloot op zijn drukke agenda. En zoals ik daarnet al zei, was het toen dat ik Jon Huntsman voor het eerst ontmoette.

Hij zei dat hij een broeder aan de University of Utah kende, die werkzaam was als ringpresident van een van de universiteitsringen voor gehuwden, die broeders uit de hele Salt Lake Valley voor kerkfuncties in zijn ring kon roepen. Broeder Huntsman vroeg mij of hij die ringpresident kon bellen om mij onder zijn aandacht te brengen. Ik ging ermee akkoord en vergat het gesprek daarna snel, omdat ik wist hoe druk hij het had.

Een tijdje later kreeg ik een telefoontje van Robert Fotheringham, president van de ring die toen University of Utah 1 heette. Hij vroeg of hij en zijn raadgevers bij ons langs konden komen om kennis te maken met mijn vrouw en mij. Niet lang daarna zat het voltallige ringpresidium op de bank in onze huiskamer. Zij vroegen naar onze situatie en wilden onze getuigenissen voelen. Na een diepgaand gesprek met ieder van ons, keken de drie mannen elkaar veelzeggend aan, waarna de ringpresident mij riep als lid van de hoge raad van de ring University of Utah 1. Ze zeiden dat ze al hadden gesproken met de president van mijn thuisring, en dat hij akkoord ging met de roeping — mocht die ervan komen.

Ik aanvaardde die roeping en ging aan het werk in de ring University of Utah 1. Door mijn nieuwe taak waren mijn vrouw en kinderen in de gelegenheid om een fijne op Christus gerichte band op te bouwen met de jonge, gehuwde studenten. Na een tijdje hogeraadslid te zijn geweest, werd ik geroepen als bisschop van wijk 10 in die ring.

Later kwam ik er achter dat broeder Huntsman president Fotheringham had gebeld en hem had gezegd dat hij iemand kende die het waarschijnlijk goed zou doen in een studentenring- of wijk. En zo verschafte mijn goede vriend en mentor, Jon Huntsman, door louter mijn naam te noemen, mij een ander soort dienstverband en ervaring in de kerk.

Ik denk aan de geweldige jonge mensen in die universiteitswijk en de gelegenheid die ik had om verscheidenen aan een baan te helpen, van wie er een hier is vanavond. Het belangrijkste is evenwel dat ik het voorrecht had om te getuigen van onze Heer en Heiland Jezus Christus, en er rechtschapen vrienden bij te krijgen, zoals broeder Huntsman dat met mij had gedaan.

Later, toen mijn vrouw en ik werden geroepen om het zendingsgebied New York Noord te presideren, was het ons voorrecht om met vele toegewijde zendelingen samen te werken. Wij konden hen niet alleen leren hoe ze effectiever in hun roeping van dienstknecht van de Heer Jezus Christus konden zijn, maar ik heb ook contact met ze gehouden en heb hun kunnen helpen met aanbevelingsbrieven, raad, bemoediging, en al onze liefde.    Ik moet wel bekennen dat ik voor geen van hen een nieuw kostuum en wingtips heb gekocht … nog niet tenminste!

Zoals deze voorbeelden aangeven, ben ik een groot voorstander van vriendschappen waarbij de een als mentor optreedt.

Accepteer raad van mentors

Ouderling Neal A. Maxwell die de mentor van velen was — mij inbegrepen — heeft gezegd: ‘Een ieder van ons wordt van tijd tot tijd begeleid, en heeft de kans om anderen te begeleiden. Mijn ervaring is dat de oprechte en betrokken oneliners die binnen dergelijke zorgzame relaties worden gesproken heel lang houdbaar zijn! U kunt zich waarschijnlijk zo drie of vier voorbeelden geven van wat mensen tegen u gezegd hebben — waarschijnlijk een zin of zinsnede — dat u zich nog steeds herinnert. Die ontroeren en raken u nog steeds.’4

