Skip to Content Skip to Navigation

Te weten komen en leren kennen

Rosemary M. Wixom
Algemeen jeugdwerkpresidente


Rosemary M. Wixom,  “Te weten komen en leren kennen,”  May 2011

CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen • 1 mei 2011 • Utah State University

Ik vind het fijn om hier in Logan op de Utah State University te zijn. Toen ik vanavond met mijn man, Jack, door de Sardine Canyon hiernaartoe reed en in deze vallei aankwam, was het in zekere zin alsof ik weer thuiskwam. Ik zal jullie vertellen hoe dat komt.

Hier kwam ik voor mezelf te weten

Op een prachtige herfstdag, jaren geleden, laadden we alles wat we hadden in onze auto. Mijn tweelingzus en ik gingen namelijk naar het hoger onderwijs, en mijn moeder zou ons naar Logan brengen zodat we hier aan de Utah State University konden studeren. We hadden foto’s van deze prachtige campus gezien. Op sommige foto’s zagen we bomen die in een bocht groeiden, zo.  Men zei dat het nooit waait in Logan; de bomen groeien gewoon uit zichzelf zo. Hoe dan ook, we waren opgetogen. We hadden al onze kleding en elke schoen die we hadden plus een etensvoorraad in die auto gestouwd. We konden nauwelijks nog door de raampjes kijken. Toen we deze vallei inreden, was ik echt opgewonden. Ik  was klaar voor ons nieuwe avontuur.

Op de campus kon je die opwinding voelen. Studenten haalden hun auto’s leeg en brachten hun spullen naar hun kamer of flat. Het was voor mijn zus en mij de eerste keer dat we op onszelf gingen wonen, en we voelden ons sterk toen we onze kleren in de kast hingen en onze kamer inrichtten. We hadden twee posters meegenomen. Op de ene stond: ‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet’ (Spreuken 3:5). Onze oudere broer had ons de andere gegeven. Daar stond op: ‘Lippen die sterke drank aanraken, zullen mijn lippen nooit aanraken.’

Toen de auto leeg was, stonden we hier op de stoep voor de Moen Hall met de laatste dingetjes van de achterbank in onze handen. Daar waren we dan, met armen vol ingemaakte perziken zwaaiend naar onze moeder. Toen ze wegreed, werden we ineens geraakt door de realiteit. We keken elkaar aan en met tranen in de ogen zeiden we: ‘Wat hebben we gedaan? Hoe komen we hier bij? Hoe kon wat eens zo avontuurlijk leek nu zo beangstigend en afschrikwekkend lijken?’ Op dat moment had ik geen idee dat ik in de daaropvolgdende jaren op deze campus beslissingen zou nemen die bepalend waren voor de rest van mijn leven. Hier ontdekte ik mijn eigen geloofsovertuiging en moest ik voor mijn geloof opkomen. Ik kreeg vrienden voor het leven. Mijn gebeden werden oprechter. Mijn getuigenis groeide. Ik ontdekte dat achter mijn normen staan en mezelf academisch en geestelijk ontwikkelen een persoonlijke keuze was.

Wie was ik echt? Gedurende die jaren ervoer ik soms nederlagen en falen — en af en toe smaakte ik hoop en succes. Het was een groeiproces van heimwee — ondraaglijke heimwee — naar een verblijdende onafhankelijkheid. Ik leek op Ammon en zijn broeders in het Boek van Mormon en ervoer tegelijkertijd ‘smarten, (…) benauwingen, en (…) onbegrijpelijke vreugde’ (Alma 28:8). Ik besef nu dat ik ons comfortabele huis moest verlaten om vooruitgang te maken en deze levenslessen te leren. Geen wonder dat deze Cache Valley, deze universiteit, deze campus mij zo dierbaar zijn. Hier begon ik mijzelf te kennen en in het proces van mijzelf leren kennen ging ik de Heiland kennen. Wat heb jij in je leven leren kennen en waar was dat?

Vanavond wil ik het met jullie hebben over ‘te weten komen en leren kennen’.

