The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast Archives CES Fireside

Waardering voor heilige zaken

Ouderling D. Todd Christofferson
van het Presidium der Zeventig
CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen
7 november 2004
Brigham Young University

Ouderling D. Todd ChristoffersonIk heb mijn toespraak ‘Waardering voor heilige zaken’ genoemd, want het is belangrijk dat we waardering en eerbied hebben voor dat wat heilig is. Ik ben bang dat als we het over de samenleving in het algemeen hebben, velen in mijn generatie tekort zijn geschoten in het op jullie generatie overbrengen van waardering voor heilige zaken en begrip van de noodzaak om ze te respecteren.

Voor zover dat mogelijk is, hoop ik tegenwicht te bieden aan de slechte voorbeelden die jullie overal om je heen zien. Ik hoop je vermogen te vergroten om te onderscheiden wat heilig is en daar eerbied voor op te vatten.

De vraag waarom het belangrijk is om waardering te hebben voor heilige zaken, is eenvoudig: wie geen waardering heeft voor heilige zaken, raakt ze kwijt. Zonder eerbied voor die zaken, zal zijn houding steeds nonchalanter en zijn gedrag steeds lakser worden. Hij zal afdrijven van de ankerplaats die zijn verbonden met God zouden kunnen bieden. Zijn gevoel dat hij rekenschap moet afleggen tegenover God zal afnemen en vervolgens vergeten worden. Daarna geeft hij alleen nog maar om zijn eigen gemak en het bevredigen van zijn ongebreidelde verlangens. Uiteindelijk gaat hij heilige zaken verachten, zelfs God, en daarna zal hij zichzelf verachten.

Aan de andere kant groeit iemand die wél waardering voor heilige zaken heeft in begrip en waarheid. De Heilige Geest wordt eerst zijn veelvuldige, en daarna zijn voortdurende Metgezel. Hij staat dan steeds meer in heilige plaatsen en krijgt heilige zaken toevertrouwd. Zijn bestemming is het tegengestelde van cynisme en wanhoop, namelijk het eeuwige leven.

Het lijkt tegenstrijdig, maar veel van wat ik over wil brengen, is eigenlijk niet van de ene persoon aan de andere door te geven. Het moet in het innerlijk groeien. Maar ik denk dat ik je wel kan helpen om die zaken te overpeinzen, waarop de Geest op je in kan werken zodat ik of iemand anders je niet hoef te vertellen wat heilig is of hoe je daarop moet reageren — je voelt dat dan zelf aan. Het wordt dan deel van jezelf, en in feite is dat goeddeels al zo.

Soms als we iets willen begrijpen, helpt het om aan het tegengestelde te denken. Het contrast maakt het duidelijk. Dus als we beter willen begrijpen wat het betekent om waardering en eerbied te hebben voor heilige zaken, bekijk dan samen met mij enkele voorbeelden van waardering voor heilige zaken, en een gebrek aan waardering daarvoor.

1. Profeten en Schriftuur

Denk eerst eens aan profeten en Schriftuur. Iets wat we om ons heen zien, en soms zelfs in onszelf, is de neiging om lichtvaardig te reageren op de boodschappers van God en hun boodschappen. Dat is niets nieuws. Sinds de tijd van Adam hebben velen de mensen die de Heer in zijn naam heeft gestuurd, genegeerd en zelfs aangevallen. Jezus beschreef dat in een gelijkenis:

‘Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands.

[Je begrijpt de gelijkenis vast wel: de Heer maakte een wijngaard voor ons, deze aarde, en we zijn zijn pachters of rentmeesters in een sterfelijke toestand, niet in zijn tegenwoordigheid.]

‘Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen.

[Met andere woorden, God stuurt zijn profeten en andere boodschappers om ons te onderwijzen en om ons rekenschap te laten afleggen van ons rentmeesterschap.]

‘Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde.

‘Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze.

‘Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien.

‘Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen’ (Matteüs 21:33–38).

Dat Jezus Christus, de zoon van God, werd verworpen en zelfs ter dood gebracht, was de ultieme godslastering. En die heiligschennis gaat door. We zien tegenwoordig in veel delen van de wereld dat de Zoon van God steeds meer verworpen wordt. Zijn goddelijke aard wordt ter discussie gesteld. Zijn evangelie wordt onbelangrijk geacht. In het dagelijks leven worden zijn leringen genegeerd. Zij die rechtmatig namens Hem spreken, krijgen in de wereldse samenleving maar weinig respect.

Als wij de Heer en zijn dienstknechten negeren, kunnen we net zo goed atheïsten zijn — het eindresultaat is vrijwel hetzelfde. Het is wat Mormon een kenmerk noemt van de toestand na een lange periode van vrede en voorspoed: ‘Te dien tijde kunnen wij zien, dat zij hun hart verstokken, en de Here, hun God, vergeten en de Heilige met voeten treden’ (Helaman 12:2). Daarom moeten we ons afvragen: eerbiedigen wij de Heilige en hen die Hij heeft gestuurd?