Ik denk hierbij aan een jonge moeder die in moeilijke tijden altijd tegen haar kinderen zei: ‘Het gaat ons lukken.’ Ze geloofden haar. Of de zendeling die tegen zijn nieuwe collega, vers van het opleidingsinstituut, zei: ‘Verwacht elke dag een wonder.’  Dat deed hij en dat geloof bepaalde de loop van zijn zending. Of president Monson die aan het eind van zijn toespraak op een jamboree van de scouting aan de oostkust van de Verenigde Staten een jongeman naar voren riep die in een zee van vijfduizend jongeren op de achtste rij van achteren zat. Die jongeman was mijn twaalfjarige zoon, die hij een paar keer eerder had ontmoet. Geloof mij maar, mijn zoon zal nooit vergeten dat president Monson hem bij naam noemde en zei: ‘Chris Rasband, kom naar voren en stel je voor.’ En is er een groter voorbeeld dan Jezus, die zijn blik op een groepje bescheiden vissers liet vallen en deze eenvoudige woorden sprak: ‘Komt achter Mij’ (Matteüs 4:19).  

In deze tijd, door de apostel Paulus omschreven als een ‘zware’ tijd (2 Timoteüs 3:1), door de profeet Joseph Smith een dag van ‘rampspoed’ (LV 136:35) genoemd, en door Nephi in het Boek van Mormon omschreven als een dag waarop de boze ‘in het hart der mensenkinderen [zal] woeden’ (2 Nephi 28:20), geef ik jullie in overweging, beste jonge vrienden, om na te denken over het belang van deugdelijke, goede vriendschappen, met wijze en vertrouwenswaardige mentors.

Soms staan we niet open voor raad; we verzetten ons tegen iemand die met suggesties komt. We denken dat we al weten wat we moeten weten, onze trots speelt ons parten. Als dat gebeurt, verspelen we de wijsheid, informatie of ervaring die anders ons leven ten goede zou komen. Wat zou ik niet hebben misgelopen als ik in mijn relatie tot broeder Huntsman, of in mijn carrière, te trots was geweest om zijn royale aanbod van een nieuw kostuum te accepteren.

Dat is vaak het geval voor onze relatie tot onze ouders, die we als we nog jong zijn soms zien als ouderwets, slecht geïnformeerd, of eenvoudigweg ‘niet hip!’  Soms slaan we dan achteloos hun goede raad in de wind. Velen van ons kennen de uitspraak: ‘Toen ik veertien jaar was, was mijn vader zo onnozel dat ik hem liever niet in mijn buurt had.  ‘Maar toen ik 21 was, stond ik ervan versteld hoeveel de oude man in zeven jaar had bijgeleerd.’ Hoewel we niet weten van wie dit citaat afkomstig is, bevat het een goede boodschap. Moeder en vaders, opa’s en oma’s, hebben veel te bieden. Denk niet te licht over wat zij uit ervaring weten. Stap niet al te licht over de liefde die ze voor jou hebben.   Zij zijn wellicht de beste aardse mentors die je kunt hebben. Mijn vrouw en ik vinden het heerlijk om grootouders te zijn. Wat is het een genot als onze kleinkinderen ons een vraag stellen of om raad vragen over een belangrijke kwestie in hun leven.

Anderen die waardevolle suggesties kunnen hebben, maar die we soms geneigd zijn te negeren, zijn onze schoonouders. Hun ervaringen zijn vaak net zo relevant als die van onze ouders. We doen er goed aan hun mening te respecteren en aandacht te schenken aan hun raad. Velen van jullie hebben nog geen schoonouders, maar, geloof me, dat kan zomaar gebeuren! Sta open voor wat ze je te leren hebben en vraag hen naar hun mening. Daar zal je een verstandiger mens van worden.

Voor iedereen die mijn stem hoort, en voor iedereen die deze boodschap later zal lezen, zijn er vele andere potentiële mentors beschikbaar.  Ik zal er een paar noemen: bisschoppen, ringpresidenten, zendingspresidenten, quorumleiders, professoren, seminarie- en instituutsleerkrachten, vertrouwenswaardige vrienden en collega’s, ZHV-zusters, grootmoeders, en zoveel anderen. Ik heb vaak genoeg mijn voordeel gedaan met hun voorbeeld en leringen, en jij ook! Zorg dat je de meeste profijt haalt uit hun ideeën en laat hun invloed je ook inspireren en tot zegen zijn.

