Levenslange toewijding
Ouderling Dallin H. Oaks
van het Quorum der Twaalf Apostelen
CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen
1 mei 2005
Oakland (Californië)
Broeders en zusters, ik ben het koor dankbaar voor die ontroerende en inspirerende muziek, en ik dank president Steven Edgren voor zijn introductie.
Het is fijn om hier in Oakland te zijn. Ik wil iedereen hier en op andere locaties hartelijk danken voor jullie aanwezigheid.
Ik vind het fijn om jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot 30 toe te spreken. Onze jongste dochter hoort bij die leeftijdsgroep. En 15 van onze 28 kleinkinderen. Dus ik heb veel belangstelling voor 18- tot 30-jarigen.
Leef volgens het evangelie dag in, dag uit
Als ik tot jullie spreek, dan spreek ik tot de toekomst. Jullie zijn de toekomstige leiders van de zakenwereld, het onderwijs, de wetenschap, maar ook van steden, staten, landen en de kerk. Maar, belangrijker nog: jullie zijn de toekomstige leiders van de gezinnen in de kerk.
Bij de voorbereiding van mijn toespraak heb ik de tekst van een vorige CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen bestudeerd. Die werd op zondag 6 februari in het Marriott Center aan de BYU gehouden. De spreker was ouderling Russell M. Nelson van het Quorum der Twaalf Apostelen. Het bestuderen van zijn toespraak was voor mij opbouwend en ontroerend.
Jullie zullen je nog wel herinneren dat ouderling Nelson jullie vroeg ‘om aan jezelf te denken, niet zoals je nu bent, maar zoals je over vijftig jaar zult zijn.’ Hij vroeg: ‘Wie wil je over vijftig jaar zijn?’ Vervolgens hield hij een geweldige toespraak over ‘geloof en het gezin’. Hij vertelde over zijn eigen leven en dat van zijn lieve vrouw, Dantzel. Hij sprak over hun lange strijd om een opleiding te volgen. Hij sprak over de keuzen die ze in hun huwelijk hadden gedaan, om eerst het koninkrijk van God te zoeken. Geloof, zei hij, was de ‘poolster van [hun] huwelijk’. Hij sprak over het feit dat hij als chirurg pas na twaalf jaar studeren geld begon te verdienen. En toen hadden ze al vijf kinderen. Misschien kunnen jullie je het geloof voorstellen dat ze nodig hadden en de offers die ze moesten brengen om een gezin te stichten terwijl dr. Nelson zijn jarenlange studie afmaakte. (Zie Geloof en het gezin [CES-haarvuuravond voor jongvolwassenen, 6 februari 2005], pp. 1–2.)
Als jullie de geweldige toespraak van ouderling Nelson tijdens de aprilconferentie hebben gehoord, weten jullie waarom het zo’n ontroerende ervaring voor me was om zijn toespraak van 6 februari door te lezen. In die toespraak bracht hij zijn lieve vrouw een prachtige en welverdiende hulde, slechts zes dagen voordat ze plotseling overleed. Zoals ouderling Nelson ons vertelde, het leven zit vol verrassingen. Daarom is het goed als wij ons niet alleen voorstellen wie we over vijftig jaar willen zijn, maar dat we ook nu iedere dag zó leven dat we erop voorbereid zijn als we plotseling naar huis terugkeren.
‘Ziet toe dat gij ze doet’
Vorige week sprak ik met een lid van het Quorum der Twaalf over de opmerkingen die we over onze toespraken tijdens de aprilconferentie hadden gekregen. Mijn vriend zei dat iemand had gezegd: ‘Ik heb echt van uw toespraak genoten.’ We waren het erover eens dat we niet graag dergelijke opmerkingen horen. Mijn vriend zei: ‘Ik heb die toespraak niet gehouden zodat men ervan zou genieten. Wie denkt hij wel dat ik ben, een of andere conferencier?’ Een ander lid van ons quorum hoorde dat en zei: ‘Dat doet me denken aan het verhaal van een goede predikant. Toen een kerkganger zei: “Ik heb vandaag van uw preek genoten”, zei de predikant: “Dan hebt u die niet begrepen.”’
Jullie zullen je wellicht herinneren dat ik deze aprilconferentie over pornografie heb gesproken. Niemand heeft gezegd dat ze van mijn toespraak hebben ‘genoten’ — helemaal niemand! Zelfs ik heb er helemaal niet van ‘genoten’.
Ik verwijs naar deze gesprekken om het beginsel duidelijk te maken dat een boodschap van een algemeen autoriteit tijdens een algemene conferentie — een boodschap die onder invloed van de Geest is voorbereid om het werk van de Heer te bevorderen — niet gegeven wordt om ervan te genieten. Zo’n boodschap wordt gegeven om te inspireren, op te bouwen, aan te sporen of te vermanen. Maar ook om onder invloed van de Geest des Heren naar de toespraak te luisteren zodat de luisteraar van de Geest kan leren wat hij of zij ermee moet doen.