Een plek vinden waar je voor jezelf  te weten kan komen

Toen we de tegenwoordigheid van onze hemelse Vader en ons comfortabele huis in het voorsterfelijk bestaan verlieten om naar deze aarde te komen, waren we klaar om te leren en beproefd te worden. Nu we hier op aarde zijn, zeggen we misschien tot onszelf: ‘Wat heb ik gedaan?’ We volgen hier een pad. We leven naar het plan van onze hemelse Vader — het heilsplan, de volheid van dit evangelie. En het is een plan van geluk! Joseph Smith heeft gezegd dat het heilsplan ‘een van ’s hemels beste gaven aan de mensheid’ is.1

Deze ervaring van de sterfelijkheid kan beangstigend en afschrikwekkend zijn — en gewoon hartstikke moeilijk! De sluier zorgt dat we ons niet herinneren wat we eens wisten. Nu wandelen we in geloof, maar we wandelen ook met de zekerheid dat we met de hulp van de Heer te weten kunnen komen wat we eens wisten. Onze hemelse Vader houdt heel veel van ons. We zijn geschapen met de bedoeling dat we niet alleen bij Hem terugkeren maar ook net zoals Hij worden. Nu zijn we aan het herontdekken hoe goed we Hem kenden. Brigham Young heeft gezegd: ‘U kent God, onze hemelse Vader, heel goed (…) want eenieder van u heeft in zijn huis gewoond en jaar in jaar uit met Hem samengeleefd [in het voorsterfelijk bestaan]; en toch streeft u er [nu op deze aarde] naar om Hem te leren kennen, terwijl u in werkelijkheid slechts vergeten bent wat u al wist.’2

We kenden Hem toen, maar alleen door moeite te doen, zullen we Hem hier leren kennen. We zijn niet alleen in deze zoektocht, want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal aan uw rechter - en aan uw linkerhand zijn, en mijn Geest zal in uw hart zijn, en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te schragen’ (Leer en Verbonden 84:88).

Alma leerde de Heiland kennen en ging de mensen toen onderwijzen bij de wateren van Mormon. Hij ‘predikte hun bekering en verlossing en geloof in de Heer’ (Mosiah 18:7). Hier sloten de mensen een doopverbond om ‘te allen tijde en in alle dingen en op alle plaatsen als getuige van God op te treden … , zodat (…) [zij] het eeuwige leven [zouden] hebben’ (Mosiah 18:9). Ze groeiden in geloof, ze leerden de sabbat heiligen, ze leerden met hun eigen handen voor hun levensonderhoud arbeiden en ze ‘wandelden in oprechtheid voor het aangezicht van God, elkaar zowel stoffelijk als geestelijk gevende’ (Mosiah 18:29; zie vss. 20–29).

Verder lezen we: ‘En nu geschiedde het dat dit alles plaats vond in Mormon, ja, bij de wateren van Mormon, in het woud dat bij de wateren van Mormon was; ja, de plaats Mormon, de wateren van Mormon, het woud van Mormon, hoe liefelijk zijn zij in de ogen van hen die daar tot de kennis van hun Verlosser zijn gekomen’ (Mosiah 18:30).

Waarom worden we in deze tekst tot de wateren van Mormon getrokken door het landschap er omheen? Wat voor gevoel krijgen we over die plek — de wateren van Mormon — door die beschrijving? Misschien moeten wij ook eens over het landschap om ons heen nadenken en over de rol die het speelt in onze zoektocht naar de kennis van onze Verlosser.

Dit is het moment. Als je dat nog niet gedaan hebt, is dit het moment om de plek uit te zoeken waar je tot de kennis van je Verlosser kunt komen. Waar zijn jouw wateren van Mormon? Hoe liefelijk is die plek in jouw ogen?

Om die liefelijke plek te kunnen vinden, kun je jezelf de volgende vier vragen stellen:

1. De Heilige Geest leren kennen

Vraag 1: Hoe kan ik de Heilige Geest leren voelen?

