The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Broadcast Archives CES Fireside

Beslissingen bepalen onze bestemming

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium
CES-haardvuuravond voor jongvolwassenen zondag • 6 november 2005 Brigham Young University

President Thomas S. MonsonWat een fijne groep zijn jullie, een uitverkoren generatie, vergaderd hier in het Marriott Center aan de Brigham Young University en op veel andere plaatsen. Het is mij een eer om vanavond bij jullie te zijn. En ik wil daarbij zeggen dat ik vanavond nergens anders op aarde liever zou willen zijn.

Ik heb eerst ernstig gebeden toen ik deze spreekbeurt kreeg. Ik verzoek jullie om geloof voor mij te oefenen en voor me te bidden.

Nu ik kijk naar jullie die hier bijeenvergaderd zijn en denk aan hen die elders naar mij luisteren, denk ik tevens aan jullie ouders. Vele jaren lang was het mijn voorrecht om bijna wekelijks ringconferenties bij te wonen en bij een ringpresident of een van zijn raadgevers te logeren. En dan gebeurden er wel eens interessante dingen. Het gebeurde wel eens dat een klein broertje of zusje, niet wetend dat pa en ma hun slaapkamer aan een algemeen autoriteit hadden gegeven, ’s ochtends vroeg de slaapkamer binnenkwam en dacht bij moeder en vader in bed te klimmen — om erg verbaasd en verward te reageren als dat niet het geval bleek te zijn.

Vele jaren geleden was ik eens in de ring Indianapolis en ik herinner me dat president Lowe, die daar aan de Purdue University werkte, tegen me zei: ‘Broeder Monson, wilt u zaterdagnacht bij mij logeren, of rijdt u die vijfenzestig kilometer liever niet en wilt u bij mijn raadgever hier in Indianapolis overnachten?’

Ik antwoordde: ‘Nou, president Lowe, het is al laat en als u het niet erg vindt, overnacht ik wel bij uw raadgever hier in Indianapolis.’

De volgende morgen begroette president Lowe mij om acht uur en zei: ‘Broeder Monson, u hebt een geïnspireerde beslissing genomen.’

Ik vroeg: ‘Hoezo?’

‘Nou,’ zei hij, ‘we hebben een zoon aan de universiteit. En we waren natuurlijk van plan om u zaterdagavond onze slaapkamer te geven. Maar zonder dat we het wisten kwam onze zoon totaal onverwacht om twee uur ’s ochtends thuis, deed de voordeur open, ging de trap op naar onze slaapkamer, deed het licht aan en riep: “Verrassing!”

Ik weet niet zeker wie er verraster zou zijn geweest als ik bij die ringpresident had overnacht — de student of ik! Misschien wel goed dat we daar nooit achter zijn gekomen.

Goed, jonge vrienden, wat hebben jullie een spannend leven voor je! Je bent dan wel geen John Cabot die de blauwe zee op vaart met een opdracht van de koning om nieuwe landen te ontdekken, en geen kapitein James Cook die op zijn ontdekkingsreizen ‘verafgelegen plaatsen met vreemd klinkende namen’1 bezocht. Maar je kunt wel in geest ontdekkingsreiziger zijn met een opdracht om deze wereld te verbeteren door betere manieren van leven en doen te ontdekken. Die ontdekkingsgeest, of dat nu het oppervlak van de aarde betreft, de uitgestrektheid van de ruimte of de beginselen van een goed leven, houdt ook in dat je het vermogen ontwikkelt om moeilijkheden moedig tegemoet te treden, teleurstelling blijmoedig te ondergaan en ootmoedig met triomf om te gaan.

