1 En nu, Jakob, spreek ik tot u: gij zijt mijn a in de dagen van mijn beproeving in de wildernis. En zie, in uw kinderjaren hebt gij ellende en veel smart doorstaan wegens de ruwheid van uw broeders.
2 Niettemin, Jakob, mijn eerstgeborene in de wildernis, kent gij de grootheid Gods; en Hij zal uw ellende voor uw welzijn heiligen.
3 Daarom zal uw ziel gezegend worden, en gij zult veilig wonen bij uw broeder, Nephi; en uw dagen zullen in dienst van uw God worden besteed. Daarom weet ik dat gij verlost zijt dankzij de rechtvaardigheid van uw Verlosser; want gij hebt gezien dat Hij in de volheid des tijds komt om de mensen redding te brengen.
4 En gij hebt in uw jeugd zijn heerlijkheid a; daarom zijt gij gezegend, evenals zij die Hij in het vlees zal bedienen; want de Geest is dezelfde gisteren, heden en voor eeuwig. En de weg is bereid sedert de val van de mens, en de redding is b.
5 En de mensen worden voldoende onderricht om a van kwaad te onderscheiden. En de wet is de mensen gegeven. En door de wet wordt geen vlees b; ofwel, door de wet worden de mensen c. Ja, door de stoffelijke wet zijn zij afgesneden; en voorts, door de geestelijke wet gaan zij verloren voor het goede en worden voor eeuwig ongelukkig.
6 Daarom komt er a in en door de heilige b; want Hij is vol c en waarheid.
7 Zie, Hij geeft Zichzelf als a voor de zonde om aan de doeleinden der wet te voldoen voor allen die een gebroken hart en een verslagen geest hebben; en voor niemand anders kan aan de b der wet worden voldaan.
8 Hoe belangrijk is het dus om deze dingen bekend te maken aan de bewoners der aarde, opdat zij zullen weten dat geen vlees in de tegenwoordigheid Gods kan wonen, a door de verdiensten en de barmhartigheid en de genade van de heilige Messias, die zijn leven naar het vlees aflegt en het door de macht van de Geest wederom opneemt, om de b der doden teweeg te brengen, doordat Hij de eerste is die opstaat.
9 Daarom is Hij de eersteling voor God, daar Hij zal a voor alle mensenkinderen; en zij die in Hem geloven, zullen behouden worden.
10 En wegens de bemiddeling voor a, komen alle mensen tot God; daarom staan zij in zijn tegenwoordigheid om door Hem te worden b naar de waarheid en c die in Hem zijn. Welnu, de doeleinden der wet die de Heilige heeft gegeven ter oplegging van de straf die eraan verbonden is, welke straf die eraan verbonden is in tegenstelling staat tot het geluk dat eraan verbonden is, om aan de doeleinden der d te voldoen —
11 want er moest wel een a in alle dingen zijn. Indien die er niet was, mijn eerstgeborene in de wildernis, dan kon er geen rechtvaardigheid worden teweeggebracht, noch goddeloosheid, heiligheid noch ellende, goed noch kwaad. Daarom moesten alle dingen wel een samengesteld geheel zijn; want, indien het één geheel was, zou het wel als dood moeten blijven, hebbende leven noch dood, verderfelijkheid noch onverderfelijkheid, geluk noch ellende, gevoel noch gevoelloosheid.
12 Daarom moest het wel als een zinloos iets zijn geschapen; derhalve zou de schepping ervan zonder a zijn geweest. Daarom moest het wel de wijsheid Gods en zijn eeuwige doeleinden, en ook de macht en de barmhartigheid en de b Gods, tenietdoen.
13 En indien gij zegt: Er bestaat a wet, moet gij ook zeggen: Er bestaat geen zonde. Indien gij zegt: Er bestaat geen zonde, moet gij ook zeggen: Er bestaat geen rechtvaardigheid. En indien er geen rechtvaardigheid bestaat, bestaat er geen geluk. En indien rechtvaardigheid noch geluk bestaan, bestaan straf noch ellende. En indien die dingen niet bestaan, b er geen God. En indien er geen God is, zijn wij er niet, noch de aarde; want er hadden geen dingen geschapen kunnen worden, noch om te handelen, noch om mee te handelen; daarom hadden alle dingen moeten ophouden te bestaan.