Enkele jaren voordat hij zelf als apostel werd geroepen, vertelde ouderling Robert D. Hales iets waaruit de waardering en eerbied bleek die zijn vader voor die heilige roeping had. Ouderling Hales zei:

‘Enkele jaren geleden verwachtte mijn vader, die toen over de tachtig was, op een sneeuwachtige winterdag een bezoek van een lid van het Quorum der Twaalf Apostelen. Mijn vader, die kunstenaar was, had een schilderij gemaakt van het huis van de apostel. In plaats van het schilderij te laten bezorgen, wilde deze lieve apostel het schilderij in eigen persoon ophalen en mijn vader ervoor bedanken. Omdat ik wist dat mijn vader zich druk zou maken over de vraag of alles wel klaar was voor het aanstaande bezoek, ging ik even langs.

Vanwege de dikke laag sneeuw hadden sneeuwploegen voor het pad naar de voordeur een muur van sneeuw opgeworpen. Mijn vader had sneeuw geruimd van de paden, en had vervolgens gezwoegd om de muur van sneeuw te verwijderen. Hij was afgemat en had pijn toen hij weer naar binnen ging. Toen ik arriveerde, had hij pijn in zijn hart wegens de overmatige inspanning en de stress. Ik maakte me zorgen om hem en waarschuwde hem dat die lichamelijke inspanning onverstandig was. Wist hij dan niet wat de gevolgen van dat werk zouden zijn?

‘“Robert,” zei hij tussen het hijgen door, “besef je wel dat er een apostel van de Heer Jezus Christus bij mij thuis komt? De paden moeten schoon zijn. Hij mag niet door een berg sneeuw lopen.” Hij hief zijn hand op en zei: “O, Robert, vergeet nooit wat een voorrecht het is om apostelen van de Heer te kennen en met hen samen te werken, en neem dat voorrecht nooit voor vanzelfsprekend aan.” ’ (Robert D. Hales, Conference Report, april 1992, p. 89; of Ensign, mei 1992, p. 64.)

Ik denk dat het meer dan toeval is dat zo’n vader gezegend is met een zoon die werkzaam is als apostel.

Je kunt je afvragen: ‘Beschouw ik de roeping van de apostelen en profeten als heilig? Vat ik hun raad ernstig op, of vat ik hem lichtvaardig op?’ President Gordon B. Hinckley heeft je bijvoorbeeld de raad gegeven om voor goede scholing en een beroepsopleiding te zorgen; porno te mijden als de pest; vrouwen te respecteren; schulden af te betalen; dankbaar, slim, rein, oprecht en nederig te zijn; veel te bidden; en ons best te doen — ons uiterste best.

Blijkt uit je gedrag dat je wilt weten en doen wat hij ons leert? Bestudeer je actief zijn woorden en de uitspraken van de andere algemene autoriteiten? Is dit iets waar je naar hongert en dorst? Zo ja, dan heb je waardering voor de heilige roeping van de profeten als getuigen en boodschappers van Gods Zoon.

Door de generaties heen is het optekenen van de geschiedenis en het woord Gods een belangrijk aspect geweest van het ambt van profeet. De Schriften zijn heilig. Toen Alma de platen van Nephi en de andere verslagen overdroeg aan Helaman, waarschuwde hij: ‘Gedenk nu, mijn zoon, dat God u deze dingen heeft toevertrouwd, die heilig zijn en die Hij heilig heeft gehouden (...) zie, dat gij voor deze heilige dingen zorg draagt; zie, dat gij tot God opziet en leeft’ (Alma 37:14, 47; cursivering toegevoegd).

Wij hebben een omvangrijke bundel Schriften. Die verslagen gaan terug naar de eerste patriarchen en beslaan een tijdperk tot onze eigen tijd. Ik denk dat meer Schriftuur is dan enig volk in de geschiedenis ooit gehad heeft, en het is beslist algemener beschikbaar dan enige Schriftuur in het verleden. Ik ben ervan overtuigd dat als jullie of ik de oorspronkelijke rollen in handen hadden waarop Mozes heeft geschreven, of de metalen platen die Mormon heeft gegraveerd, we er een sterk gevoel van eerbied en ontzag voor zouden hebben en we er zeer voorzichtig mee om zouden gaan. En zo hoort het ook, want het zijn heilige voorwerpen, en dat zijn ze deels geworden door de inzet en de opoffering van de heilige profeten die ze zo zorgvuldig hebben opgesteld.

Maar de grootste waarde van dergelijke rollen of platen ligt niet in de voorwerpen zelf, maar in de woorden die erop staan. Zij zijn heilig omdat zij het woord van God bevatten. En ook al hebben we niet de oorspronkelijke documenten, we hebben wél de woorden. En daarom is wat wij hebben heilig — heilige Schrift.

Daar wij het woord van God in ons bezit hebben gekregen, moeten we ons afvragen of we de heilige aard van die verslagen wel respecteren. Sommigen hebben de heilige aard van de Schriften verloochend door ze te bespotten of te ontkennen dat ze waar waren. Dat is natuurlijk een zeer ernstige zaak.