Een jongeman in zijn tienerjaren had als jong kind van nog geen drie jaar iets meegemaakt. Hij was geadopteerd door een gezin dat lid was van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Zijn situatie veranderde drastisch toen hij geadopteerd werd, zijn huis in Oost-Europa verliet en naar het oosten van de Verenigde Staten ging — een land met een nieuw gezin, een nieuwe taal en nieuwe gevoelens. ’s Zondags brachten zijn nieuwe ouders hem naar de kinderkamer. Daar in de kerk, in die kinderkamer aan het einde van de gang, voelde hij het — daar ervoer hij een veiligheid en liefde die hij nooit eerder had gevoeld. Het was de eerste keer dat hij de Geest echt herkende. Nu, als tiener, gaat hij af en toe nog naar het einde van de gang, naar diezelfde kinderkamer, om de geluiden te horen, de taferelen te zien en de Geest te voelen die hij toen voelde. Hoe liefelijk is die kinderkamer in de ogen van dat kind dat daar de Heilige Geest leerde voelen.

Mormon zegt tegen ons: ‘(…) dankzij de zachtmoedigheid en nederigheid van hart komt het bezoek van de Heilige Geest, welke Trooster vervult met hoop en volmaakte liefde’ (Moroni 8:26).

Mormon beschreef wat de Heiland later ook beschreef: ‘(…) u zult mijn Geest ontvangen, de Heilige Geest, ja, de Trooster, die u de vredige dingen van het koninkrijk zal leren’ (Leer en Verbonden 36:2).

In het boek Alma lezen we hoe de zoons van Mosiah de Heilige Geest leerden voelen. Er staat:

Er staat: ‘(…) zij hadden de Schriften zorgvuldig onderzocht om het woord Gods te leren kennen.

‘Maar dat was niet alles; zij hadden zich overgegeven aan veel gebed en aan vasten’ (Alma 17:2–3).

En toen gingen ze onderwijzen. Dat waren gewone jongemannen die opmerkelijke moed hadden vanwege de Heilige Geest en hun verlangen om het woord van God te kennen.

Ammon zei: ‘een deel van die Geest woont in mij, hetgeen mij kennis geeft, en ook kracht volgens mijn geloof en verlangens die in God zijn’ (Alma 18:35).

Lamoni’s vader voelde de Geest door het onderricht van Aäron en zei: ‘Ik zal alles wat ik bezit opgeven, ja, ik zal afstand doen van mijn koninkrijk om die grote vreugde te kunnen ontvangen’ (Alma 22:15).

Zowel Lamoni als Lamoni’s vader voelden de Heilige Geest toen ze van het heilsplan hoorden. Onze huidige zendelingen, vervuld van de Heilige Geest, brengen diezelfde boodschap overal ter wereld. Aan wie van jullie een zending heeft vervuld: Weet je nog hoe je de kracht van de Geest voelde als je getuigde van de waarheid van het evangelie van Jezus Christus?

Een zendelinge die op weg was naar het vliegveld zei: ‘Ik ben bang om naar huis te gaan. Stel dat ik de Geest na mijn zending niet meer zo sterk voel als nu?’

Ik zei tegen haar: ‘Als je de Heilige Geest bij je uitnodigt en goed leeft, zal Hij altijd bij je zijn.’

2. Te weten komen dat het Boek van Mormon waar is

Vraag 2: Hoe kom ik te weten dat het Boek van Mormon waar is?

Tijdens een bijeenkomst op BYU–Idaho in juni 2004 vertelde ouderling Clayton M. Christensen, docent aan de Harvard Business School, over zijn besluit om te ontdekken of het Boek van Mormon waar was. Toen hij aan de BYU afgestudeerd was, kreeg hij een beurs om naar de Oxford University in Engeland te gaan. In die tijd stelde hij vast dat hij ‘niet eens wist of het Boek van Mormon waar was. Op dat moment had hij het Boek van Mormon al zeven keer gelezen. Iedere keer was hij, aan het eind van het boek gekomen, in gebed neergeknield en had God gevraagd om hem te laten weten of het waar was, en had hij geen antwoord gekregen. Toen hij nadacht over de vraag waarom hij geen antwoord had gekregen, besefte hij dat hij iedere keer dat hij het boek had gelezen, dat in opdracht had gedaan, van zijn ouders, een BYU-leerkracht, zijn zendingspresident of een seminarieleerkracht, en dat zijn doel steeds was om het boek uit te lezen. Maar dit keer wilde hij per se zelf weten of het Boek van Mormon waar was. Tot op dit punt in zijn leven had hij geleund op een geloof in de vele leerstellingen van de kerk en op een vertrouwen in zijn ouders, omdat hij wist dat zij wisten dat het waar was en hij vertrouwen had in zijn ouders. Maar toen hij in Oxford aankwam, moest hij uiteindelijk voor het eerst in zijn leven echt zelf weten of het waar was.’