Velen van jullie kennen vast wel de musical ‘Fiddler On the Roof’. Het is een van mijn lievelingsmusicals. We lachen als we de ouderwetse vader van een Joods gezin in Rusland met de veranderende tijden zien worstelen — veranderingen die hem door zijn knappe dochters worden opgedrongen. Ze zingen vol overgave ‘Koppelaar, koppelaar, koppel mij eens.’ Tevje, de vader, zingt zijn antwoord: ‘Als ik toch eens rijk was’. Tranen schieten de kijker in de ogen als hij de prachtige tonen van ‘Zonsopgang, zonsondergang’ hoort en hij lijkt Tevje’s liefde voor zijn geboortedorp te kunnen waarderen als de deelnemers ‘Anatevka’ zingen.

De vrolijkheid van het dansen, het ritme van de muziek en het uitstekende acteertalent vallen in het niet als Tevje de volgens mij cruciale boodschap van de musical uitspreekt. Hij verzamelt zijn lieftallige dochters om zich heen en met de eenvoud van een pachtboer geeft hij ze raad voor hun toekomst. Tevje zegt: ‘Vergeet niet dat in Anatevka iedereen weet wie hij is en wat God van hem verwacht.’

Als heiligen der laatste dagen begrijpen wij wie we zijn en wat God verwacht dat wij worden. Luister naar de waarheid die wij in het eerste boek van Mozes, Genesis, leren: ‘God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis (...). En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (...) En God zegende hen.’ (Genesis 1:26–28.)

Geschapen naar Gods beeld. Je kunt die overtuiging niet echt hebben zonder een sterk gevoel van kracht en macht te krijgen. Als heiligen der laatste dagen weten we dat we al leefden voordat we naar de aarde gingen, dat het sterfelijk leven een proeftijd is waarin we moeten tonen dat we Gods gebod gehoorzamen en daarmee in aanmerking komen voor celestiale heerlijkheid. Ja, wij weten wie we zijn en wat God verwacht dat we worden. Maar die kennis geeft ons nog niet de zekerheid dat we met succes het doel van het eeuwige leven bereiken.

Gedurende de afgelopen vijftig jaar is er in de hele wereld sprake van een geleidelijke maar voortdurende neergang in veel aspecten van het leven. Wij zien relaties zonder moraal, wetenschap zonder menselijkheid, kennis zonder karakter, zaken zonder ethiek, aanbidding zonder opoffering, plezier zonder geweten, politiek zonder principes en rijkdom zonder werken.

De beroemde auteur Charles Dickens heeft onze tijd twee eeuwen geleden misschien wel het beste gekarakteriseerd met de volgende beschrijving uit zijn klassieker A Tale of Two Cities, die met deze woorden begint:

‘Het was de beste tijd, het was de slechtste tijd, het was de tijd van wijsheid, het was de tijd van dwaasheid, het was het tijdperk van geloof, het was het tijdperk van ongeloof, het was het seizoen van licht, het was het seizoen van duisternis, het was de lente van hoop, het was de winter van wanhoop, we hadden alles in het verschiet, we hadden niets in het verschiet.’

Dit is jullie wereld. De toekomst ligt in jullie handen. De uitkomst ligt in jullie handen. De weg naar de verhoging is geen snelweg met ongehinderd zicht, onbeperkte snelheden en onbeproefde vaardigheden. Nee, hij wordt gekenmerkt door veel splitsingen, scherpe bochten en maximumsnelheden. Je rijvaardigheid wordt er op de proef gesteld. Ben je er klaar voor? Je bent al aan het rijden. Maar je bent nog nooit deze kant op geweest. Gelukkig heeft de Meesterwegenbouwer, onze hemelse Vader, ons een wegenkaart gegeven waarop de te volgen route staat aangegeven. En Hij heeft wegwijzers neergezet om je naar je bestemming te gidsen. Misschien herken je er een paar:

• ‘Eer uw vader en uw moeder’ (Exodus 20:12).
• ‘Onderzoekt de Schriften, want (...) deze zijn het, welke van Mij getuigen.’ (Johannes 5:39.)
• ‘Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid.’ (Matteüs 6:33.)
• ‘Reinigt u.’ (3 Nephi 20:41.)

