AFDELING 4
1–4: kloekmoedig dienstbetoon redt de dienaren van de Heer; 5–6: goddelijke eigenschappen maken hen geschikt voor de bediening; 7: de dingen Gods moeten worden nagestreefd.
1 NU, zie, een awonderbaar werk staat op het punt onder de mensenkinderen tevoorschijn te komen.
2 Daarom, o gij die u in adienst van God begeeft, ziet toe dat gij Hem met geheel uw bhart, macht, verstand en kracht cdient, opdat gij ten laatsten dage dschuldeloos voor God zult staan.
3 Daarom, indien gij verlangens hebt om God te dienen, zijt gij tot het werk ageroepen;
4 want zie, het aveld is reeds wit om te boogsten; en zie, hij die zijn sikkel met zijn macht inslaat, die legt een cvoorraad aan, zodat hij niet verloren gaat maar redding brengt voor zijn ziel;
5 en ageloof, bhoop, cmensenmin en dliefde, met het eoog alleen gericht op de feer van God, maken hem geschikt voor het werk.
6 Houdt geloof, adeugd, kennis, matigheid, bgeduld, broederlijkheid, godsvrucht, naastenliefde, cootmoed en dijver in gedachte.
7 aVraagt en gij zult ontvangen; klopt en u zal worden opengedaan. Amen.

