AFDELING 67
1–3: de Heer hoort de gebeden van zijn ouderlingen en waakt over hen; 4–9: Hij daagt degene uit die het wijste is om de geringste van zijn openbaringen na te bootsen; 10–14: getrouwe ouderlingen zullen door de Geest worden bezield en het aangezicht van God zien.
1 ZIET en luistert, o gij aouderlingen van mijn kerk, die bijeengekomen zijt, van wie Ik de gebeden heb gehoord, en van wie Ik het hart ken, en van wie de verlangens tot Mij zijn opgestegen.
2 Zie, mijn aogen rusten op u, en de hemelen en de aarde bevinden zich in mijn handen, en de rijkdommen der eeuwigheid zijn de mijne om te geven.
3 Gij hebt getracht te geloven dat gij de zegening die u werd aangeboden, zoudt ontvangen; maar zie, voorwaar, Ik zeg u: Er was avrees in uw hart, en voorwaar, dat is de reden dat gij niet ontvangen hebt.
4 En nu geef Ik, de Heer, u een agetuigenis van de waarheid van deze geboden die voor u liggen.
5 Uw ogen waren gevestigd op mijn dienstknecht Joseph Smith jr., en zijn ataalgebruik kende u, en zijn onvolmaaktheden kende u; en u hebt in uw hart gezocht naar kennis, opdat u zijn taalgebruik zou kunnen voorbijstreven; ook dat weet u.
6 Welnu, zoekt er een uit in het Boek der Geboden, ja, de geringste daaronder, en wijst degene aan die de awijste onder u is;
7 ofwel, indien er iemand onder u is die er een maakt daaraan gelijk, dan zijt gij gerechtvaardigd wanneer gij zegt niet te weten dat ze waar zijn;
8 maar indien gij er niet een kunt maken daaraan gelijk, staat gij onder veroordeling indien gij niet agetuigt dat ze waar zijn.
9 Want gij weet dat er geen onrechtvaardigheid in staat, en hetgeen arechtvaardig is, komt van boven, van de Vader der blichten.
10 En voorts, voorwaar, Ik zeg u dat het uw voorrecht is, en een belofte die Ik geef aan u die tot deze bediening bent geordend, dat voor zoverre u zich van aafgunst en bvrees ontdoet, en zich voor Mij cverootmoedigt, want gij zijt niet voldoende ootmoedig, de dsluier doormidden zal worden gescheurd en u Mij zult ezien en zult weten dat Ik ben — niet met het vleselijke, noch het natuurlijke verstand, maar met het geestelijke.
11 Want aniemand heeft God ooit in het vlees gezien, tenzij hij bezield was door de Geest Gods.
12 Noch kan enig anatuurlijk mens de tegenwoordigheid van God verdragen, noch met het vleselijke verstand.
13 Gij zijt niet in staat de tegenwoordigheid van God nu te verdragen, noch de bediening van engelen; daarom, volhardt in alle ageduld totdat gij bvervolmaakt zijt.
14 Ziet in gedachten niet om; en wanneer gij het awaardig zijt, zult gij, in de door Mij bestemde tijd, zien en weten wat u is verleend onder de handen van mijn dienstknecht Joseph Smith jr. Amen.