De boze heeft ook wegwijzers geplaatst om onze vooruitgang te kunnen stuiten en ons van het pad van de waarheid af te leiden naar de omweg van de zonde. Zijn omleidingen lopen alle dood. Heb je zijn wegwijzers gezien:

• Voor deze ene keer maar.
• Ik schaad er niemand mee behalve mijzelf.
• Ik mag mijn liefde geven zoals ik wil. Ik leid mijn leven zoals ik dat wil.
• De tijden zijn veranderd.

Daarbij zien we de verantwoordelijkheid om te kiezen opdagen, die onvermijdelijke crisis op het kruispunt van het leven. Hij die jullie wil neerhalen wacht geduldig op een donkere avond, op wankelende wilskracht, op een verward geweten of brein. Ben je bereid om je beslissingen te nemen bij het bereiken van de kruisingen?

Ik kan niet genoeg beklemtonen dat beslissingen onze bestemming bepalen. Je kunt geen eeuwige beslissingen nemen zonder eeuwige gevolgen.

Ik wil graag een eenvoudige formule geven aan de hand waarvan je kunt bepalen of je keuzes juist zijn. Hij is makkelijk te onthouden, maar soms moeilijk om toe te passen: ‘Je kunt niet goed zitten als je fout doet, en je kunt niet fout zitten als je goed doet.’ Je geweten waarschuwt je altijd als een vriend voordat hij je straft als een rechter.

De Heer heeft in mei 1831 in een openbaring aan de profeet Joseph Smith, ontvangen in Kirtland (Ohio), gezegd: ‘En hetgeen niet opbouwt, is niet van God, en is duisternis. Hetgeen van God is, is licht.’ (LV 50:23–24.)

Sommige dwazen keren de wijsheid van God de rug toe en volgen de verleidingen van de veranderlijke mode, de aantrekkingskracht van valse populariteit en de sensatie van het moment. Hun gedrag lijkt daarmee sterk op de rampzalige ervaring van Esau, die zijn geboorterecht verruilde voor een linzengerecht.

Om dit te illustreren wil ik de resultaten aanhalen van een opinieonderzoek, uitgevoerd door een gerenommeerde organisatie en gepubliceerd in een landelijk tijdschrift.2 Het opinieonderzoek was getiteld: ‘Zou je dit voor tien miljoen dollar doen?’ Ik wil jullie dezelfde vragen stellen die in het opinieonderzoek stonden:

• Zou je voor tien miljoen dollar in contanten je gezin permanent verlaten?
• Zou je met iemand trouwen van wie je niet hield?
• Zou je al je vrienden permanent opgeven?
• Zou je een jaar lang op een valse aanklacht gevangen willen zitten?
• Zou je in het openbaar je kleren uitdoen?
• Zou je een gevaarlijke baan nemen waarin je een kans van één op tien had om het leven erbij in te schieten?
• Zou je een jaar lang bedelaar willen zijn?

Van de mensen die aan het onderzoek deelnamen zou 1 procent zijn gezin verlaten, 10 procent een liefdeloos huwelijk sluiten, 11 procent zijn vrienden opgeven, 12 procent zich in het openbaar uitkleden, 13 procent zou een jaar de gevangenis in gaan, 14 procent zou een riskante baan nemen en 21 procent zou een jaar lang bedelaar worden.

Als geld in plaats van moraal iemands gedrag bepaalt, is men geneigd zich van God af te keren. En als men zich van God afkeert, resulteert dat in verbroken verbonden, onvervulde dromen, verdwenen ambities, onvervulde verwachtingen, stukgeslagen hopen en geruïneerde levens.

Ik smeek jullie om dat moeras van drijfzand te vermijden. Jullie hebben een edel geboorterecht. Het eeuwige leven in het koninkrijk van onze Vader is je doel. Zo’n doel wordt niet in één glorierijke poging bereikt, maar is het gevolg van een levenslange rechtschapen leefwijze, een opeenvolging van verstandige keuzes en een voortdurende doelgerichtheid. Net als de begeerde tien als rapportcijfer van een zwaar, verplicht studievak, zo ook vereist de beloning van het eeuwige leven inzet.