Koning Benjamin begreep dat beginsel en legde het uit. Zijn uitstekende toespraak staat in de eerste hoofdstukken van het Boek Mosiah, en begint met de volgende woorden:
‘Mijn broeders, gij allen die zijt bijeengekomen, gij die mijn woorden kunt horen die ik u vandaag zal zeggen; (...) ik heb u niet geboden hierheen te komen om lichtvaardig om te gaan met de woorden die ik zal spreken, maar om naar mij te luisteren, en uw oren te openen opdat gij zult horen, en uw hart opdat gij zult begrijpen’ (Mosiah 2:9).
Zoals deze profeet en koning verkondigde, mogen we niet ‘lichtvaardig’ omgaan met de woorden die een dienstknecht van de Heer spreekt. Het is onze plicht om onze oren te openen om te horen en ons hart om te begrijpen. En we moeten proberen te begrijpen wat we met de boodschap moeten doen. Ik ben ervan overtuigd dat het dat is wat koning Benjamin bedoelde, omdat hij later in zijn geweldige boodschap zegt: ‘En nu, indien gij al die dingen gelooft, ziet toe dat gij ze doet’ (Mosiah 4:10). Onthoud dat beginsel alsjeblieft nu ik op deze sabbatdag tot jullie spreek.
‘Een bestendige, rustige, levenslange toewijding’
De titel van mijn toespraak is ‘Levenslange toewijding’. Ik heb die titel ontleend aan iets wat gouverneur Adlai E. Stevenson uit Illinois ooit heeft gezegd. Hij was de democratische kandidaat voor de presidentsverkiezingen van de Verenigde Staten in 1952 en 1956. Hij was een goed mens, en was waarschijnlijk president geworden als hij niet zo’n populaire tegenstander had gehad — Dwight D. Eisenhower.
Tijdens een toespraak op een congres van de American Legion, zei Stevenson het volgende aangaande vaderlandsliefde: ‘We hebben geen korte, heftige uitbarstingen van emotie nodig, maar een bestendige, rustige, levenslange toewijding.’ (Toespraak gehouden op 27 augustus 1952, geciteerd in John Bartlett, Familiar Quotations, 13de uitgave, 1955, p. 986.) Dat spreekt me aan — ‘geen korte, heftige uitbarstingen van emotie, maar een bestendige, rustige, levenslange toewijding.’ Ik zal deze beschrijving van vaderlandsliefde gebruiken als formule om het evangelie na te leven.
Sommige mensen leven het evangelie na door ‘korte, heftige uitbarstingen van emotie’, gevolgd door lange perioden van afvalligheid of door wisselende, onregelmatige prestaties. Bij het naleven van het evangelie hebben we een ‘bestendige, rustige, levenslange toewijding’ nodig.
Wat houdt het dan in om de geboden te onderhouden, onze verbonden na te leven en de Heer te dienen met een ‘bestendige, rustige, levenslange toewijding’? Het betekent dat we honderd procent heiligen der laatste dagen zijn, de volle honderd procent van onze tijd. In schriftuurlijke termen houdt het in dat wij ons houden aan de volgende aanwijzing die koning Benjamin zijn volk gaf: ‘Ik wil dat gij standvastig en onveranderlijk zijt, te allen tijde overvloedig in goede werken, opdat Christus, de Here God, de Almachtige, u als de zijne zal verzegelen’ (Mosiah 5:15). Het houdt in dat wij voldoen aan de smeekbede van vader Lehi aan een wankelende zoon: ‘O, dat gij gelijk dit dal mocht zijn, onwrikbaar en standvastig en overanderlijk in het onderhouden van de geboden des Heren!’ (1 Nephi 2:10.)
‘Levenslange toewijding’ vereist van ons dat we bestendig en rustig zijn, standvastig en onveranderlijk. We houden ons vast aan onze verbonden en aan de leiding en leringen van de dienstknechten van de Heer, zodat we, zoals de apostel Paulus schreef, ‘niet meer onmondig [zijn], op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer’ (Efeziërs 4:14). Dat is onze norm en ons doel. Deze norm van standvastigheid verwacht van ons dat wij uitersten vermijden. Onze prestaties moeten de standvastige honderd procent zijn van een toegewijde dienstknecht, niet de heftige en onregelmatige 120 procent van de fanaat.
Een gewaardeerde docent die ik jaren geleden aan de BYU had, gaf eens de volgende definitie van een fanaat: ‘Een fanaat is iemand die zijn doel uit het oog verloren is, maar zich twee keer zo hard inzet om het te bereiken.’ Die definitie is mijn hele leven een goede leidraad geweest, en ik kan die van harte aanbevelen. Probeer niet je toewijding te bewijzen door fanatieke buitensporigheden of andere vormen van schijnheiligheid. We betalen onze tiende, maar we mogen niet vergeten dat de tiende een vast percentage van tien procent is — geen acht procent, en vooral geen periodieke of heftige pieken van twaalf procent.