Oxford is een van ’s werelds oudste universiteiten. Hij woonde in een gebouw dat in 1410 was gebouwd. Hij zei dat het ‘prachtig was om te zien, maar vreselijk om in te wonen. Ze hadden ergens een gat in de muur gemaakt en daar een kacheltje geplaatst. Hij besloot getrouw iedere avond van elf tot twaalf uur in het Boek van Mormon te lezen om te weten te komen of het waar was.’ Hij vroeg zich af of hij ‘er zo veel tijd aan mocht besteden omdat hij deelnam aan een veeleisend academisch programma voor de studie toegepaste econometrie, en hij ging proberen het programma in twee jaar in plaats van drie af te ronden, en hij wist gewoon niet of hij het zich kon permitteren om hiervoor een uur per dag te reserveren. Maar hij deed het wél. Hij begon om elf uur door bij de stoel bij de verwarming te knielen en hardop te bidden. Hij vertelde God hoe wanhopig hij was om erachter te komen of dit een waar boek was en hij vertelde Hem dat hij, als God hem zou openbaren dat het waar was, zijn leven zou wijden aan het opbouwen van zijn koninkrijk. En hij vertelde de Heer dat hij het ook moest weten als het niet waar was, want dan zou hij zijn leven wijden aan uitzoeken wat er dan wél waar was.’ Vervolgens ging hij in de stoel zitten en las een bladzijde in het Boek van Mormon, en als hij onderaan de bladzijde kwam, stopte hij, dacht na over wat hij op die bladzijde had gelezen, en vroeg zichzelf af: ‘Kan dit geschreven zijn door een bedrieger die mensen probeerde te misleiden, of is dit echt geschreven door een profeet van God? En wat betekent het voor mij in mijn leven?’ En dan legde hij het boek neer, knielde in gebed en vroeg God weer hardop: ‘Vertel me alstublieft of dit een waar boek is.’ Dan ging hij weer in de stoel zitten, sloeg de bladzijde om en las weer een bladzijde, pauzeerde onderaan en deed hetzelfde. Dat deed hij iedere avond een uur lang, avond na avond, in die koude, vochtige kamer op het Queen’s College in Oxford.’

‘Toen hij ‘bij de hoofdstukken aan het eind van 2 Nephi kwam, voelde hij op een avond toen hij bad en in zijn stoel ging zitten en het boek opendeed plotseling een heerlijke warme, liefdevolle geest die hem omgaf en tot in zijn ziel doordrong en hem van een liefde vervulde die hij nooit voor mogelijk had gehouden. En hij begon te huilen en … hield niet op met huilen omdat hij door zijn tranen naar de woorden in het Boek van Mormon kijkend, waarheid in deze woorden kon zien die hij nooit had gedacht te kunnen begrijpen. Hij kon de heerlijkheid van de eeuwigheid zien, en hij kon zien wat God voor hem als een van zijn zoons in petto had. En hij wilde niet eens ophouden met huilen. Die geest bleef het hele uur bij hem en van toen af aan keerde die geest iedere avond dat hij daar bad en met het Boek van Mormon bij de kachel in zijn kamer zat terug en veranderde dat zijn hart en zijn leven voorgoed.’

Nu, zegt hij, ‘kijkt hij terug op het dilemma waar hij mee zat, of hij het zich kon permitteren om elke dag een uur van zijn studie te reserveren om uit te vinden of het Boek van Mormon waar was. Hij zegt dat dit, van alle onderwijs dat hij heeft gevolgd, absoluut de nuttigste kennis is die hij ooit heeft verkregen.’