14 En nu, mijn zonen, zeg ik u deze dingen tot uw nut en lering; want er is wél een God, en Hij heeft alle dingen a, zowel de hemelen als de aarde en alle dingen die daarin zijn, zowel dingen om te handelen als dingen om b te handelen.
15 En om zijn eeuwige a ten behoeve van de mens te bereiken, moest er wel — nadat Hij onze eerste ouders had geschapen, en de dieren van het veld en de vogels van de lucht, kortom alle dingen die geschapen zijn — een tegenstelling zijn, namelijk de bc in tegenstelling tot de d des levens, de een zoet en de ander bitter.
16 Daarom stond de Here God de mens toe a te handelen. Welnu, de mens kon niet zelfstandig handelen, tenzij hij door het een of het ander werd b.
17 En ik, Lehi, moet wel veronderstellen, door de dingen die ik heb gelezen, dat een a Gods, naar hetgeen geschreven staat, b de hemel was gevallen; en aldus werd hij een c, omdat hij had gezocht wat kwaad was in de ogen van God.
18 En omdat hij uit de hemel was gevallen en voor eeuwig ellendig was geworden, a hij ook de ellende van het gehele mensdom. Daarom zeide hij tot b — ja, die oude slang, die de duivel is, die de vader is van alle c — daarom zeide hij: Neem van de verboden vrucht en gij zult niet sterven, maar gij zult als God zijn, d goed en kwaad.
19 En toen Adam en Eva van de verboden vrucht hadden a, werden zij uit de hof van b verdreven om de aardbodem te bebouwen.
20 En zij hebben kinderen voortgebracht; ja, het a der gehele aarde.
21 En de dagen der a werden verlengd, naar de wil van God, opdat zij zich zouden kunnen b tijdens hun bestaan in het vlees; daarom werd hun staat een c, en hun tijd werd verlengd overeenkomstig de geboden die de Here God de mensenkinderen gaf. Want Hij gebood alle mensen zich te bekeren; want Hij toonde alle mensen dat zij d waren wegens de overtreding van hun ouders.
22 En nu, zie, indien Adam niet had overtreden, zou hij niet zijn gevallen, maar zou hij in de hof van Eden zijn gebleven. En alle dingen die geschapen waren, hadden in dezelfde staat moeten blijven waarin zij na de schepping verkeerden; en zij hadden voor eeuwig zo moeten blijven en zouden geen eind hebben gehad.
23 En zij zouden geen a hebben gekregen; daarom zouden zij in een staat van onschuld zijn gebleven, zonder vreugde, want zij kenden geen ellende; zonder goed te doen, want zij kenden geen zonde.
24 Maar zie, alle dingen zijn gedaan in de wijsheid van Hem die a dingen weet.
25 ab, opdat de mensen zouden zijn; en de mensen c, opdat zij d zullen hebben.
26 En de a komt in de volheid des tijds om de mensenkinderen te b van de val. En doordat zij verlost zijn van de val, zijn zij voor eeuwig c geworden, het onderscheid kennende tussen goed en kwaad; om zelfstandig te handelen en niet om met zich te laten handelen, behalve door de straf der d op de grote en laatste dag, naar de geboden die God heeft gegeven.
27 Daarom zijn de mensen a naar het vlees; en worden hun alle dingen gegeven die voor de mens noodzakelijk zijn. En zij zijn vrij om b en c leven te kiezen door de grote Middelaar van alle mensen, of om gevangenschap en dood te kiezen, naar de gevangenschap en macht van de duivel; want hij streeft ernaar dat alle mensen ongelukkig zullen zijn, net als hijzelf.
28 En nu, mijn zonen, wil ik dat gij vertrouwt op de grote a en luistert naar zijn grote geboden; en getrouw zijt aan zijn woorden en het eeuwige leven kiest, naar de wil van zijn Heilige Geest;
29 en niet de eeuwige dood kiest, naar de wil van het vlees en het daarin schuilgaande kwaad, hetgeen de geest van de duivel macht geeft om u a te nemen, om u omlaag te trekken naar de b, teneinde in zijn eigen koninkrijk over u te regeren.
30 Ik heb deze weinige woorden tot u allen, mijn zonen, gesproken in de laatste dagen van mijn proeftijd; en ik heb, naar de woorden van de profeet, het goede deel gekozen. En ik heb niets anders op het oog dan het eeuwigdurend welzijn van uw ziel. Amen.