Wees een goede vriend

Het belang van goede vrienden kan niet vaak genoeg onderstreept worden. In het leven is het niet altijd even makkelijk om een goede vriend te worden. Ralph Waldo Emerson heeft een goede raad gegeven toen hij zei: ‘De enige manier om een vriend te hebben, is een vriend te zijn.’5 En het cliché ‘soort zoekt soort’ is nog steeds waar. Als je vrienden met hoge normen wil hebben, die opkomen voor waarheid en deugd, die getrouw zijn aan hun verbonden, moet je zelf zo’n persoon voor hen zijn.

In deze wereld waar er zoveel vuiligheid, losbandigheid en onzedelijkheid is, kunnen goede vrienden veel doen om je te sterken in je weerstand tegen de kwaden van deze tijd. Tot jullie die nog vrijgezel zijn, zeg ik dat goede vrienden je in contact zullen brengen met de soort eeuwige partner die je hoopt te vinden. Dat was ook het geval met mijn vrouw. We waren eerst goede vrienden. Ik heb haar later pas ten huwelijk gevraagd.

Jezus Christus is ons voorbeeld in vriendschap

Nu we het toch over vriendschap hebben, denk eens aan wat de profeet Joseph Smith zag in een visioen over de apostelen die in Engeland predikten: ‘Ik zag de twaalf apostelen van het Lam, die nu op aarde zijn, die de sleutels van deze laatste bediening dragen, in vreemde landen, vermoeid in een cirkel staan, met versleten kleding en gezwollen voeten, met hun ogen naar de grond gericht. Jezus stond in hun midden en zij zagen Hem niet. De Heiland zag hen staan en weende.’6

Hoewel zij Hem niet zagen, stond Jezus hen bij. Zich bewust van hun benarde situatie en sympathiserend met hun ontberingen, was het zijn liefdevolle steun die hen op de been hield op hun zending en die honderden en duizenden nieuwe bekeerlingen in de kerk bracht. De Heiland heeft tegen zijn discipelen gezegd: ‘Gij zijt mijn vrienden’ (LV 84:63).  Het was de Heiland die heeft gezegd: ‘Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden’ (Johannes 15:13). Het was de Heiland die wenkte: ‘Komt tot Mij’ (Matteüs 11:28). In vriendschap, alsook in alle andere beginselen in het evangelie, is Jezus Christus ons grote voorbeeld.

Beste jonge en nieuwe vrienden, vergaderd over de hele wereld, ik geef jullie mijn getuigenis dat dit het evangelie van Jezus Christus is. Ik getuig dat een heel belangrijk aspect van je ervaring in het evangelie het maken van vrienden en het volgen van je mentors is, zoals mij dat is beloofd in mijn patriarchale zegen toen ik negentien was.

Ik eindig waar ik begonnen ben, met een vers dat God tot de profeet Joseph sprak toen die in de gevangenis van Liberty vastzat, en geef in overweging dat dit vers net zozeer voor jou en mij bestemd was, in welke omstandigheden we ons nu ook bevinden:   ‘Uw vrienden staan u bij, en zij zullen u wederom begroeten met een warm hart en vriendschappelijke handen’ (LV 121:9).

Ik bevestig opnieuw de belofte die de Heer in de begindagen van de herstelling van deze kerk heeft gedaan. Ik bid dat ieder gezegend zal worden met rechtschapen vrienden en mentors om gezamenlijk groei door te maken in het evangelie van Jezus Christus.

Deze gedachten en woorden laat ik bij jullie achter in de naam van Jezus Christus, onze Vriend. Amen.

© 2010 by Intellectual Reserve, Inc. Alle rechten voorbehouden. Engels origineel vrijgegeven: 10/09. Ter vertaling vrijgegeven: 10/09. Titel van het origineel: Thy Friends Do Stand by Thee. Dutch. PD50020993 120

Notes

1. Thomas S. Monson, Conference Report, april 1986, pp. 81–82; of Ensign, mei 1986, pp. 64–65.

2. Neal A. Maxwell, Conference Report, oktober 2000, p. 46; of Ensign, november 2000, p. 36.

3. Brigham Young, Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith (2007), 531.

4. Neal A. Maxwell, ‘Jesus, the Perfect Mentor’, Ensign, februari 2001, p. 8.

5. Ralph Waldo Emerson, Bartlett’s Familiar Quotations, 17e uitgave (2002), p. 455.

6. Joseph Smith, History of the Church, 2:381.

^ Back to top