Hij gaat nog graag terug naar Oxford. Hij zegt daarover: ‘De meeste mensen daar zijn studenten of toeristen die naar de prachtige universiteit komen kijken.’ Maar hij komt er graag omdat het een heilige plek is, en hij kan kijken naar de ramen van de kamer waar hij woonde en denken: ‘Dat is de plek waar ik te weten kwam dat Jezus de Christus is en dat Hij mijn levende Verlosser is, en dat Joseph Smith de profeet was van de herstelling van de ware kerk.’

Ouderling Christensen zei tegen die studenten aan BYU–Idaho: ‘Sommige van jullie zijn hier naar Rexburg gekomen en weten zelf al dat dit de kerk van God is. Maar hen die misschien nog op het getuigenis van anderen leven, nodig ik uit om elke dag een uur te reserveren om zelf te weten te komen of het waar is, omdat je hart dan zal veranderen net zoals het mijne.’3

In Johannes 5:39 staat: ‘Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen.’

Ouderling Bruce C. Hafen heeft gezegd: ‘We kunnen het eeuwige leven krijgen als we dat willen, maar alleen als er niets anders is wat we liever willen.’4

De waarheid leren kennen, kost moeite. En hoe meer moeite we doen, des te groter de beloning. Moroni heeft gezegd: ‘En wanneer gij deze dingen ontvangt, spoor ik u aan God, de eeuwige Vader, in de naam van Christus te vragen of deze dingen niet waar zijn; en indien gij vraagt met een oprecht hart, met een eerlijke bedoeling en met geloof in Christus, zal Hij de waarheid ervan aan u openbaren door de macht van de Heilige Geest’ (Moroni 10:4).

3. Het plan van onze hemelse Vader leren kennen

Vraag 3: Hoe kom ik te weten welk persoonlijk plan mijn hemelse Vader voor me heeft?

We maken allemaal keuzen op ons pad terug naar onze hemelse Vader. Zijn plan voor ons is een plan van geluk. Joseph Smith heeft gezegd: ‘Geluk is het doel van ons bestaan.’5 Onze hemelse Vader wil dat wij vreugde beleven. Iedereen kiest zijn eigen route. We zijn verschillend. Onze persoonlijkheid, onze talenten en onze lichamelijke en emotionele eigenschappen zijn verschillend. Sommige zijn door God gegeven. Veel komt voort uit persoonlijke discipline. Onze verlangens kunnen onze tekortkomingen overwinnen.

Hier is een voorbeeld: een meisje uit groep 4 kreeg de diagnose van een visuele geheugenleerstoornis. De schoolpsycholoog zei: ‘Vanwege dit onvermogen om te onthouden en uit het hoofd te leren, zal ze altijd tot de slechtste leerlingen behoren.’ Haar ouders besloten haar niet van haar stoornis op de hoogte te brengen. In haar pogingen om op school succes te hebben, moest ze hard werken om te bereiken wat de meesten met gemak konden. Ze had goede vriendinnen die het goed deden op school. Dat gaf haar kracht. Het kostte haar meer tijd om de tafels te leren in groep 3, en de hoofdsteden van de Verenigde Staten in groep 5. Op de middelbare school schreef ze zich in voor de lessen voor gevorderde leerlingen en maakte steeds meer vooruitgang. De uren en uren die ze doorbracht met studeren, waren een bewijs van haar toewijding. Ze is nu verpleegster op de intensive care voor hartpatiënten, en een heel goede verpleegster! Zij en haar hemelse Vader hadden een plan.

Nog een verhaal: ongeveer een jaar geleden bezocht ik een groep jongevrouwen. De leerkracht vroeg ons om onze tien prioriteiten op te schrijven. Ik begon snel te schrijven. En ik moet toegeven: mijn eerste gedachte begon met ‘Nummer 1, de potlodenla in de keuken schoonmaken’. Toen onze lijstjes klaar waren, vroeg de jongevrouwenleidster ons allemaal om te vertellen wat we hadden opgeschreven. Abby, die net twee maanden daarvoor twaalf was geworden, zat naast mij. Dit was Abby’s  lijstje:

  • 1. Studeren aan de University of Utah.