Dat doet me denken aan iets waar president Harold B. Lee zich zorgen over maakte toen ik president van de BYU was. Vlak voordat de Provotempel werd ingewijd, zei hij tegen me dat hij zich zorgen maakte dat de bereikbaarheid van de tempel voor sommige studenten aan de BYU een aanleiding zou zijn om zo vaak naar de tempel te gaan dat ze hun studie zouden verwaarlozen. Hij spoorde me aan om er samen met de ringpresidenten van de BYU voor te zorgen dat de studenten begrepen dat zelfs iets heiligs en belangrijks als tempelwerk in wijsheid en orde gedaan moest worden, zodat de studenten hun studie niet zouden verwaarlozen. Want dat was hun belangrijkste prioriteit als student aan de BYU.
Wanneer we goede beginselen laten ontaarden
Ruim tien jaar geleden heb ik een toespraak gehouden met de titel ‘Onze kracht kan onze ondergang worden’ (Zie De Ster, mei 1995, pp. 10–23.) Ik sprak over wat er gebeurt als we een goed beginsel of gebod overdreven gaan toepassen. Ik gaf twintig voorbeelden. Ik heb er vijf aangepast om dit betoog voor een bestendige, rustige, levenslange toewijding in plaats van wat gouverneur Stevenson de ‘korte, heftige uitbarstingen van emotie’ noemde, kracht bij te zetten.
Mijn eerste voorbeeld gaat over vaderlandsliefde. Zelfs vaderlandsliefde kan ons geestelijk schaden als we overdrijven. Er zijn enkele burgers van wie de vaderlandsliefde (zoals zij dat noemen) zo heftig en allesoverheersend is dat het iedere andere verantwoordelijkheid zoals die voor het gezin of in de kerk, lijkt te gaan overheersen. We horen bijvoorbeeld dat er sommige (zogenaamde) patriotten zijn die lid zijn van een privéleger of die zich bevoorraden en zich op een gewapend conflict voorbereiden. Hun buitensporige ijver voor één enkel aspect van vaderlandsliefde schaadt hen geestelijk, want zij onttrekken zich aan de kerkgemeenschap en aan de overheid, waaraan we volgens ons twaalfde geloofsartikel allemaal onderworpen zijn.
Mijn tweede voorbeeld gaat over mensen die zich volledig en uitsluitend concentreren op één enkele leerstelling of gebod van het evangelie van Jezus Christus. Dat kan buitensporige aandacht voor familiegeschiedenis zijn, of een ongebruikelijk hevige obsessie wat de regering betreft, of een andere exclusieve bezigheid.
In een gedenkwaardige boodschap tijdens de oktoberconferentie van 1971 vergeleek ouderling Boyd K. Packer de volheid van het evangelie met het toetsenbord van een piano. Hij herinnerde ons eraan dat mensen zich tot ‘een enkele toets aangetrokken kunnen voelen’, zoals een leerstelling die ze ‘keer op keer willen horen’. Hij legde uit:
Sommige leden van de kerk die beter zouden moeten weten, kiezen één of twee lievelingstoetsen en drukken die voortdurend in. (...) Zij vergeten dat er een volheid van het evangelie is, (...) [die zij verwerpen] doordat zij één lievelingsnoot de voorkeur geven. Die obsessie wordt erger en brengt hen uit hun evenwicht, waarop ze afvallig worden.’ (Teach Ye Diligently, 1975, p. 44.)
We kunnen van die mensen zeggen, zoals de Heer over de shakers zei, ‘dat zij verlangen de waarheid ten dele te kennen, maar niet ten volle’ (LV 49:2). En daarom zeg ik: pas op voor lievelingstoetsen. Als je steeds één toets indrukt met uitsluiting of ten nadele van de volledige harmonie van het evangelietoetsenbord, wijk je af van de aanbevolen bestendige, rustige, levenslange toewijding.
Nu ik deze voorbeelden van het gevaar van ontaarde goede beginselen noem, moet ik een van mijn eigen zwakheden belijden. Jullie hebben vast wel eens het oude gezegde gehoord: ‘Wees niet de eerste om iets nieuws te proberen, maar evenmin de laatste om het oude te vervangen.’ Wat betreft de techische wonderen van deze tijd, zoals de computer, ben ik wellicht de laatste die het oude vervangt.
Ik gebruik nog steeds een typemachine. Al vijftig jaar lang heb ik op typemachines brieven en memoranda geschreven en gedeelten van mijn toespraken samengesteld. Enkele jaren geleden gaf de laatste van mijn oude vertrouwde typemachines de geest. Ik ging op zoek naar een nieuwe. Dat was niet zo gemakkelijk.
De opvolger van de typemachine was de elektrische typemachine. Die stap heb ik helemaal overgeslagen. Toen kwamen de tekstverwerkers en computers, met steeds meer mogelijkheden, zoals mijn vaardige secretaresse, Margie McKnight, gebruikt om bijvoorbeeld de talrijke concepten van deze toespraak te bewerken. Tegenwoordig worden er computers verkocht. Ik had dus niet zo verbaasd hoeven te zijn dat jonge verkopers me vreemd aankeken toen ik om een draagbare typemachine vroeg. Een vindingrijke jongeman kwam met een elektrische typemachine aanzetten die klein en licht genoeg was om van het ene naar het andere stopcontact mee te nemen. Hij vroeg of dat was wat ik zocht.
Uiteindelijk vond ik een winkeltje met een oude eigenaar die nog wist wat een draagbare typemachine was. Hij had er nog een in de achterkamer, en die kocht ik maar al te graag. De eigenaar vroeg zich wel af wat ik ermee ging doen. Hij was te beleefd om het te vragen, maar raadde er wel naar. Toen hij me mijn nieuwe typemachine overhandigde, zei hij: ‘Wij verkopen er niet veel van. U kampeert zeker vaak.’ Waar verhaal.
Ik ga verder met mijn derde voorbeeld om het verschil te illustreren tussen bestendige toewijding en korte, heftige uitbarstingen van emotie. De gewilligheid om alles voor het werk van de Heer op te offeren, is ongetwijfeld een teken van toewijding. Het is zelfs een verbond dat we op heilige plaatsen sluiten. Maar dat moet wel zorgvuldig worden beperkt tot de offers die de Heer en zijn leiders in deze tijd van ons verwachten. We kunnen met Alma zeggen: ‘Waarom zou ik dan meer verlangen dan het werk te verrichten waartoe ik geroepen ben?’ (Alma 29:6.) Mensen die het niet voldoende vinden om tiende en offergaven te betalen en hun taken in de kerk uit te voeren, kunnen gemakkelijk misleid worden door groeperingen die, wat ik noem, een ‘heftige uitlaatklep’ bieden aan hun offerbereidheid.
Mijn vierde voorbeeld heeft met doelen te maken. Wij ontlenen grote kracht aan het concentreren op onze doelen. We hebben allemaal de goede vruchten van dergelijke doelgerichtheid gezien. Maar door een intense concentratie op doelen kan iemand het belang van rechtschapen middelen uit het oog verliezen. Als dat gebeurt, kan een lovenswaardige, bestendige toewijding ontaarden tot gevaarlijke buitensporigheden.
Een vijfde gebied waarop we de bestendige koers moeten varen en heftige buitensporigheden moeten vermijden, heeft met financiën te maken. Ons is geboden om aan de armen te geven. Kan de vervulling van die fundamentele christelijke plicht overdreven worden? Ja, dat kan. Ik heb het zelf gezien. Wellicht hebben jullie ook mensen gezien die de plicht om voor de armen te zorgen zo overdreven dat zij hun eigen gezin tekort deden omdat ze middelen en tijd afstonden die voor hun eigen gezin nodig waren.
Om een oud boerengezegde aan te halen: we mogen het zaaizaad niet opeten. Dat zou ons beroven van de mogelijkheid om volgend jaar te zaaien en te oogsten, waardoor we ons gezin en de armen kunnen helpen. Koning Benjamin, die zijn volk gebood om de hongerigen te voeden, de naakten te kleden, de zieken te bezoeken en in hun behoeften te voorzien (zie Mosiah 4:26), heeft ook gewaarschuwd: ‘Ziet toe dat al deze dingen in wijsheid en ordelijkheid worden gedaan, want het is niet nodig dat iemand harder loopt dan hij kracht heeft’ (vers 27; zie ook LV 10:4).
Aan deze vijf voorbeelden wil ik een waarschuwing toevoegen. Het beginsel dat ik heb besproken, dat we naar bestendige toewijding moeten streven en heftige buitensporigheden moeten vermijden, kan uitgelegd worden alsof we alles met mate moeten doen. Dat is niet zo. De Heiland heeft ons geboden om ‘met geheel uw hart, macht, verstand en kracht’ te dienen (LV 4:2), om ‘ernstig de rijkdommen der eeuwigheid’ te zoeken (LV 68:31), en om ‘kloekmoedig in het getuigenis van Jezus’ te zijn (LV 76:79). Hij heeft ook gezegd dat als we lauw zijn, Hij ons uit zijn mond zal spuwen. (Zie Openbaring 3:16.) Het doel van mijn voorbeelden is dat we standvastig en consequent in onze toewijding, toezeggingen en inspanningen zijn.
Uitgaan of rondhangen
Ik heb geprobeerd om voorbeelden te geven van het belang van een levenslange, standvastige toewijding, en heb gewaarschuwd tegen het gevaar om goede beginselen in het extreem door te voeren. Als ik er nog niet in ben geslaagd om je te laten nadenken over je eigen gedrag, kan ik dat misschien alsnog bereiken met mijn laatste onderwerp.
Tijdens de toespraak die ouderling Earl C. Tingey twee weken geleden op de BYU hield, sprak hij over een artikel dat onlangs in Time Magazine stond over jonge mensen van jullie leeftijd. Er staat met name in dat de levensjaren van 18 tot 25 een ‘aparte en afzonderlijke levensfase zijn geworden, een vreemde overgangsfase, een luilekkerland tussen de pubertijd en de volwassenheid waarin ze nog enkele jaren de volwassen verantwoordelijkheid (...) uitstellen.’ (Lev Grossman, ‘Grow Up? Not So Fast’, Time, 24 januari 2005, p. 44.) In het artikel wordt de persoon in deze overgangsfase genoemd ‘een permanente puber, (...) een Peter Pan van in de twintig.’ (Zie p. 42.) Om deze analyse in het perspectief van BYU-studenten en hun gezin te plaatsen, sprak ouderling Tingey over ‘de besluiteloosheid van sommige studenten om (...) de verantwoordelijkheid van het huwelijk en een gezin op zich te nemen.’ (Openingstoespraak, 21 april 2005.)
Die neiging om de volwassen verantwoordelijkheid uit te stellen, waaronder huwelijk en gezin, is duidelijk ook zichtbaar onder de jongvolwassenen van de kerk. De gemiddelde leeftijd waarop men trouwt, is de laatste decennia hoger geworden, en het aantal kinderen dat in gezinnen van de kerk geboren wordt, is afgenomen. Ouderling Nelson sprak daarover drie maanden geleden tijdens die haardvuuravond over ‘Geloof en het gezin’. Het is tevens onderdeel van mijn thema ‘Levenslange toewijding’. Daarom wil ik tot slot onze bezorgdheid uiten over sommige gangbare praktijken in de omgang tussen de jonge alleenstaanden van de kerk in Noord-Amerika.
Goed geïnformeerde waarnemers melden dat uitgaan op de universiteiten en onder de jonge alleenstaanden in het algemeen bijna is verdwenen. Dat gebruik is vervangen door iets wat ze ‘rondhangen’ noemen. (Zie Bruce A. Chadwick, ‘Hanging Out, Hooking Up, and Celestial Marriage’, Brigham Young University 2002—2003 Speeches [2003], pp. 1–8.) Jullie weten uiteraard wat dat is, maar ik zal het toch even beschrijven voor de oudere mensen en anderen die dit begrip niet kennen. Rondhangen is als een groep jongemannen en jongevrouwen als groep iets doen. Dat is heel anders dan uitgaan.
Ten behoeve van hen die nog niet zo oud zijn, wil ik ook nog even beschrijven wat uitgaan is. In tegenstelling tot rondhangen, is uitgaan geen teamsport. Uitgaan is met z’n tweeën tijd doorbrengen. Het is een tijdelijke, exclusieve omgangsvorm die tot een huwelijk kan leiden, maar niet noodzakelijkerwijs.
Waarom wordt het fenomeen uitgaan bedreigd? Ik weet het niet, maar ik kan wel enkele factoren opnoemen.
- 1. Het culturele getij in de wereld keert zich sterk tegen gezinsverbintenissen. Het wordt steeds gemakkelijker om te scheiden en kinderen krijgen wordt steeds minder populair. Die trend tegen dergelijke engagementen werkt de tegenstand van de duivel tegen het plan van onze hemelse Vader voor zijn kinderen duidelijk in de hand. Dat plan baseert zich op aangegane verbonden en toezeggingen die worden nagekomen. Datgene wat ons ook van verbintenissen weerhoudt, verzwakt tevens ons vermogen om aan dat plan deel te nemen. Uitgaan is een toezegging, zij het maar voor enkele uren. Rondhangen vereist geen toezegging, ten minste niet voor de mannen als de vrouwen voor eten en onderdak zorgen.
- 2. Een nivellerend effect van de vrouwenemancipatie is het ontmoedigen van uitgaan. Naarmate de vrouw meer mogelijkheden heeft gekregen, en sommige van hen assertiever zijn geworden, zijn sommige mannen niet meer bereid om het traditionele mannelijke initiatief te nemen, zoals iemand mee uit vragen. Want hij wil toch niet als seksist worden gezien.
- 3. Rondhangen wordt op tv-programma’s over alleenstaanden geïdealiseerd.
- 4. Ook is de betekenis en het belang van ‘uitgaan’ zodanig veranderd dat ‘uitgaan uit de markt is geprijsd’. Ik zag die trend al bij onze jongere kinderen beginnen. Om wat voor reden dan ook vonden de jongens op de middelbare school het nodig om een meisje uitgebreid en op bizarre wijze mee uit te vragen, vooral als ze naar een schoolfeest gingen. En de meisjes vonden het nodig om iets bijzonders terug te doen om de uitnodiging te aanvaarden. Daarnaast moeten uitjes in onze tijd ook erg duur zijn. Dat zag ik in de jaren zeventig al aan de BYU. Ik herinner me dat ik eens een jongen en een meisje op de middenberm van de grote weg bij het stadion van de BYU zag dineren, bediend door hun vrienden.
Door dit alles is uitgaan steeds moeilijker geworden. Hoe uitgebreider en duurder het uitje wordt, hoe minder er plaatsvinden. En naarmate het aantal uitjes afneemt en de kosten toenemen, lijkt het wel of er verwachtingen gewekt worden dat een afspraakje een serieuze aangelegenheid is en een permanente verbintenis inhoudt. Door die verwachting wordt uitgaan nog verder ontmoedigd. Waar is het stuntelige en goedkope telefoontje gebleven dat je ouders en grootouders pleegden? Dat ging ongeveer zo: ‘Wat doe je vanavond?’ ‘Zullen we naar de film gaan?’ Of: ‘Zullen we een wandeling door de stad maken?’ Dergelijke goedkope afspraakjes kunnen herhaald worden en zijn niet bedreigend omdat ze geen permanente verbintenis inhouden.
Door eenvoudige en geregelde afspraakjes kunnen mannen en vrouwen zich oriënteren en een betere kijk op de verschillende kandidaten krijgen. De ouderwetse afspraakjes waren een prachtige manier om iemand van het andere geslacht te leren kennen. Je werd aangezet tot conversatie. Je kon zien hoe je met anderen omging en hoe anderen jou onder vier ogen behandelden. Je kreeg de kans om te leren hoe je een volwassen relatie kon aangaan en ontwikkelen. Dat gebeurt helemaal niet als je rondhangt.
Jonge broeders en zusters, gebruik dat eenvoudige patroon van afspraakjes. Je hoeft niet in chatrooms op het internet te zoeken of van bemiddelingsbureaus gebruik te maken — twee alternatieven die uitermate gevaarlijk kunnen zijn en op zijn minst onnodig of ondoelmatig zijn.
Er is nog een andere reden die ertoe bij kan dragen dat de afspraakjes afnemen en de cultuur van rondhangen toeneemt. De kerk moedigt jonge mensen al jaren aan om geen afspraakjes te hebben totdat je zestien bent. Misschien hebben sommige jongvolwassenen, vooral mannen, die raad te ver doorgevoerd en besloten dat ze niet voor hun 26ste of 36ste afspraakjes zullen hebben.
Mannen, als je van zending bent teruggekeerd en nog steeds met meisjes omgaat zoals je dat op je vijftiende deed, dan is het nu tijd om volwassen te worden, je stoute schoenen aan te trekken en iemand te zoeken om uit te vragen. Begin met verschillende afspraakjes met verschillende jonge vrouwen, en als dat een goede kandidaat oplevert, is het tijd voor verkering. Dan wordt het tijd voor een huwelijk. Dat is wat de Heer voor zijn jongvolwassen zoons en dochters wil. De mannen horen het initiatief te nemen, dus mannen: ga aan de slag. Als je niet weet wat een afspraakje is, kan de volgende definitie nuttig zijn. Ik heb ze van mijn achttienjarige kleindochter. Een afspraakje moet aan de volgende eisen voldoen: (1) van tevoren gepland, (2) betaald en (3) met z’n tweeën.
Jonge vrouwen, hang niet teveel rond, en moedig afspraakjes aan die eenvoudig, goedkoop en veelvuldig zijn. Maak het de jonge mannen niet gemakkelijk om rond te hangen op plekken waar de vrouwen het eten verzorgen. Subsidieer geen klaplopers. Af en toe met een groep op pad gaan is niet erg, maar als je mannen ziet die alleen maar ‘rondhangen’ met het andere geslacht moet je volgens mij je etenskast op slot doen en je deur vergrendelen.
Als je dat doet, kun je er ook een bordje ophangen met de tekst: ‘Wordt geopend voor een individueel afspraakje’, of woorden van die strekking. En, jonge vrouwen, maak het deze verlegen mannen gemakkelijker om je uit te nodigen voor een eenvoudig en goedkoop afspraakje. Daarbij is het belangrijk dat je niet laat doorschemeren dat een afspraakje erg serieus is. Als we de mannen moeten overhalen om vaker afspraakjes te maken, moeten we de wederzijdse verwachting hebben dat een afspraakje geen huwelijksaanzoek inhoudt. Ten slotte, jonge vrouwen, wees vriendelijk als je iemand afwijst. Anders kun je een zenuwachtige en verlegen jongeman schaden en hem ongeschikt maken als potentiële kandidaat, waardoor een andere zuster weer geschaad kan worden.
Ongehuwde jonge vrienden, we raden jullie aan om zo met het andere geslacht om te gaan dat je afspraakjes tot een huwelijk kunnen leiden, en niet om rond te hangen, wat alleen maar een teamsport als voetbal kan opleveren. Het huwelijk is geen groepsactiviteit — in ieder geval niet totdat er een aantal kinderen komen.
Zusters, jullie hebben volgens mij genoten van de woorden die ik tot de ongehuwde mannen heb gesproken. Nu wil ik iets tot de ongehuwde vrouwen zeggen.
Als je je tijd verdoet met wachten op een huwelijksaanzoek, houd daar dan mee op. Misschien krijg je niet de kans om in dit leven een goed huwelijk te sluiten. Houd op met wachten en ga aan de slag. Bereid jezelf voor op het leven — ook al is het een ongehuwd leven — door studie, ervaring en planning. Ga niet zitten wachten tot het geluk in je schoot valt. Ga ernaar op zoek door dienstbaarheid en scholing. Leid je eigen leven. En vertrouw op de Heer. Je levenslange toewijding moet in overeenstemming zijn met de raad van koning Benjamin, ‘de naam des Heren dagelijks aanroepende en standvastig zijnde in het geloof in datgene wat zal komen’ (Mosiah 4:11).
“Zij besturen zichzelf’
Wel zusters, ongehuwde zusters, ik heb een ervaringsdeskundige meegebracht, namelijk mijn vrouw, Kristen, die als volwassene 35 jaar alleenstaande was voordat wij trouwden. Ik geef haar nu het woord zodat ze ons over haar gevoelens kan vertellen.
Zuster Kristen Oaks: Dank u, ouderling Oaks. Ik ben pas getrouwd toen ik midden vijftig was, en ik heb het gevoel dat ik een soort ideaal voor de oudere zusters aan het worden ben.
Ik heb het sterke gevoel om jullie vooraf te zeggen dat je hemelse Vader erg veel van je houdt. We zijn hier in Oakland en ik ben met de zendingspresident in dit gebied, Robert Bauman, naar het bezoekerscentrum aan de overkant geweest. We zagen het beeld van de Christus, en de boodschap over de levende Christus, en dat raakte mijn hart. Dit is jullie tijd. Maak die de moeite waard door hem toe te wijden aan je hemelse Vader.
Ik hoor president Packer graag over de verzoening spreken. De verzoening is niet iets wat aan het einde van je leven gebeurt; het is iets wat elke dag van je leven plaatsvindt. Daarom zeg ik tot onze alleenstaande zusters: maak je leven de moeite waard.
Het kan erg naar zijn om zo lang alleen te zijn, vooral in een gezinskerk. Ik weet hoe dat voelt. Op mijn vijftigste verjaardag zat mijn zwager de krant te lezen en zei: ‘Hé, er staat hier in de krant dat je op je vijftigste meer kans loopt om door terroristen gedood te worden dan om te trouwen.’ Ik wist al voordat hij dat zeide dat uitgaan geen eenvoudige aangelegenheid is. Maar geef niet op: het is geen terroristische activiteit.
Wat ik ook wou zeggen: bewaar het evenwicht. Als alleenstaande vrouw moest ik wel doorgaan. Ik behaalde een doctorsgraad en raakte zo betrokken bij mijn werk dat ik vergat om een goed persoon te worden. Ik wil tot alle aanwezigen hier zeggen: onthoud altijd dat je voornaamste roeping die van moeder of vader is. Ontwikkel de huiselijke talenten, de talenten van liefde en dienstbaarheid. Vroeger moest ik als alleenstaande op zoek gaan naar een dienstbetoonproject; maar nu zit er een tegenover mij aan tafel. Daar ben ik zo dankbaar voor.
Tot slot wil ik zeggen dat pijnlijke momenten nu eenmaal voorkomen in ons leven, of we nu alleenstaande zijn of getrouwd. Je hebt misschien een kind dat ernstig ziek is, of iemand sterft die je na staat, of je gaat door een eenzame periode in je leven. Je zou een kind kunnen verliezen, of in een situatie terechtkomen die je niet in de hand hebt, zoals een slepende ziekte. Ik zou je willen vragen om dat op te dragen aan je hemelse Vader. In Helaman 3:35 staat dat als we ons hart overgeven aan God, al onze handelingen dienen tot onze heiliging. Zo wordt al onze tijd gezegende tijd.
Jullie zijn mijn lievelingspubliek. Jullie liggen mij het meest na aan het hart, want ik weet hoe het voelt om in jullie schoenen te staan, omdat ik dat ook heel erg lang heb gedaan.
Ik wil jullie zeggen dat dit de Kerk van de levende God is, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Het is zijn kerk. Ik ben zo dankbaar dat we een levende profeet hebben, president Gordon B. Hinckley. Boven alles weet ik dat we een hemelse Vader hebben die ons liefheeft. Hij was mijn beste Vriend toen er niemand anders was die van mij hield. Dat zeg ik in de naam van Jezus Christus. Amen.
Ouderling Dallin H. Oaks: Bedankt, Kristen. Broeders en zusters, als iets wat ik gezegd heb jullie dwars zit, luister dan alsjeblieft goed naar wat ik nu ga zeggen. Misschien ben je een jongeman die vindt dat hij onder druk wordt gezet door wat ik gezegd heb over afspraakjes maken die tot een huwelijk kunnen leiden, of een jonge vrouw die zich zorgen maakt omdat ik heb gezegd dat je verder moet gaan met je leven.
Als je vindt dat je een uitzondering bent, waardoor mijn directe raad niet op jou van toepassing is, schrijf me dan alsjeblieft geen brief. Weet je waarom ik dat vraag? Ik ben er achter gekomen dat als ik directe raad geef, ik veel brieven krijg van mensen die vinden dat zij een uitzondering zijn. Zij willen van mij horen dat wat ik gezegd heb door hun bijzondere omstandigheden niet op hen van toepassing is.
De beste manier om uit te leggen waarom ik als antwoord op zo’n brief niet veel troost kan bieden, is een ervaring die ik had met iemand die door een andere algemene regel verontrust werd. Ik hield eens een toespraak waarin ik het gebod ‘Gij zult niet doden’ aanhaalde (Exodus 20:13). Naderhand kwam er een man in tranen naar me toe. Hij zei dat hij naar aanleiding van mijn woorden het gevoel had dat er geen hoop voor hem was. ‘Wat bedoelt u?’ vroeg ik hem.
Hij legde uit dat hij tijdens de oorlog in Korea mitrailleur was geweest. Tijdens een frontale aanval had hij met zijn machinegeweer een grote hoeveelheid vijanden neergemaaid. Hun lichamen lagen zo hoog opgestapeld dat hij en zijn mannen ze opzij hadden moeten duwen om zicht op het slagveld te houden. Ze hadden wel honderd mannen gedood, en nu ging hij vast en zeker naar de hel omdat ik het gebod ‘Gij zult niet doden’ had aangehaald.
De uitleg die ik die man gaf, is dezelfde die ik jullie geef als je het gevoel hebt dat je een uitzondering bent. Als algemeen autoriteit is het mijn verantwoordelijkheid om algemene beginselen te verkondigen. Wanneer ik dat doe, probeer ik niet alle uitzonderingen te definiëren. Er zijn uitzonderingen op sommige regels. We geloven bijvoorbeeld dat dat gebod niet wordt overtreden als mensen tijdens een gewapend conflict een bevel opvolgen. Maar vraag me niet naar mijn mening over jullie uitzondering. Ik verkondig alleen de algemene regels. Of een uitzondering op jullie van toepassing is, is je eigen verantwoordelijkheid. Dat is een zaak tussen jou en de Heer.
De profeet Joseph Smith heeft het op een andere manier gezegd. Toen hem gevraagd werd hoe hij zo’n groep uiteenlopende heiligen kon besturen, zei hij: ‘Ik leer hun de juiste beginselen, en zij besturen zichzelf.’ (Geciteerd door John Taylor, ‘The Organization of the Church’, Millennial Star, 15 november 1851, p. 339.) In mijn toespraak vandaag heb ik eenvoudigweg de juiste beginselen verkondigd en jullie aangemoedigd om deze beginselen zelf in praktijk te brengen.
Broeders en zusters, het was fijn om hier te zijn. Ik bid dat wat vanavond gezegd is een plekje mag krijgen in jullie hart, en dat je mijn boodschap onder de invloed van de Heilige Geest mag begrijpen, met dezelfde bedoeling waarmee ze is gebracht.
Dit is de Kerk van Jezus Christus. Hij heeft geleden en is gestorven onder de verschrikkelijke kwellingen van Getsemane en Golgota om ons de verzekering van de onsterfelijkheid en de kans op het eeuwige leven te geven. Ik bid dat de Heer ieder van ons zal zegenen in ons streven om zijn geboden te onderhouden, steeds een hoger doel voor ogen te krijgen, en in onze dagelijkse beslissingen de rustige, bestendige toewijding van ons leven te bereiken. Dit is de Kerk van Jezus Christus, die hersteld is in deze laatste dagen, met de macht van het priesterschap en de volheid van zijn evangelie. Daarvan getuig ik, en ik smeek de zegeningen des Heren over jullie, mijn edele vrienden, af. In de naam van Jezus Christus. Amen.