Er is een fabel over Euclides, Farao en geometrie. Volgens het verhaal zou Farao, geïntrigeerd door de uitleg en de demonstraties van Euclides, geometrie hebben willen leren, en Euclides nam de taak op zich om het hem te leren. Hij bestudeerde het een tijdje en riep toen Euclides bij zich en zei dat het hem te lang duurde. Hij was Farao: er moest een snellere manier zijn. Hij wilde niet al zijn tijd steken in de studie van de geometrie. Toen verwoordde Euclides de volgende grote waarheid: ‘Uwe majesteit, er is geen koninlijke weg naar de geometrie.’3

Jonge vrienden, er is geen koninklijke weg naar het heil en de verhoging. Er is geen koninklijke weg naar succes op welk gebied dan ook. De tien is het gevolg van elk onderwerp, elke mondelinge beurt, elke les, elk examen, elke scriptie. Dus elk doorvoeld gebed, elke bijgewoonde kerkbijeenkomst, elke goede vriend, elke rechtschapen beslissing, elke dienstbare daad gaat vooraf aan dat doel van het eeuwige leven.

Toen ik enkele maanden geleden terugkwam van een opdracht in Duitsland, keek ik uit het vliegtuigraam en verwonderde mij over de sterren aan de hand waarvan de navigator onze koers bepaalde. Ik moest denken aan jullie en aan de kans die ik kreeg om vanavond bij jullie te zijn. Ik dacht aan de ware uitspraak: ‘Idealen zijn als sterren; je kunt ze nooit met je handen aanraken. Maar (...) als je ze als gids neemt en ze volgt, zul je je bestemming bereiken.’4

Welke idealen moeten je volgen om de zegeningen te ontvangen die je zo nastreeft, namelijk een gerust geweten, vrede in je hart, een liefhebbend gezin en een bevredigend thuisleven?

Ik zal er drie noemen:

Kies je vrienden voorzichtig uit.

Plan je toekomst gericht.

Leid je leven in geloof.

Ten eerste: kies je vrienden voorzichtig uit.

Uit een onderzoek dat we in enkele wijken en ringen van de kerk hebben gedaan, hebben we iets heel opmerkelijks geleerd. Mensen met vrienden die in de tempel waren getrouwd, trouwden over het algemeen zelf ook in de tempel, terwijl mensen met vrienden die niet in de tempel waren getrouwd over het algemeen zelf ook niet in de tempel trouwden. De invloed van iemands vrienden leek groter te zijn dan de aandrang van de ouders, de invloed van klassikaal onderwijs of de nabijheid van een tempel.

Wij hebben de neiging om te worden zoals de mensen die we bewonderen. Net als in het tijdloze verhaal van Nathaniel Hawthorne, ‘The Great Stone Face’, nemen we de manieren, houding en zelfs het gedrag over van mensen die wij bewonderen — en dat zijn meestal onze vrienden. Ga om met mensen die, net als jullie, niet alleen maar materiële gemakken willen en oppervlakkige doelen of beperkte ambities, maar die willen waar het werkelijk om draait, die een eeuwig doel hebben.

Op de muur van de Stanford University Memorial Hall staat de volgende waarheid geschreven: ‘Wij moeten onze jongeren leren dat alles wat niet eeuwig is, te kort duurt, en dat alles wat niet oneindig is, te klein is.’5

Ik spoor jullie ook aan om naast je aardse vrienden ook je hemelse Vader als vriend te nemen. Hij staat klaar om de gebeden van je hart te verhoren. Daar Hij de Vader van je geest is en Hij je naar zijn beeld heeft geschapen, en Hij het einde vanaf het begin weet, zal zijn wijsheid niet falen en is zijn raad altijd goed. Word goede vrienden met Hem.

Er is nog een andere belangrijke vriend die je zou moeten hebben, en dat is je bisschop. Hij is van Godswege geroepen door profetie en oplegging van handen door hen die daarvoor het gezag bezitten. Hij heeft recht op hemelse hulp om jou raad en leiding te geven. Word goede vrienden met hem.

Ik heb een levendige herinnering aan de moeilijkheden waarmee de jongeren werden geconfronteerd in de wijk die ik eens als bisschop presideerde. Op een avond kwam een lieftallig tienermeisje met haar vriendje naar mijn kantoortje voor een gesprek. De twee waren erg verliefd en ze begonnen moeite te krijgen met verleiding.

Tijdens het gesprek beloofden ze elkaar wederzijds dat ze de verleiding zouden weerstaan en dat ze het doel van een tempelhuwelijk boven alles voor ogen zouden houden. Ik suggereerde een methode van aanpak voor ze en kreeg toen de ingeving om te zeggen: ‘Als je je ooit in een situatie bevindt waar je voelt dat het misgaat en dat je extra steun nodig hebt, bel me dan, ongeacht hoe laat het is.’

Op een dag ging om één uur ’s morgens de telefoon. En een stem zei: ‘Bisschop, u spreekt met Susan. Weet u nog dat u vroeg of ik u wilde bellen als ik in verleiding was? Nou, bisschop, ik bevind me nu in die situatie.’ Ik vroeg waar ze was en ze beschreef een populaire parkeerplek in de Salt Lake Valley. Haar verloofde en zij waren naar een telefooncel gelopen om me te bellen. Het was niet de ideale situatie voor een adviesgesprek, maar de behoefte was groot en het jonge paar was ontvankelijk.

Ik zal niet vertellen hoe vaak Susan belde. Maar toen de postbode ons haar huwelijksaankondiging bracht en mijn vrouw voorlas: ‘De heer en mevrouw Jones nodigen u hartelijk uit om aanwezig te zijn bij de huwelijksreceptie van hun dochter Susan’, verzuchtte ze: ‘Godzijdank!’ En toen ik onderaan de kleine lettertjes las — ‘Gehuwd in de Salt Laketempel’ — zei ik tot mezelf: ‘Godzijdank voor de kracht van onze jongeren.’

Kies je vrienden voorzichtig uit.

Ten tweede: plan je toekomst gericht.

De grote Thomas Carlyle heeft eens gezegd: ‘Een mens zonder levensdoel is net een schip zonder roer, een verschoppeling, een nul. Zorg dat je een levensdoel hebt, en als je het eenmaal hebt, geef het dan alle spier- en hersenkracht die God je heeft gegeven.’6

Vele jaren geleden was ik zendingspresident. Ik had 450 fantastische, toegewijde zendelingen. Toen we na drie jaar terug in Salt Lake City waren en we onze zendelingen overliepen, verbaasden mijn lieve vrouw en ik ons op een avond erover dat enkele zendelingzusters nog geen eeuwige metgezel hadden gevonden. We besloten dat we ons best zouden doen om ze te helpen. Ik zei tegen mijn vrouw: ‘Frances, laten we eens drie of vier van onze lieftallige zendelingzusters bij ons thuis uitnodigen. We houden een activiteit waarbij zij ons kunnen zeggen welke van alle teruggekeerde mannelijke zendelingen ze ons willen laten uitnodigen voor een haardvuuravond bij ons thuis. Dan tonen we op die haardvuuravond foto’s van de zending en delen we de zitplaatsen zo in dat ze elkaar goed kunnen leren kennen.’ Zo gezegd, zo gedaan, en ik kan u zeggen dat de vier meisjes die we uitnodigden enthousiast reageerden op het idee.

We hadden in schoenendozen 12 bij 18 foto’s van alle zendelingen. We hadden vier zo’n dozen vol zendelingenfoto’s. Toen die vier meisjes in onze woonkamer zaten, zei ik tegen ze: ‘We hebben een cadeau voor je. Kijk deze doos met foto’s eens door en vertel me wie op al die foto’s de jonge man is die je het liefst had uitgenodigd voor deze haardvuuravond.’ Nou, dat leverde een interessant tafereel op. Ik denk dat ik het ’t beste kan beschrijven met een retorische vraag: Heb je wel eens kinderen op kerstochtend gezien? We zetten onze plannen door en nodigden de vier gekozen jonge mannen uit om zich bij deze vier jonge dames bij ons thuis te voegen, en we hadden een heerlijke avond. Aan het eind van de avond, merkte ik dat twee van hen langzaam onze uitrit afliepen. En ik zei tegen mijn vrouw: ‘Dat ziet er veelbelovend uit.’ Ze liepen erg dicht bij elkaar.

Niet lang daarna kreeg ik een telefoontje van de jonge man. Hij zei: ‘President Monson, weet u nog dat ik u beloofd heb om het u te vertellen als ik ooit verliefd werd?’

Ik zei: ‘Jazeker.’

Hij vervolgde: ‘President, ik ben verliefd.’

Ik antwoordde: ‘Goed. Met wie?’

Hij zei: ‘Dat raadt u nooit.’

Ik was discreet: ik raadde het niet. Ik zei: ‘Vertel het me maar.’ En hij noemde de naam van de zendelingzuster met wie hij zij aan zij en hand in hand had gelopen na die gezellige avond bij ons thuis. Ze zijn nu 42 jaar getrouwd en hebben vijf kinderen en veel kleinkinderen.

Sommigen van jullie zijn al getrouwd. Anderen zijn nog op zoek naar die speciale persoon met wie zij de eeuwigheid willen doorbrengen. Voor diegenen die tot de laatstgenoemde categorie behoren: je zou er goed aan doen om je in je zoektocht naar de man of vrouw van je dromen te laten leiden door de raad die koning Arthur in de musical Camelot gaf. Toen koning Arthur voor een bepaald dilemma stond, zei hij iets wat hij net zo goed tegen ons allen had kunnen zeggen: ‘We mogen niet toestaan dat onze passies onze dromen vernietigen.’7 Ik hoop dat jullie je aan die fundamentele raad zullen houden. Ik spoor je aan om vast te houden aan je normen. Ik smeek je om sterk te zijn.

Als jongen had ik een bijzondere zondagsschoolleerkracht die inmiddels overleden is. Ze heette Lucy Gertsch.

Lucy was aantrekkelijk en erg lief. Ze verdiende een goede man, maar had er nog geen gevonden. De jaren vlogen voorbij en Lucy had zich er al mee verzoend dat ze nooit zou trouwen. Maar toen ze midden veertig was, ontmoette ze Dick. Het was liefde op het eerste gezicht. Maar er was één probleem: Dick was geen lid van de kerk. Gaf Lucy toe aan de eeuwenoude fout om uit wanhoop te trouwen, met de vluchtige hoop dat hij ooit lid van de kerk zou worden? Lucy niet. Zij was verstandiger. Ze zei gewoon tegen hem: ‘Dick, ik vind je geweldig, maar we zouden nooit gelukkig worden als we samen uitgingen.’

‘Waarom niet?’, wilde hij weten.

‘Omdat je geen mormoon bent.’

‘Hoe word ik mormoon? Ik wil met je uitgaan.’ Hij bestudeerde het evangelie. Zij beantwoordde zijn vragen. Hij kreeg een getuigenis en werd gedoopt.

Toen zei hij: ‘Lucy, nu ik lid ben, kunnen we eindelijk trouwen.’

Lucy antwoordde: ‘O, Dick, ik houd zo veel van je. Nu je echter lid van de kerk bent, zou je alleen maar tevreden zijn met een tempelhuwelijk.’

‘Hoe lang duurt dat, Lucy?’

‘Ongeveer een jaar, als we aan alle andere vereisten voldoen.’ Een jaar later gingen Lucy en Dick naar het huis des Heren.

De waarheid in het volgende gedichtje leefde Lucy na:

Durf mormoon te zijn;
Durf alleen te staan;
Durf een vast doel te hebben;
Durf ervoor uit te komen.8

Plan je toekomst gericht.

Ten derde: leid je leven in geloof

Te midden van de verwarring van onze tijd, de gewetensconflicten en de beroering van het dagelijks leven, wordt een standvastig geloof een anker voor ons leven.

Kleine kinderen kunnen ons interessante voorbeelden van geloof geven. Enige tijd geleden noteerde ik een korte samenvatting van ‘brieven van kinderen aan God’ uit een van onze landelijke tijdschriften. Ik vond ze erg interessant.

Kleine Mark schreef: ‘Beste God. Ik wacht maar op de lente, maar hij komt niet. Niet vergeten, hoor!’

Een ander kind zei: ‘Beste God. Als Ú die regel hebt bedacht dat kinderen het vuilnis buiten moeten zetten, verander die regel dan.’

Kleine Beth schreef: ‘Beste God, als U zondag in de kerk kijkt, zal ik u mijn nieuwe schoenen laten zien.’

Jeff schreef: ‘Beste God. Ik vind het geweldig zoals U de sterren altijd op de goede plek weet te krijgen. Waarom lukt dat met de maan niet?’

Joyce schreef: ‘Beste God. Bedankt voor mijn kleine broertje, maar ik had eigenlijk om een jong hondje gebeden.’

Ik vind deze van Matthew nog het mooiste: ‘Beste God. Ik heb uw boek gelezen en ik vind het mooi.’ Dan vraagt hij: ‘Ik wil ook een keer een boek schrijven met net zulke verhalen. Waar haalt U uw ideeën vandaan? Vriendelijke groeten.’9

Waar geloof vereist vastberadenheid, de soort vastberadenheid zoals die werd beschreven door een 21-jarige studente, die zei:

‘Door alle mogelijke communicatiemiddelen wordt onze generatie blootgesteld aan grote en kleine angsten — de kleine angst om geen levenspartner te vinden als men een bepaalde mondspoeling niet gebruikt, of de angst om niet geaccepteerd te worden als men zich overgeeft aan een lage morele norm omdat het nu eenmaal “de aard van het beestje” is.’

Velen van ons accepteren beweringen zoals: ‘Je kunt de overheid niet bestrijden’, of: ‘Leef bij de dag, want morgen worden we vernietigd door een kernoorlog of een andere ramp.’

‘Ik ben ouderwets genoeg om in God te geloven, om te geloven in de waardigheid en het potentieel van zijn schepping, de mens. En ik ben realistisch genoeg, niet idealistisch, om te weten dat ik daar niet alleen in sta.

Sommigen zeggen dat wij, in tegenstelling tot andere generaties, geen opdracht in ons leven hebben — dat alles ons gewoon wordt aangereikt. We zijn echter niet verwend, maar geestelijk verarmd. Ik wil niet in de armoede van weelde leven — en ik kan niet alleen leven.’

Bedenk dat niemand tegelijkertijd geloof en twijfel kan hebben, want het ene zal het andere verdrijven. Sta sterk in je geloof.

Ik denk aan een verhaal dat ik las over de vrouw van een van onze pioniers. Ze heette Catherine Curtis Spencer. Haar man, Orson Spencer, was een attente, goed opgeleide man. Zij was opgevoed in Boston en was ontwikkeld en beschaafd. Orson en zij hadden zes kinderen. Na hun vertrek uit Nauvoo leed haar zwakke gezondheid onder de ontberingen. Ouderling Spencer schreef haar ouders en vroeg of zij bij hen mocht wonen tot hij een woning voor haar had geregeld in het westen. Hun antwoord luidde: ‘Als ze haar waardeloze geloof afzweert, mag ze terugkomen — eerder niet.’ Zuster Spencer weigerde haar geloof af te zweren. Toen de brief van haar ouders haar werd voorgelezen, vroeg ze haar man zijn bijbel te pakken en haar het volgende uit het boek Ruth voor te lezen: ‘Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God.’ (Ruth 1:16.) Buiten woedde de storm, de huif van de kar lekte en vriendinnen hielden melkpannen boven het hoofd van zuster Spencer om haar droog te houden. Onder die omstandigheden, en zonder een klacht te uiten, sloot ze voor de laatste keer haar ogen.10

Ook al zullen wij niet noodzakelijkerwijs ons leven verspelen bij het dienen van onze God, wij kunnen in elk geval onze liefde voor Hem tonen door hoe goed wij Hem dienen. Hij die ons stille gebed hoort, Hij die onze ongeëerde daden ziet, zal ons openlijk belonen als de tijd gekomen is.

Als de twijfel toeslaat, zeg dan gewoon tegen die sceptische, storende, opstandige gedachten: ‘Ik ben van plan bij mijn geloof te blijven, bij het geloof van mijn volk. Ik weet dat daar geluk en tevredenheid in schuilt, en ik verbied jullie, agnostische, twijfelende gedachten om het huis van mijn geloof te vernielen. Ik geef toe dat ik de wonderen in de Bijbel niet verklaren kan, en ik probeer dat ook niet, maar ik accepteer Gods woord. Ik heb Joseph niet gekend, maar ik geloof hem. Mijn geloof is niet door de wetenschap gekomen; evenmin zal ik die zogenaamde wetenschap toestaan het te vernietigen. Als ik mijn mening over God en zijn werk wijzig, komt dat uitsluitend door de inspiratie van God.’

Leid je leven in geloof.

Als jullie je vrienden voorzichtig kiezen, je toekomst doelgericht plannen en je leven in geloof leiden, zal de Heilige Geest je metgezel zijn. Dan heb je volmaakte hoop. Je zult door eigen ervaring getuigen van de waarheid van deze belofte van de Heer: ‘Ik, de Heer, ben barmhartig en genadig jegens hen, die Mij vrezen, en Ik schep er behagen in hen te eren die Mij in gerechtigheid en waarheid dienen tot het einde. Groot zal hun loon zijn en eeuwig hun heerlijkheid.’ (LV 76:5–6.)

Van die volmaakte waarheden geef ik plechtig mijn getuigenis en ik smeek de zegeningen van onze hemelse Vader over ieder van jullie af, in de naam van Jezus Christus, de Heer. Amen.

Noten

1. Tekst door Joan Whitney, muziek door Alex Kramer, in: “Far Away Places,” 1948.

2. Zie James Patterson en Peter Kim in: The Day America Told the Truth: What People Really Believe About Everything That Really Matters (1991).

3. Euclides tegen Ptolemaüs I; zie het voorwoord tot Proclus (Een commentaar over Euclides).

4. Toespraak van Carl Schurz te Boston op 18 april, 1859.

5. http://religiouslife.stanford.edu/memorial_church/inscriptions.html

6. Zie Harold B. Lee, in conferentieverslag, oktober 1952, blz. 17; Thomas S. Monson, in conferentieverslag, april 1982, p. 84.

7. Alan Jay Lerner en Frederick Loewe, Camelot (1960).

8. Thomas S. Monson, Liahona, juli 2000, p. 54; zie ook Mark E. Petersen, in conferentieverslag, april 1952, p. 104.

9. Stuart Hample en Eric Marshall, samenstellers van: More Children’s Letters to God (1967); Hample en Marshall: Children’s Letters to God: The New Collection (1991).

10. Zie Nicholas G. Morgan, “And Thus History Was Made,” Improvement Era, juli 1940, p. 399; zie ook Preston Nibley, Exodus to Greatness (1947), pp. 132–135.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy