The Christus statueThe Church of Jesus Christ of Latter-day Saints Search | Feedback | Site Map | Help | Country Sites |
Home Gospel Library Worldwide Leadership Training Meeting: Supporting the Family Sister Bonnie D. Parkin

Een hemels huis, een eeuwig gezin

President Thomas S. Monson
Eerste raadgever in het Eerste Presidium

President Thomas S. MonsonBouwen aan een eeuwig huis

In een geest van ootmoed vertegenwoordig ik het Eerste Presidium als slotspreker van deze bijeenkomst. Wij zijn geïnspireerd en opgebouwd door de woorden van de ouderlingen Bednar en Perry en van zuster Parkin. We hebben het over het gezin gehad en zijn eraan herinnerd dat ‘het gezin de basis is van een rechtschapen leven, en niets anders kan zijn plaats innemen of zijn essentiële functies vervullen.’1

Een thuis is veel meer dan een huis van hout en steen. Een thuis is gemaakt van liefde, opoffering en respect. Wij zijn verantwoordelijk voor het thuis dat wij opbouwen. We moeten wijs bouwen, want de weg naar de eeuwigheid is niet kort. We zullen onderweg windstilte en storm hebben, zonlicht en schaduw, vreugde en verdriet. Maar als we werkelijk ons best doen, kan ons thuis een stukje hemel op aarde zijn. Wat wij denken, wat wij doen, hoe wij leven, dat beïnvloedt niet alleen het succes van onze reis op aarde, maar bepaalt ook onze koers naar onze eeuwige doelen.

Sommige gezinnen in de kerk bestaan uit een moeder, vader en kinderen die allemaal thuis wonen, terwijl anderen tot hun verdriet de een na de ander hebben zien vertrekken. Soms bestaat een gezin uit maar één persoon. Ongeacht zijn samenstelling, het gezin blijft voortbestaan, want het kan eeuwig zijn.

We kunnen veel leren van de Meester-architect, namelijk de Heer. Hij heeft ons geleerd hoe we moeten bouwen. Hij zegt: ‘Geen (…) huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden’ (Matteüs 12:25). Later waarschuwt Hij: ‘Zie, mijn huis is een huis van orde (…) en niet een huis van wanorde’ (LV 132:8).

In een openbaring die Hij aan de profeet Joseph Smith gaf te Kirtland (Ohio) op 27 december 1832 adviseert de Meester: ‘Organiseert u; bereidt alle nodige dingen voor; en vestigt een huis, ja, een huis van gebed, een huis van vasten, een huis van geloof, een huis van leren, een huis van heerlijkheid, een huis van orde, een huis van God’ (LV 88:119; zie ook 109:8).

Waar kan iemand van ons een geschikter bouwplan vinden om wijs en juist mee te bouwen? Zo’n huis voldoet aan de bouwvoorschriften die in Matteüs staan, ja, een huis ‘op een rots gebouwd’ (Matteüs 7:24–25; zie ook Lucas 6:48; 3 Nephi 14:24–25), een huis dat de regens van tegenspoed kan weerstaan, de vloed van tegenstand en de winden van twijfel, die overal in onze moeilijke, veranderende wereld voorkomen.

Sommigen kunnen tegenwerpen: ‘Maar die openbaring werd gegeven voor de bouw van een tempel. Is zij dan wel op ons van toepassing?’

Mijn antwoord luidt: ‘Heeft de apostel Paulus niet gezegd: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?”’ (1 Korintiërs 3:16.)

Laat de Heer de hoofdaannemer voor ons bouwproject zijn. Dan kunnen wij allemaal onderaannemers zijn die de verantwoording dragen voor een essentieel onderdeel van het hele project. Bovendien zijn we allemaal bouwers. We bouwen niet alleen ons eigen thuis, maar zijn ook verantwoordelijk voor de opbouw van het koninkrijk Gods hier op aarde door getrouw en doeltreffend onze kerkroepingen te vervullen. Ik wil wat richtlijnen van God, levenslessen en punten ter overweging geven voor het bouwen.

Neerknielen om te bidden

‘Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal hij uw paden recht maken’ (Spreuken 3:5–6). Aldus de wijze Salomo, zoon van David, koning van Israël.

Op dit, het Amerikaanse halfrond, heeft Jakob, broer van Nephi, gezegd: ‘Vertrouwt op God met een onwrikbaar gemoed en bidt tot Hem met buitengewoon groot geloof’ (Jakob 3:1).

Deze door God geïnspireerde raad is voor ons in deze tijd als kristalhelder water voor uitgedroogde grond. Wij leven in roerige tijden.

Nog maar enkele generaties geleden had men zich de wereld waarin wij nu leven niet kunnen voorstellen, laat staan de problemen die hij met zich meebrengt. Wij worden omringd door onzedelijkheid, pornografie, geweld, drugs, en nog meer kwalen die de hedendaagse samenleving teisteren. Het is onze uitdaging en zelfs onze plicht om niet alleen onszelf ‘onbevlekt van de wereld’ (Jacobus 1:27) te houden, maar ook onze kinderen en anderen voor wie wij verantwoordelijk zijn veilig over de stormachtige zeeën van zonde om ons heen te sturen zodat wij eens mogen terugkeren om bij onze hemelse Vader te wonen.

Onze eigen gezinsleden trainen vereist onze aanwezigheid, tijd en uiterste inzet. Om doeltreffend te trainen, moeten we trouw een goed voorbeeld aan onze gezinsleden geven en beschikbaar zijn voor en tijd doorbrengen met ieder gezinslid apart, maar ook tijd besteden aan raad en leiding geven.

Vaak voelen we ons overweldigd door de taak waarvoor wij staan. Maar hulp is altijd nabij. Hij die ieder van zijn kinderen kent zal ons vurige, doorvoelde gebed om hulp beantwoorden met leiding. Een dergelijk gebed zal meer problemen oplossen, meer lijden verlichten, meer overtredingen voorkomen en een mensenziel grotere gemoedsrust en tevredenheid schenken dan enige andere methode.

We moeten die leiding niet alleen aan ons eigen gezin geven, maar we zijn ook geroepen tot leiderschapsposities waarin we verantwoordelijk zijn voor anderen. Als bisschop of raadgever, quorumleider of leidinggevende in een hulporganisatie bent u in staat om iets goeds tot stand te brengen in het leven van andere mensen. Sommigen komen misschien uit een gezin waar niet allen lid zijn, of een minderactief gezin. Sommigen hebben zich misschien van hun ouders afgekeerd en hun smeekbeden en raad genegeerd. Wij zouden wel eens het werktuig in de handen van de Heer kunnen zijn dat in zo’n situatie iets goeds tot stand kon brengen. Maar wij kunnen niet alles doen waartoe wij geroepen zijn zonder leiding van onze hemelse Vader. En die hulp krijgen wij door gebed.

Een vooraanstaand Amerikaans rechter werd eens gevraagd wat wij, als burgers van de landen in de wereld, kunnen doen om de misdaad en de ongehoorzaamheid aan de wet terug te dringen, en vrede en tevredenheid in ons leven en ons land tot stand te brengen. Hij antwoordde bedachtzaam: ‘Ik stel voor dat we het ouderwetse gebruik van het gezinsgebed weer oppakken.’

Zijn wij als leden niet dankbaar dat gezinsgebed voor ons geen achterhaald gebruik is? Er schuilt waarheid in het oude gezegde: ‘Het gezin dat samen bidt, blijft samen.’

De Heer zelf heeft gezegd dat we gezinsgebed moeten houden: ‘Bidt in uw gezin tot de Vader, altijd in mijn naam, zodat uw vrouw en uw kinderen gezegend worden’ (3 Nephi 18:21).

Wij, als ouders, leerkrachten en leidinggevenden in welke positie dan ook, kunnen het ons niet veroorloven om deze potentieel gevaarlijke reis door het sterfelijk leven te ondernemen zonder hemelse bijstand om hen te leiden voor wie wij verantwoordelijk zijn.

Laten we bij het gezinsgebed en bij ons persoonlijk gebed geloof en vertrouwen in God hebben. Kniel neer om te bidden.

Opstaan om dienstbaar te zijn

Een voorbeeld hiervan vinden we in het leven van de Heer. Het leven van Jezus, met zijn bediening onder de mensen, is als een stralend licht van goedheid. Hij gaf de benen van de kreupele kracht, de ogen van de blinde zicht, de oren van de dove gehoor, en het lichaam van de dode leven.

Zijn gelijkenissen maken indruk. Met de barmhartige Samaritaan leerde Hij ons: ‘Hebt uw naaste lief.’ (Zie Lucas 10:30–35.) Met zijn vriendelijkheid voor de overspelige vrouw leerde Hij ons om mededogen en begrip te tonen. (Zie Johannes 8:3–11.) Met zijn gelijkenis van de talenten leerde Hij ons dat we ons moeten verbeteren en streven naar volmaking. (Zie Matteüs 25:14–30.) Hij bereidde ons waarschijnlijk voor op onze rol in het opbouwen van een eeuwig gezin.

Ieder van ons — of we nu priesterschapsleider zijn of functionaris in een hulporganisatie — draagt verantwoording uit hoofde van zijn of haar heilige roeping. We zijn aangesteld voor het werk waartoe wij geroepen zijn. In Leer en Verbonden 107:99 zegt de Heer: ‘Welnu, laat eenieder zijn plicht leren kennen en het ambt waartoe hij is aangewezen, met alle ijver leren uitoefenen.’ Zijn wij een steun en zegen voor hen voor wie wij in het kader van onze kerkroeping verantwoordelijk zijn, dan zijn wij in feite ook een steun en zegen voor hun gezin. En zo kan wat wij doen in ons gezin en in onze kerkroepingen eeuwige gevolgen hebben.

Vele jaren geleden werd ik als bisschop van een grote wijk met meer dan duizend onderling zeer verschillende leden in het centrum van Salt Lake City geconfronteerd met allerlei moeilijkheden.

Op een zondagmiddag kreeg ik een telefoontje van de eigenaar van een winkel binnen de grenzen van onze wijk. Hij zei dat er die ochtend een jongetje was binnengekomen die een ijscoupe had gekocht. Hij had die betaald met geld uit een envelop, maar had bij zijn vertrek vergeten de envelop mee te nemen. Toen de eigenaar van de winkel de envelop bekeek, zag hij dat het een vastengavenenvelop was met de naam en het telefoonnummer van onze wijk. Toen hij de jongen in de winkel beschreef, wist ik meteen wie het was — een jonge diaken uit een minderactief gezin in onze wijk.

Aanvankelijk was ik geschokt en teleurgesteld dat een van onze diakenen op zondag met vastengavengeld dat voor behoeftigen bestemd was naar een winkel ging en er iets lekkers van kocht. Ik besloot de jongen die middag te bezoeken en hem iets te leren over de heilige geldmiddelen van de kerk en zijn plicht als diaken om dat geld in te zamelen en veilig te houden.

Op mijn rit naar het huis van de diaken en zijn familie sprak ik innerlijk een gebed uit om leiding zodat ik zou weten wat ik moest zeggen. Ik arriveerde bij het huis en klopte aan. De moeder van de jongen deed open en ik werd binnengelaten. Hoewel er nauwelijks licht was, zag ik hoe klein en aftands het interieur was. De weinige meubelen waren tot op de draad versleten. De moeder zelf zag er afgemat uit.

Mijn verontwaardiging over het gedrag van haar zoon die ochtend maakte plaats voor het besef dat dit gezin zeer behoeftig was. Ik had het gevoel dat ik de moeder moest vragen of ze voedsel in huis had. In tranen gaf ze toe dat er niets was. Ze vertelde me dat haar man al enige tijd zonder werk zat en dat ze niet alleen dringend voedsel nodig hadden, maar ook geld om de huur te betalen zodat ze niet uit het huisje gezet zouden worden.

Ik heb de kwestie van de vastengaven nooit aangesneden, want ik besefte dat de jongen waarschijnlijk van de honger verging toen hij naar de winkel ging. In plaats daarvan regelde ik onmiddellijk hulp voor het gezin zodat ze iets te eten en een dak boven het hoofd hadden. Bovendien lukte het met hulp van priesterschapsleiders in de wijk om werk te vinden voor de echtgenoot zodat hij verder zelf in het onderhoud van zijn gezin kon voorzien.

Wij, als leidinggevenden in de priesterschap en de hulporganisaties, hebben recht op de hulp van de Heer om onze roeping groot te maken en onze taken te vervullen. Vraag Hem om hulp. En als u inspiratie krijgt, handel dan naar uw ingeving waar u heen moet gaan, wie u moet spreken, wat u moet zeggen en hoe u het moet zeggen. We kunnen zolang over iets zitten denken dat de gedachte vruchteloos wordt. Maar als we iets doen met die gedachte, zijn we andere mensen tot zegen.

Mogen wij ware herders zijn voor hen die onder onze verantwoordelijkheid vallen. John Milton heeft in zijn gedicht ‘Lycidas’ geschreven: ‘De hongerige schapen kijken op en worden niet gevoed’ (lijn 125). De Heer zelf heeft tegen de profeet Ezechiël gezegd: ‘Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden [en niet] de schapen’ (Ezechiël 34:2–3).

Het is onze plicht om voor de kudde te zorgen — want deze dierbare schapen en lammeren zijn overal te vinden. Thuis in ons eigen gezin, onder onze verdere familieleden, maar ook in onze kerkroeping. Jezus is ons Voorbeeld. ‘Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne’ (Johannes 10:14). Wij hebben een herderlijke plicht. Mogen wij allen opstaan om ons dienstbaar te maken.

De hand uitstrekken om te redden

Op de reis over het levenspad vallen er slachtoffers. Sommigen wijken af van de wegwijzers die leiden naar het eeuwige leven en ontdekken dat de gekozen omleiding uiteindelijk doodloopt. Onverschilligheid, zorgeloosheid, egoïsme en zonde eisen alle hun kostbare tol in het leven van de mens. Er zijn mensen die om onverklaarbare redenen marcheren op het geluid van een andere tamboer, om er later achter te komen dat zij de rattenvanger van ellende en lijden zijn gevolgd.

In 1995 richtte het Eerste Presidium zich speciaal tot hen die waren afgedwaald van de kudde van Christus en gaf een verklaring uit met de titel: ‘Een uitnodiging om terug te keren’. Die boodschap bevatte onder meer deze oproep:

‘Tot hen die zich om wat voor reden dan ook niet meer in de armen van de kerk bevinden, zeggen wij: kom terug. Wij nodigen u uit om terug te keren en deel te hebben aan de vreugde die eens de uwe was. U zult er veel mensen vinden die hun armen uitstrekken om u welkom te heten, te helpen en te troosten.

‘De kerk heeft uw kracht, liefde, loyaliteit en toewijding nodig. De koers waarmee iemand weer de volledige zegeningen van het lidmaatschap in de kerk kan ontvangen, is vast en zeker, en wij staan klaar om allen te ontvangen die dit willen.’

Misschien kan ik aan de hand van een veel voorkomend tafereel duidelijker maken welke kansen u hebt om uw hand uit te steken en iemand te redden. Laten we eens kijken naar een gezin met een zoon die Jack heet. Heel zijn jonge leven hadden Jack en zijn vader al veel hevige ruzies gehad. Op een dag, hij was toen zeventien, ging het er bijzonder heftig aan toe. Jack zei tegen zijn vader: ‘Dit is de druppel die de emmer doet overlopen. Ik vertrek en ik kom nooit meer terug!’ Hij ging naar zijn kamer en pakte een tas. Zijn moeder smeekte hem te blijven, maar hij was te boos om te luisteren. Hij liet haar huilend in de deuropening achter.

Toen hij bijna het tuinhek uit was, hoorde hij zijn vader roepen: ‘Jack, ik weet dat ik voor een groot deel schuldig ben aan het feit dat je vertrekt. Dat spijt me oprecht. Ik wil dat je weet dat je, als je ooit terug wilt komen, altijd welkom bent. En ik zal proberen een betere vader voor je te zijn. Ik wil dat je weet dat ik van je houd, en altijd van je zal blijven houden.’

Jack zei niets, maar liep naar het busstation waar hij een kaartje kocht naar een verre bestemming. Terwijl hij in de bus de kilometers voorbij zag gaan, dacht hij aan de woorden van zijn vader. Hij begon te beseffen hoeveel moed en liefde ervoor nodig was geweest om te zeggen wat zijn vader had gezegd. Zijn vader had zijn excuses aangeboden. Hij had hem gevraagd terug te komen en de woorden ‘ik houd van je’ klonken nog na in de zomerlucht.

Toen besefte Jack dat hij de volgende stap moest zetten. Hij wist dat hij, om ooit gemoedsrust te hebben, zijn vader dezelfde mate van volwassenheid, goedheid en liefde moest tonen als zijn vader dat tegenover hem had gedaan. Jack stapte uit de bus. Hij kocht een kaartje en ging terug naar huis.

Hij kwam kort na middernacht aan, ging het huis binnen en deed het licht aan. Daar zat zijn vader in de schommelstoel, het hoofd gebogen. Toen hij opkeek en Jack zag, stond hij op uit de stoel en zij vlogen elkaar in de armen. Jack heeft vaak gezegd: ‘Die laatste jaren dat ik thuis was, behoorden tot de gelukkigste in mijn leven.’

Dit was een vader die, door zijn boosheid te beteugelen en zijn trots te overwinnen, zijn zoon redde voordat die zich kon voegen bij de grote groep ‘gevallenen’ uit ontwrichte en ontredderde gezinnen. Liefde was wat hen bond, de helende balsem. Liefde — iets wat zo vaak wordt gevoeld, maar zo weinig wordt uitgesproken.

Vanaf de berg Sinaï weerklinkt het in onze oren: ‘Eer uw vader en uw moeder’ (Exodus 20:12). En later kwam van diezelfde God de volgende opdracht: ‘Gij zult in liefde met elkaar leven’ (LV 42:45).

Volgens het ontwerp van de Heer

Kniel neer om te bidden. Sta op om dienstbaar te zijn. Strek uw hand uit om te redden. Elk van die stappen is een essentieel onderdeel van Gods ontwerp om van een huis een thuis en van een thuis een hemel te maken.

Evenwicht is van het grootste belang voor onze heilige, plechtige taken thuis en in onze kerkroepingen. We moeten met wijsheid, inspiratie en verstand te werk gaan in onze zorg voor ons gezin en het uitoefenen van onze kerkroepingen, want beide zijn van het grootste belang. We kunnen ons gezin niet verwaarlozen. We moeten onze kerkroepingen niet verwaarlozen.

Laten we goed bouwen zonder toe te geven op de kwaliteit en laten we daarbij Gods ontwerp volgen. En dan zegt de Heer, onze bouwinspecteur, misschien wel tegen ons, net als bij zijn verschijning aan Salomo, een bouwer uit een ander tijdperk: ‘Ik heb dit huis dat gij gebouwd hebt, geheiligd door mijn naam daar voor altijd te vestigen, en mijn ogen en mijn hart zullen daar te allen tijde zijn’ (1 Koningen 9:3). Dan hebben we een hemels thuis en een eeuwig gezin en kunnen wij mee andere gezinnen helpen sterken en tot zegen zijn.

Ik bid nederig en oprecht dat wij allen deze zegening mogen ontvangen. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Noot

1. Brief van het Eerste Presidium, 11 februari 1999; Liahona, december 1999. p. 1.

 
© 2008 Intellectual Reserve, Inc. All rights reserved.   Rights and use information.  Privacy policy