Maar voor de meesten onder ons, die de waarheid van de standaardwerken grif erkennen, geldt dat als we ons al schuldig maken aan een gebrek aan respect voor de heilige aard van de Schriften, het door verwaarlozing komt. Het risico waarvoor we dag in dag uit moeten waken, is de neiging om het heilige woord lichtvaardig te behandelen of het zelfs te negeren. In 1832 heeft de Heer al vermanend tot de ouderlingen gezegd:

‘En uw geest is in het verleden verduisterd geweest wegens ongeloof, en omdat gij de dingen, die gij hebt ontvangen, lichtvaardig hebt behandeld

‘Welke ijdelheid en welk ongeloof de ganse kerk onder veroordeling hebben gebracht.

‘En zij zullen onder deze veroordeling blijven, totdat zij zich bekeren en het nieuwe verbond gedenken, namelijk het Boek van Mormon en de geboden, die Ik hun reeds eerder heb gegeven, en niet alleen te spreken, maar te handelen overeenkomstig hetgeen Ik heb geschreven’ (LV 84:54–55, 57; cursivering toegevoegd).

Waardering hebben voor heilige zaken omvat ook waardering, of zelfs liefde, voor de Schriften. Waardering voor heilige zaken leidt ertoe dat men zich verheugt in de woorden van Christus (zie 2 Nephi 31:20; 32:3), wat weer leidt tot grote eerbied voor zijn woorden.

2. Het lichaam — een tempel Gods

Ik wil het nu hebben over een ander voorbeeld van ons thema: de heilige aard van ons stoffelijk lichaam. Zoals God en Christus onze eerbied verdienen, verdienen ook hun werken ons respect en onze eerbied. En dat geldt uiteraard ook voor de aarde, die wonderbaarlijke schepping. Maar, hoe geweldig deze aarde ook is, het is niet de grootste schepping van God. Nog groter is dit fantastische stoffelijke lichaam. Het is geschapen naar het beeld van God. Het is van onmisbaar belang voor onze ervaring op aarde, en de sleutel tot onze eeuwige heerlijkheid.

Ik vond het een zegen om bij de geboorte van al onze vijf kinderen te zijn. Bij elk van die gelegenheden had ik het gevoel iets heiligs mee te maken. Er vond duidelijk iets goddelijks en wonderbaarlijks plaats. Ik kan mijn vrouw al horen zeggen: ‘Makkelijk gezegd voor jou. Jij had geen pijn.’ Het is inderdaad waar dat je bij een geboorte wel degelijk met de ‘harde realiteit’ wordt geconfronteerd. Tegenover alle moeders overal geef ik grif toe dat ik uw pijn niet heb gedeeld en dat ik niet wil beweren dat ik die begrijp.

Maar, serieus: voegt het lijden van een vrouw bij de schepping van een stoffelijk lichaam iets toe aan de heiligheid van die schepping en van die vrouw zelf? Haar opoffering heiligt iets wat al heilig is nog meer.

Sommigen menen onterecht dat ze wat hun lichaam betreft aan niemand verantwoording schuldig zijn. Maar ons wordt concreet gezegd dat wij verantwoording schuldig blijven aan God. ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn’ (1 Korintiërs 6:19–20; vs. 20 naar de Statenvertaling van de Bijbel). ‘Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!’ (1 Korintiërs 3:17.) ‘Ik vermaan u dan, (...) met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst’ (Romeinen 12:1).

Hoe moeten we de heiligheid van deze uiterst belangrijke en heilige schepping van God in stand houden? We moeten ons lichaam op zijn minst niet verontreinigen. Om concreet te zijn: als we waardering voor heilige zaken hebben, schenden we ons lichaam niet met tatoeages en piercings. Sommigen verbazen zich over het feit dat de president van de kerk daar aandacht aan heeft besteed. Ze verbazen zich over de openhartigheid en concreetheid van de raad die hij hierover heeft gegeven. Hij heeft gezegd:

‘Een tatoeage is graffiti op de tempel van het lichaam. Zo is het ook met het doorboren van het lichaam voor een veelvoud aan ringen in de oren, de neus en zelfs in de tong. Hoe ter wereld kunnen ze dat mooi vinden? Het is een gril, maar de gevolgen kunnen blijvend zijn. (...) Het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf hebben verklaard dat we tatoeages afkeuren, en ook “het piercen van het lichaam voor andere dan medische doeleinden” . We nemen echter geen standpunt in “wat betreft een minimaal gebruik van één paar oorringen door vrouwen” — één paar.’ (Gordon B. Hinckley, Liahona, januari 2001, p. 67–68.)

Waarom zou de profeet van God over kwesties spreken die zo onbelangrijk schijnen? Omdat ze niet onbelangrijk zijn. Verontreinigen of schenden van Gods schepping, zijn tempel, is spotten met iets heiligs. Dit kan alleen maar als onbelangrijk beschouwd worden door iemand die zijn waardering voor heilige zaken is kwijtgeraakt. Doe het niet.

Onfatsoenlijke kleding bezoedelt ook het heilige menselijke lichaam. Er zijn al veel rationele verklaringen gegeven om onfatsoenlijke kleding en pornografie te rechtvaardigen. Sommigen beweren vol overgave dat er geen wet aangenomen mag worden om dergelijke uitingen te voorkomen, en stellen vervolgens dat het niet verkeerd kan zijn omdat er geen wet tegen is.

Een ander oud argument is onlangs afgestoft en gebruikt om het poseren van Olympische sportlieden voor pornobladen te rechtvaardigen. Een redacteur zei: ‘Deze vrouwen (...) hebben een fantastisch lichaam, en dit is een kans om ermee te pronken.’ (‘An Olympic Pose Isn’t What It Used to Be’, The Wall Street Journal, 18 augustus, 2004, p. A8.) Wat hij eigenlijk bedoelde, was uiteraard: ‘Ik vind dat ik het recht heb om wat geld te verdienen met die fantastische lichamen.’

Wat de rationele overwegingen ook zijn, je vindt vaak dat de ware motivatie die aan onzedelijkheid ten grondslag ligt iemands verlangen naar winst door prikkeling is, iemands verlangen naar geld. Het lichaam is de tempel van God, en porno en onthullende kleding zijn het bewijs dat de geldwisselaars de tempel weer ontheiligen.

We kunnen het over het woord van wijsheid hebben, en enkele andere zaken, maar van alles wat we kunnen noemen dat het lichaam verontreinigt, is de schadelijkste, de vernietigendste en de kwellendste daad die een gebrek aan eerbied betekent, seksuele onreinheid, en de aanverwante overtreding van seksueel misbruik.

Men kan zich geen fundamentelere verontreiniging van Gods schepping voorstellen dan een schending van het heiligste gebruik ervan. Je moet gewoon niets doen wat daar maar enigszins op lijkt. Doe ook niets wat op het randje is. ‘Ontvlucht de ontucht. (...) Hij die ontucht pleegt, zondigt tegen zijn eigen lichaam’ (1 Korintiërs 6:18, naar de King Jamesvertaling van de Bijbel). ‘Schuw de begeerten der jeugd’ (2 Timoteüs 2:22). ‘Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Weersta de duivel. Dan zal hij bij u weggaan’ (Jakobus 4:8).) ‘[Stelt] uw lichamen [...] tot een levend [...] offer’ (Zie Romeinen 12:1).

3. Heilige plaatsen en gelegenheden

Laten we het nu eens hebben over heilige plaatsen en gelegenheden. De Heer bekritiseerde bij monde van de profeet Ezechiël de priesters in Israël omdat zij de mensen geen respect bijbrachten voor de heilige aard van bepaalde activiteiten en plaatsen:

‘Zijn priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden mijn heilige dingen; tussen heilig en onheilig maken zij geen onderscheid, het verschil tussen onrein en rein onderwijzen zij niet, en voor mijn sabbatten sluiten zij hun ogen; zo word Ik te midden van hen ontheiligd’ (Ezechiël 22:26).

Veel van wat de Heer zei, sloeg op de tempel. Maar er wordt ook gesproken over de sabbat. We zijn zo gewend om onze tempels en kerkgebouwen, die aan de Heer zijn toegewijd, als heilig te beschouwen. Op elke tempel zijn, als eenvoudige herinnering, de woorden ‘De Here gewijd — het huis des Heren’ te vinden. Als we waardering hebben voor heilige zaken, zou dat ertoe moeten leiden dat we ons in en bij die gebouwen eerbiedig gedragen en uitlaten. En het zou ertoe leiden dat we ons op een bepaalde manier kleedden als we erheen gingen.

We hebben al besproken dat onfatsoenlijke kleding het lichaam onteert, wat Gods heiligste schepping is. Ik bedoel daarmee de onfatsoenlijke, nonchalante of slonzige kleding die op bepaalde tijden en plaatsen de heilige aard bespot van wat er plaatsvindt, of die de plaats zelf bespot.

Ik zal jullie een voorbeeld geven. Een tijdje terug kwam een jongevrouw uit een andere staat enkele weken logeren bij haar familieleden in de omgeving van Salt Lake City. De eerste zondag ging ze naar de kerk in een eenvoudige, maar mooie blouse, een rok tot aan de knie, en een lichtgekleurd vest. Ze droeg panty’s en nette schoenen, en haar haar was eenvoudig, maar zorgvuldig gekamd. Haar uiterlijk wekte een indruk van jeugdige elegantie.

Helaas voelde ze zich er meteen al niet thuis. Het leek wel of alle andere jongevrouwen van haar leeftijd vrijetijdsrokken droegen, sommige een eindje boven de knie, met een strak T-shirtachtig topje dat op het middel nauwelijks de bovenkant van de rok raakte (en bij sommigen helemaal niet raakte), geen sokken of kousen, en oude sportschoenen of teenslippers.

Je zou hopen dat de andere meisjes bij het zien van het nieuwe meisje beseften hoe ongepast hun kleding was voor een kapel en een sabbatdag, en onmiddellijk hun leven beterden. Helaas deden zij dat niet, en was het de bezoekster die, om erbij te horen, de mode (als je dat zo kunt noemen) van haar gastwijk overnam.

Het is verontrustend om te zien dat deze toenemende trend zich niet beperkt tot jongevrouwen, maar zich ook uitstrekt tot oudere vrouwen, mannen en jongemannen. Jaren geleden gebruikte mijn wijk in Tennessee het gebouw van een middelbare school voor de zondagsdiensten terwijl ons kerkgebouw, dat door een tornado was beschadigd, werd gerepareerd. Een gemeente van een andere kerk gebruikte dezelfde school voor hun erediensten terwijl hun nieuwe gebouw in aanbouw was.

Ik was geschokt toen ik zag wat de leden van die andere kerk naar hun diensten droegen. Ik zag geen enkele man met een kostuum of een stropdas. Ze leken op weg te zijn naar de golfbaan, of er net vandaan te komen. Het was moeilijk om een vrouw te ontdekken met een jurk of iets anders dan een vrijetijdsbroek of zelfs een korte broek. Als ik niet had geweten dat ze naar die school gingen voor kerkdiensten, zou ik hebben aangenomen dat er een of ander sportevenement plaatsvond.

De vergelijking van de kleding van onze wijkleden met hun slechte voorbeeld viel duidelijk in het voordeel van onze wijk uit, maar ik begin te vermoeden dat we niet meer zo anders zijn, en dat we lijken af te glijden naar die lagere norm. We hadden vroeger de uitdrukking ‘zondagse kleding’. Men begreep dat als zijnde de beste kleding die men had. Wat voor kleding dat was, varieerde al naar gelang de cultuur en economische omstandigheden, maar het was het beste wat ze hadden.

We beledigen God als we naar zijn huis gaan, vooral op zijn heilige dag, en er niet netjes verzorgd uitzien, en niet zo zorgvuldig en fatsoenlijk gekleed als onze omstandigheden maar toelaten. Als een arm lid uit de heuvels van Peru een rivier moet doorwaden om naar de kerk te gaan, zal de Heer beslist niet beledigd zijn als zijn witte overhemd vlekken overhoudt aan het modderige water.

Maar hoe kan het God nu geen verdriet doen als Hij ziet dat iemand die meer kleren bezit dan hij nodig heeft, en die de kerk met gemak kan bereiken, toch met een verkreukelde werker als broek en een T-shirt in de kerk verschijnt. Ironisch genoeg heb ik op mijn reizen rond de wereld gemerkt dat leden van de kerk met het minste geld er op de een of andere manier in slagen om in schone, mooie kleding naar de kerk te gaan — de beste kleren die ze hebben — terwijl mensen die meer dan genoeg hebben, degenen zijn die nog wel eens verschijnen in vrijetijds- of zelfs slonzige kleding.

Sommigen zeggen dat kleding en kapsel niet uitmaken, dat het om je innerlijk gaat. Ik geloof dat het inderdaad draait om iemands innerlijk, maar dat baart me nu juist zorgen. Als iemand zich niet netjes kleedt om naar een heilige plaats of gebeurtenis te gaan, dan zegt dat iets over het innerlijk van die persoon. Misschien is het hoogmoed, of opstandigheid, of iets anders, maar het zegt op zijn minst ‘Ik snap er niets van. Ik snap het verschil niet tussen heilige en wereldse zaken.’ In die toestand is het makkelijk om ze afstand van de Heer te laten nemen. Zij waarderen niet wat zij hebben. Ik maak me zorgen over hen. Als ze geen begrip en waardering kunnen krijgen voor heilige zaken, lopen zij het risico om uiteindelijk al het belangrijke kwijt te raken. Jullie zijn heiligen van de geweldige bedeling in de laatste dagen — zorg ervoor dat dat aan je te zien is.

Die beginselen gelden voor activiteiten en evenementen die op zich heilig zijn, maar ook voor dat wat te maken heeft met zaken die eerbied verdienen — de priesterschapsverordeningen, bijvoorbeeld. Dopen, bevestigingen, ordeningen, bediening van het avondmaal van de Heer, zalven van zieken enzovoort. In de Leer en Verbonden staat dat ‘de macht der goddelijkheid kenbaar’ is in de verordeningen van het priesterschap (LV 84:20).

Alma zegt dat ‘deze ordeningen werden (...) ingesteld, zodat het volk daardoor mocht uitzien naar de Zoon Gods; het was een zinnebeeld van zijn orde, of het was zijn orde; en dit, opdat zij mochten uitzien naar Hem voor een vergeving hunner zonden, opdat zij in de rust des Heren mochten ingaan’ (Alma 13:16).

Ik kan het waarderen als zowel zij die deze verordeningen verrichten als zij die er getuige van zijn of ze ontvangen respect tonen voor het priesterschap en de heiligheid van wat er voorvalt.

Ik waardeer priesters, leraars en diakenen die een net overhemd en een stropdas dragen om het avondmaal te zegenen of te bedienen.

Ik waardeer mannen die, als de omstandigheden dat toelaten, een overhemd en een stropdas aandoen om zieken te zalven. Ik waardeer hen die een priesterschapsordening bijwonen in hun zondagse kleding, ongeacht waar of wanneer die ordening plaatsvindt. Zij allen geven blijk van waardering en respect voor God en voor de gebeurtenis. Zij geven blijk van waardering voor heilige zaken.

En net zoals een heilig moment is als er een leven ontstaat, is het een heilig moment als er een einde komt aan een sterfelijk leven. En ik ben van mening dat dit ook geldt voor de belangrijkste gebeurtenis die men in dit leven kan meemaken — het huwelijk, vooral het eeuwig huwelijk. Daarom baart het me zorgen als ik mensen zie die zich bij deelname aan gebeurtenissen met betrekking tot dood en huwelijk zorgeloos en zelfs oneerbiedig en respectloos opstellen in taalgebruik, kleding en gedrag.

Er zijn uitvaartdiensten waar lichtzinnigheid en ongepaste humor de kop opsteken. Persoonlijke herinneringen, die volkomen gepast zijn als ze met mate worden genoemd, kunnen wel twee uur in beslag nemen, terwijl de verzoening en de opstanding van de Heer en zijn heilsplan slechts in het voorbijgaan genoemd worden, als ze al genoemd worden.

Bij huwelijksplechtigheden en –recepties komen er vaak mensen in vrijetijdskleding. Het lijkt wel of ze de moeite niet willen doen om zich wat netter te kleden dan voor hun werk of vermaak die dag. Met hun kleding zeggen zij in feite dat het huwelijk waarvoor ze zijn uitgenodigd niet veel voor ze betekent.

Onlangs las ik een briefje van een man die zijn collega’s aanmoedigde om een colbert en stropdas te dragen als ze samen bij een openbare gelegenheid verschenen die was georganiseerd om een eerbetoon te brengen aan hun organisatie en hun prestaties. Zij waren in particuliere dienst, het ging dus niet om een kerkelijke aangelegenheid, waardoor we het woord heilig niet zouden gebruiken, maar hij begreep het principe dat sommige zaken respect verdienen en dat onze wijze van kleden daar een uiting van is. Hij zei dat hij zich formeler zou kleden, ‘niet omdat ik belangrijk ben, maar omdat deze gelegenheid zo belangrijk is.’ Zijn opmerking bevat een belangrijke waarheid. Het gaat eigenlijk niet om ons. We passen ons gedrag en onze kleding aan als uiting van respect bij heilige gelegenheden en op heilige plaatsen, omdat het om God gaat.

4. Taalgebruik

Een andere kwestie is dat ook taalgebruik een uiting kan zijn van onze waardering voor heilige zaken. Dat wij verantwoordelijk zijn voor wat wij zeggen, blijkt uit deze uitspraak van de Heer: ‘Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels’ (Matteüs 12:36). Koning Benjamin waarschuwt ons dat wij op onze gedachten en onze woorden moeten letten (zie Mosiah 4:30), en Alma verklaart dat als wij ons niet bekeren, onze woorden ons bij het oordeel ‘zullen [...] veroordelen, ja, (...) wij zullen niet vlekkeloos worden bevonden’ (Alma 12:14).

Jullie weten uit eigen ervaring dat de wereld meer vloekt en meer grove taal gebruikt, maar we mogen onszelf niet tot dat niveau verlagen. Vloeken en grove taal bespotten God en Christus en hun scheppingen. We mogen ons nooit schuldig maken aan het bespotten van de Heiland, zoals bij zijn kruisiging gebeurde.

‘En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,

‘red Uzelf, kom af van het kruis!

‘Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden.

‘Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven. Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem’ (Marcus 15:29–32).

De ‘zonen des verderfs’ staan onder veroordeling omdat zij Christus ‘voor zichzelf [hebben] gekruisigd en [Hem] openlijk te schande hebben gemaakt’ (LV 76:35). We kunnen zoiets in ons eigen taalgebruik niet riskeren. We kunnen ons niet veroorloven om zijn naam lichtvaardig of zorgeloos te gebruiken, en mogen ook niet lichtvaardig of zorgeloos spreken in zijn naam.

In de Leer en Verbonden lezen we deze instructie en waarschuwing:

‘Zie, Ik ben de Alpha en de Omega, namelijk Jezus Christus.

‘Laten daarom alle mensen acht geven hoe zij mijn naam op hun lippen nemen —

‘Want ziet, voorwaar zeg Ik, dat er velen zijn, die onder deze veroordeling staan, dat zij de naam des Heren gebruiken, en deze tevergeefs gebruiken, omdat zij geen gezag hebben. [...]

‘Bedenkt, dat hetgeen van omhoog komt, heilig is, en dat gij er met voorzichtigheid en door de Geest beteugeld over moet spreken; en hierin ligt geen veroordeling, en gij ontvangt de Geest door gebed; daarom, zonder dit blijft er veroordeling’ (LV 63:60–62, 64).

Hoewel wij het gezag hebben om de naam van Jezus Christus te gebruiken, moeten we dat voorzichtig doen. Zij naam en ‘hetgeen van omhoog komt, [is] heilig [...], en [...] gij [moet] er met voorzichtigheid en door de Geest beteugeld over [...] spreken’. Laten we daar aan denken als ons gevraagd wordt om te spreken in de kerk, of ons getuigenis te geven.