  • 2. Binnenhuisarchitecte worden.

  • 3. Naar India op zending gaan.

  • 4. In de tempel met een teruggekeerde zendeling trouwen.

  • 5. Een gezin met vijf kinderen en een eigen huis hebben.

  • 6. Mijn kinderen op zending laten gaan en laten studeren.

  • 7. Een koekjesuitdelende oma worden.

  • 8. De kleinkinderen verwennen.

  • 9. Over het evangelie leren en van het leven genieten.

  • 10. Return and live with Father in Heaven.

Ongelooflijk toch! Dankjewel Abby, dat je me leerde hoe we een visie kunnen hebben van het plan dat onze hemelse Vader voor ieder van ons heeft. Je maakt een plan en leeft er zo goed mogelijk naar. Er komen wel wegomleidingen. Misschien is er hier een brug verdwenen en stuit je daar op wegblokkades, of je verdwaalt wel eens, maar je kunt weer naar het pad terugkeren.

President Thomas S. Monson heeft gezegd: ‘Als iets niet precies zo gaat als je het had gepland, kun je het altijd nog rechtzetten. Zet je er overheen en leer ervan.’6 .) Misschien denk je dat er geen weg terug is. De Heiland heeft gezegd: ‘(…) mijn arm is de gehele dag uitgestrekt’ (2 Nephi 28:32). Hij heeft ook gezegd: ‘(…) dit is mijn werk en mijn heerlijkheid: de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van de mens tot stand te brengen’ (Mozes 1:39).  Ik stel me graag voor dat God nog harder zijn best doet dan wij om ons bij Hem terug te brengen.

Ten eerste verwacht Hij van ons dat wij ons plekje in zijn plan vinden en alles doen om daarvoor te leven door de geboden te gehoorzamen en op heilige plaatsen te staan. Als verhoging ons einddoel is, zal onze intentie om dat te bereiken iedere beslissing die we maken gaan aansturen. We bewandelen het pad niet alleen. Hij houdt van ons en Hij kent ons persoonlijk. Hij is bij de details van ons leven betrokken en soms kunnen we zijn hand op onze rug voelen tijdens onze tocht.

4. De Vader en zijn Zoon leren kennen

Vraag 4: Hoe kan ik de Vader en zijn geliefde Zoon leren kennen?

De Vader en zijn Zoon leren kennen is het doel van ons bestaan.

De Heiland zei toen Hij tot de Vader bad: ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’ (Johannes 17:3).

Laman en Lemuël hadden ‘geen kennis van de handelwijzen van die God die hen had geschapen’ (1 Nephi 2:12). C. S. Lewis heeft gezegd: ‘Zolang je hoogmoedig bent, kun je God niet kennen.’7 De tegenstander wil dat wij God niet leren kennen. Hij wil ook dat we ongevoelig zijn, verward, omgeven door lawaai, afleiding en alles wat ons zal weghouden van die rustige momenten waarop we de Heer zoeken. Extreme betrokkenheid bij wat dan ook is een van de middelen van Satan. Alleen wijzelf kunnen genoeg tijd vrijmaken om de Heer te kennen.

Als we nederig, onderdanig of ootmoedig zijn, komen we nader tot Hem. Francis Webster, die in 1856 met de handkargroep van Martin het troosteloze traject door Wyoming volgde, zei ter verdediging van die groep: ‘Voor ieder van ons was de uitkomst een absolute zekerheid dat God leeft, want wij leerden Hem kennen in onze uiterste nood.’8

We leren de Heiland kennen als we Hem in ons leven toelaten. We zijn meer geneigd om te vergeven en hebben een groter verlangen om te dienen als Hij deel uitmaakt van ons leven. Als ons hart open en ontvankelijk is, worden we meer zoals Hij. Dán ontdekken we dat Hij eigenlijk steeds bij ons was. We vinden gemoedsrust. Onze beproevingen zijn geen lasten meer maar zegeningen, omdat ze het pad hebben geplaveid waarover we naar Hem toe konden gaan.

‘(…) wij roemen ook in de verdrukkingen’, zegt Paulus, ‘daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt,

‘en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop;

‘en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is’ (Romeinen 5:3–5).

C. S. Lewis noemt hen die Christus hebben leren kennen ‘nieuwe mensen’. Hij schrijft: ‘De nieuwe mensen zijn hier en daar op de aarde geplant. (…) Af en toe kom je er een tegen. Hun gezicht en hun stem zijn anders dan die van ons, sterker, rustiger, gelukkiger, stralender. Zij beginnen waar de meesten afhaken (…), ze trekken de aandacht niet naar zich toe. Je denkt dat je aardig voor ze bent als zij eigenlijk aardig voor jou zijn. Ze houden meer van je dan andere mensen, maar hebben je minder nodig (…). Het lijkt meestal of ze veel tijd hebben: en je vraagt je af waar ze die vandaan halen …

“… Nieuwe mensen worden, betekent datgene verliezen wat we “onszelf” noemen. We moeten uit onszelf en in Christus gaan. Zijn wil moet de onze worden en we moeten zijn gedachten denken.’9

Het proces waarbij we voor onszelf te weten komen

De Heilige Geest leren voelen, de waarheid van het Boek van Mormon ontdekken, het plan leren kennen dat onze hemelse Vader voor een ieder van ons heeft, en de Vader en de Zoon leren kennen, is een prachtig proces.

Bij ieder verlangen om te leren kennen, te ontdekken, hoort een patroon. Zie je dat?

Nephi omschreef dat patroon met de woorden: ‘Herinnert gij u niet de dingen die de Heer heeft gezegd?— Indien gij uw hart niet verstokt en Mij in geloof vraagt, gelovende dat gij zult ontvangen, en mijn geboden naarstig onderhoudt, zullen deze dingen u zeker worden bekendgemaakt.’ (1 Nephi 15:11).

Kun je het proces herkennen?

Nephi zegt dat het proces het volgende inhoudt:

  • • Een nederig hart hebben.

  • • In geloof vragen. Door gebed de hulp van de Heer inroepen.

  • • IJverig de geboden onderhouden en de wil van de Heer doen.

  • • De hand van de Heer erkennen. Op die manier zal die aan je bekendgemaakt worden. Als je zijn hand in je leven ziet, is dat een bevestiging van zijn liefde. Hoe meer je zijn hand in je leven erkent, des te meer Hij bij je betrokken zal zijn. En zo leer je de Heiland kennen die je ooit hebt gekend.

De mensen bij de wateren van Mormon namen door gebed in geloof toe. Door ijver leerden ze de sabbat heiligen. Ze leerden met hun eigen handen arbeiden en dienden door geestelijk en stoffelijk aan anderen te geven. De zonen van Mosiah onderzochten de Schriften en gaven zich over aan veel gebed en vasten. Ze betaalden de prijs om te leren kennen.

Het viel mij op dat ouderling Christensen hardop bad en de Heer beloofde dat hij, als de Heer hem de waarheid van het Boek van Mormon zou openbaren, zijn leven zou toewijden aan de opbouw van het koninkrijk. Hij was ijverig, en door zijn nachtelijke opoffering kwam hij het te weten.

Abby maakte een plan en ze leeft daar ijverig naar. Haar doel om terug te keren bij haar hemelse Vader zal haar dagelijkse beslissingen leiden. Zij ontdekt gaandeweg dat de Heer een plan voor haar heeft.

Voor onszelf te weten komen, is heel persoonlijk. En misschien maken we dat ‘te weten komen’ vele malen in ons leven mee. Het is het proces van ons herinneren wat we eens al wisten. Onthoud dit: je kent Hem, en als je er ooit aan twijfelt, vraag het dan gewoon. Het Jeugdwerkliedje ‘Gebed van een kind’ begint zo: ‘Hemelse Vader, hoort U mijn gebed, en is het waar dat U daar boven op mij let?10 Ik getuig: Ja! Dat doet Hij! De Heer kan ons onderwijzen als wij vragen. Kniel in gebed en vraag hardop: ‘Ben ik werkelijk uw zoon of dochter? Houdt U van me?’ En luister dan. Vragen is een uiting van grote nederigheid. Vragen is een daad van geloof.

Joseph Smith vroeg als veertienjarige jongen op een mooie plek in New York, bij de plaats Palmyra in een heilig bos, in geloof om te mogen weten. Hij zei: (…) ik [had] twee Personen gezien, en Zij hadden werkelijk tot mij gesproken (…) ik had een visioen gezien; [en] ik wist het, en ik wist dat God het wist, en ik kon het niet loochenen’ (Geschiedenis van Joseph Smith 1:25). ‘En nu, na de vele getuigenissen die van Hem zijn gegeven, is dit het getuigenis, het laatste van alle, dat wij van Hem geven: dat Hij leeft!’ (Leer en Verbonden 76:22).

Bij de graftombe bij Jeruzalem toen aan het eind van de sabbat de zon opkwam voor de eerste dag van de nieuwe week, werden Maria Magdalena en de andere Maria op een mooie plek in een tuin door twee engelen begroet. De engelen zeiden:

‘Weest gij niet bevreesd, want wij weten dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.

‘Hij is hier niet, want Hij is opgewekt.’ (zie Mattheüs 28:1–6, voetnoten 2a, 3a, en 5a; in de Joseph Smith Translation).

Wanneer we de Heiland, Jezus Christus, leren kennen, dan komen we door zijn verzoening te weten dat Hij alle pijn zal verzachten. Hij brengt verlichting en vertroosting voor iedere zorg. Hij kan onze lasten dragen en ons gemoedsrust geven bij ieder gevoel — ieder gevoel — van ontoereikendheid en ieder verlangen naar verandering.

President Ezra Taft Benson heeft gezegd:‘Niets zal ons meer verbazen als we aan de andere kant van de sluier komen dan het besef hoe goed we onze Vader kennen en hoe vertrouwd zijn gezicht voor ons is.’ 11 Wij kennen Hem!

De Utah State University is mijn wateren van Mormon. Deze campus is liefelijk in mijn ogen, want hier begon ik tot een kennis van mijn Verlosser te komen. Ik getuig trots van mijn hemelse Vader en de Heiland. Door de macht van de Heilige Geest weet ik dat zij leven. Zij kennen jou persoonlijk en je bent Hun dierbaar. Je kende Hen goed voordat je naar deze aarde kwam. Houd je op je pad aan Hen vast. Je hemelse Vader staat klaar om je te omarmen. Ik houd van jullie en ik bid voor jullie als zijn kinderen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

© 2011 Intellectual Reserve, Inc. Alle rechten voorbehouden. Engels origineel vrijgegeven: 2/11. Ter vertaling vrijgegeven: 2/11. Vertaling van Coming to Know. Dutch. PD50031652 120

Notes

1. Joseph Smith, History of the Church, deel 2, p. 23.

2. Brigham Young, Discourses of Brigham Young, geselecteerd door. John A. Widtsoe (1954), p. 50.

3. Clayton M. Christensen, “Decisions for Which I’ve Been Grateful” (Brigham Young University–Idaho devotional, 8 juni 2004), http://www.byui.edu/Presentations/Transcripts/Devotionals/2004_06_08_Christensen.htm.

4. Bruce C. Hafen, Liahona mei 2004, p. 98; cursief in origineel.

5. Joseph Smith, History of the Church, deel 5, p.134.

6. Thomas S. Monson, ‘Joy in the Journey’ in Awake, Arise, and Come unto Christ: Talks from the 2008 BYU Women’s Conference (2009), p. 3.

7. C. S. Lewis, Mere Christianity (1980), p. 124.

8. Francis Webster, geciteerd door Gordon B. Hinckley, in Conference Report, oktober 1991, p. 77; or Ensign, november 1991, p. 54.

9. Lewis, Mere Christianity, pp. 223–224.

10. ‘Gebed van een kind’, Kinderliedjes, p. 6.

11. Ezra Taft Benson, ‘Jesus Christ—Gifts and Expectations’, in Speeches of the Year, 1974 (1975), p. 313.

^ Back to top