Wij weten dat er van ons in die situaties verwacht wordt dat wij ‘in de naam van Jezus Christus’ sluiten, wat betekent dat wat we gezegd hebben, in zijn naam gezegd is. Daarom moeten we extra goed oppassen wat we zeggen en hoe we het zeggen. We mogen geen dwaze dingen zeggen. En boven alles moeten we er door gebed naar streven de Geest bij ons te hebben, zodat we beteugeld door de Geest spreken, en niet onder veroordeling komen.

Ik heb al gezegd dat president Gordon B. Hinckley zijn toespraak vaak afsluit ‘in de heilige naam van Jezus Christus’. Ik wil niet voorstellen dat jullie dat ook doen. Ik denk niet dat hij dat bedoelt, of dat het gepast zou zijn als wij dat gewoonlijk deden. Nee, ik wil erop wijzen dat de profeet sterk de verantwoordelijkheid voelt om in de naam van de Heer te spreken, en dat het voor hem heilig is. Hij gebruikt die naam eerbiedig, en spreekt hem eerbiedig uit, en dat is het voorbeeld dat wij dienen te volgen.

5. De vreze Gods

Mijn laatste voorbeeld zou onder het kopje ‘de vreze Gods’ te scharen zijn. Er zijn in de Schriften heel wat teksten waarin de mens gezegd wordt dat hij God dient te vrezen. In onze tijd intepreteren we dat woord ‘vrezen’ als ‘respect’, ‘eerbied’ of ‘liefde’, wat dus inhoudt dat ‘God vrezen’ betekent dat we God liefhebben of dat we Hem en zijn wet respecteren. Dat is vaak misschien wel een juiste interpretatie, maar ik vraag me af of vrezen soms niet gewoon vrezen betekent, zoals wanneer de profeten het hebben over de vrees om God te beledigen door zijn geboden te overtreden.

Denk bijvoorbeeld eens aan deze spreuk: ‘Door de vreze des Heren wijkt men van het kwaad’ (Spreuken 16:6). Job is eens beschreven als een volmaakt en oprecht mens, ‘godvrezend en [daardoor] wijkende van het kwaad’ (Job 1:1). Een goed voorbeeld van die houding zou Jozef in Egypte zijn. Toen Potifars vrouw hem wilde verleiden, zei Jozef: ‘Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God?’ (Genesis 39:9.) Hij was bang om tegen God te zondigen. Velen in deze tijd zouden Jozefs reactie naïef vinden. Ze zouden lachen om zijn gebrek aan wereldwijsheid, daar zij zelf niet bang zijn om tegen God te zondigen.

Joseph Smith is ook eens terechtgewezen omdat hij niet voldoende om Gods wil gaf. De Heer zei tegen hem: ‘Gij hadt de mens niet meer moeten vrezen dan God. Alhoewel de mensen de raadgevingen van God als niets achten en zijn woorden versmaden — nochtans hadt gij getrouw moeten zijn’ (LV 3:7–8).

Ik stel dat de vrees voor de Heer, of ‘godvrezendheid’ zoals het in de Schriften ook wel wordt genoemd, deel uit zou moeten maken van onze eerbied voor Hem. We zouden Hem zo moeten liefhebben en eerbiedigen dat wij zouden vrezen iets in zijn ogen verkeerd te doen, wat ook de mening van anderen is, of hoe zij ons ook onder druk zetten. Moroni geeft ons deze aansporing: ‘Begint als in tijden van ouds, en komt tot de Here met geheel uw hart, en werkt uw eigen zaligheid uit met vreze en beven voor Hem’ (Mormon 9:27).

Doordat de wereld om ons heen God over het algemeen negeert, kunnen wij makkelijk wel eens vergeten dat wij voortdurend zijn wil moeten kennen en doen. De meeste mensen beseffen of geloven niet dat ieder van ons in de toekomst rekenschap af moet leggen voor de Heer van zijn of haar leven, gedachten, woorden en daden. Onze eigen zaligheid uitwerken met vreze en beven, betekent ons dag in dag uit in onze beslissingen en bezigheden voorbereiden om een positief rapport uit te kunnen brengen over ons leven.

Daar wij gezegend zijn met wat wij ontvangen hebben, kunnen wij geestelijk vooruitgang maken als geen ander, maar wij lopen ook groter risico dan enig ander. Wij kunnen hun zonden niet begaan zonder onder grote veroordeling te komen, want als wij zondigen, zondigen wij tegen een groter licht. Wij kunnen niet lichtvaardig omgaan met de heilige zaken die aan onze zorg zijn toevertrouwd zonder niet meer onschuldig te zijn zoals zij die God niet kennen.

God wil zien of wij getrouw blijven, en als wij de integriteit en fijngevoeligheid hebben om heilige zaken te waarderen, zullen we nog meer ontvangen. Zo niet, dan keren onze zegeningen zich tegen ons en worden zij onze veroordeling. De Heer zegt in de Leer en Verbonden wat de juiste houding of het juiste gedrag is:

‘Daarom wordt hij, die bidt en een verslagen geest heeft, door Mij ontvangen, indien hij mijn verordeningen gehoorzaamt.

‘Hij, die spreekt met een verslagen geest, wiens taal nederig en opbouwend is, is van God, indien hij mijn verordeningen gehoorzaamt.

‘En voorts, hij, die beeft onder mijn macht, zal sterk worden gemaakt en vruchten van lof en wijsheid voortbrengen, overeenkomstig de openbaringen en waarheden, die Ik u heb gegeven’ (LV 52:15–17).

Voeg je naar de vaderlijke smeekbede van Alma aan Corianton: ‘O, mijn zoon, ik verlang, dat gij de gerechtigheid van God niet meer loochent [door te veronderstellen dat de zondaar niet gestraft wordt, of niet gestraft zou moeten worden]. Tracht uzelf niet in het minst wegens uw zonden te verontschuldigen door de gerechtigheid Gods te ontkennen; maar geef de gerechtigheid Gods en zijn barmhartigheid en zijn lankmoedigheid de vrije teugel in uw hart en laten ze u tot in het stof vernederen’ (Alma 42:30).

Een waarschuwing

Ik eindig met een woord van waarschuwing. Met een groot begrip van heilige zaken, neemt je begrip toe. De Schriften noemen het een licht dat ‘[toeneemt] in helderheid tot de volle dag toe’ (LV 50:24). Dat proces wordt ook wel eens voortgaan van genade op genade genoemd. De Heiland zelf maakte op die manier vooruitgang tot Hij een volheid ontving, en jij kunt in zijn voetspoor volgen. (Zie LV 93:12–20.)

Dat is waar waardering voor heilige zaken toe leidt. Bedenk echter altijd dat je, naarmate de heiligheid in je toeneemt en je meer kennis en begrip worden toevertrouwd, voorzichtig met die zaken moet omgaan. We hebben eerder al de tekst behandeld waarin staat dat wat omhoog komt, heilig is en dat we er met voorzichtigheid en door de Geest beteugeld over moeten spreken. De Heer heeft ook geboden, en Hij heeft het nogal direct gezegd, dat we geen parels voor de zwijnen moeten gooien, of het heilige aan de honden moeten geven (zie 3 Nephi 14:6 en LV 41:6), wat betekent dat heilige zaken niet onthuld mogen worden aan, of besproken met, mensen die niet klaar zijn om ze op waarde te schatten en die ze misschien zelfs zouden aanvallen in plaats van ze te waarderen.

Ga verstandig om met wat de Heer je geeft. Het is vertrouwelijk. Je zou bijvoorbeeld ook de inhoud van je patriarchale zegen niet zomaar rondstrooien.

President Boyd K. Packer heeft eens gezegd:

‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat het niet verstandig is om voortdurend over buitengewone geestelijke ervaringen te praten. Ze moeten zorgvuldig bewaakt worden en er mag alleen over verteld worden als de Geest u er zelf toe aanzet ze te gebruiken om anderen tot zegen te zijn.

‘Ik denk altijd aan Alma’s woorden: “Aan velen is het gegeven de verborgenheden Gods te weten; niettemin wordt hun streng geboden, dat zij slechts dat gedeelte van zijn woord aan anderen zullen mededelen, dat Hij de mensenkinderen verleent volgens de oplettendheid en ijver, die zij Hem betonen” (Alma 12:9).

‘Ik heb president [Marion G.] Romney in Genève een keer zendingspresidenten en hun vrouwen als volgt horen toespreken: “Ik vertel u niet alles wat ik weet. Ik heb mijn vrouw nog nooit alles verteld, want ik heb gemerkt dat als ik te lichtvaardig met heilige zaken omga, de Heer me niet vertrouwt.”

‘Ik ben ervan overtuigd dat wij deze zaken in ons hart moeten bewaren, en ze daar moeten overwegen, zoals Lucas heeft gezegd dat Maria deed aangaande de bovenaardse gebeurtenissen rond de geboorte van Jezus. (Zie Lucas 2:19.)’ (Boyd K. Packer, That All May Be Edified [Salt Lake City: Bookcraft], p. 337.)

Al wat heilig is, wordt geopenbaard en bijeengebracht in deze laatste, geweldige bedeling. Met de herstelling van het evangelie, de kerk en het priesterschap van Jezus Christus, hebben wij een bijna niet te bevatten voorraad aan heilige zaken in handen. Het is bijna een te grote zegen dat wij in deze tijd zijn geboren, in een tijd en op een plek waar de enorme zegeningen waarvan profeten uit het verleden hebben gedroomd en waarnaar zij hebben verlangd in ons leven zouden komen. Wij kunnen ze niet verwaarlozen of ze ons laten ontglippen.

In plaats van zorgeloos te worden, hoop ik dat je steeds gehoorzamer zult worden. Ik hoop dat je zo zult denken en voelen en je zo zult kleden en gedragen dat je eerbied en respect toont voor heilige zaken, plaatsen en gelegenheden.

Het is mijn gebed dat er waardering voor heilige zaken op je ziel zal neerdalen als dauw des hemels. Moge het je nader tot Jezus Christus doen komen, die is herrezen, die leeft, en die je Verlosser is. Moge Hij je heiligen zoals Hij heilig is, zodat je met Hem mag aanzitten in zijn koninkrijk, om het nooit meer te verlaten (zie Alma 7:25). In de naam van Jezus Christus. Amen.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy