Tot weerzien

Thomas S. Monson

President of the Church


We moeten volharden tot het einde, want ons doel is het eeuwige leven in de tegenwoordigheid van onze Vader in de hemel.
 

Geliefde broeders en zusters, mijn hart is ontroerd nu deze fijne algemene conferentie van de kerk ten einde loopt. Wij zijn geestelijk gevoed door te luisteren naar de raad en het getuigenis van de deelnemers aan de bijeenkomsten. Ik ben ervan overtuigd dat ik namens de leden van de kerk overal spreek als ik mijn grote dank uit voor de waarheden die wij hebben geleerd. We zouden met de woorden uit het Boek van Mormon kunnen spreken, van hen die de toespraak van koning Benjamin hadden gehoord en die ‘allen riepen […] als met één stem, zeggende: Ja, wij geloven alle woorden die gij tot ons hebt gesproken; en ook weten wij dat ze zeker en waar zijn, dankzij de Geest van de almachtige Heer.’ 1

Ik hoop dat we de tijd zullen nemen om de conferentietoespraken te lezen die worden gepubliceerd in de novemberuitgave van de Ensign en de Liahona, want zij verdienen het om zorgvuldig te worden bestudeerd.

Wat is het een zegen dat we hier in vrede, comfort en veiligheid bijeen konden komen in dit magnifieke Conferentiecentrum. Wij hebben een ongeëvenaard aantal mensen bereikt met deze conferentie, de uitzendingen zijn werelddelen en oceanen overgestoken naar mensen over de hele wereld. Ook al zijn wij ver weg van velen van u, wij voelen uw geest en wij hebben u lief en waarderen u.

Tegenover de broeders die deze conferentie zijn ontheven, spreek ik namens ons allen mijn grote dank uit voor de vele jaren dat u zich vol toewijding van uw taken gekweten hebt. Talloze mensen zijn gezegend door uw bijdragen aan het werk van de Heer.

Het Tabernakelkoor en de andere koren die aan de bijeenkomsten hebben deelgenomen, hebben waarlijk hemelse muziek ten gehore gebracht die alles mooier en beter heeft gemaakt. Ik dank u dat u ons wilde laten meegenieten van uw muzikale talenten en capaciteiten.

Ik heb veel liefde en waardering voor mijn trouwe raadgevers, president Henry B. Eyring en president Dieter F. Uchtdorf. Zij zijn echt wijze en begripvolle mensen en hun inzet is van onschatbare waarde. Ik zou niet alles kunnen doen waartoe ik geroepen ben zonder hun steun en hulp. Ik heb veel liefde en bewondering voor mijn broeders van het Quorum der Twaalf Apostelen en alle quorums der Zeventig en de Presiderende Bisschap. Zij dienen onbaatzuchtig en doeltreffend. Ik spreek diezelfde waardering uit voor de vrouwen en mannen die een functie vervullen in de algemene presidiums en besturen van de hulporganisaties.

Wat zijn wij gezegend met het herstelde evangelie van Jezus Christus. Het geeft antwoord op vragen over waar we vandaan zijn gekomen, waarom we hier zijn, en waar we heengaan na dit leven. Het geeft ons leven zin en richting en hoop.

Wij leven in een roerige wereld, een wereld vol moeilijkheden. Wij zijn hier op aarde om onze individuele moeilijkheden zo goed mogelijk aan te pakken, ervan te leren en ze te overwinnen. We moeten volharden tot het einde, want ons doel is het eeuwige leven in de tegenwoordigheid van onze Vader in de hemel. Hij heeft ons lief en wil alleen maar dat wij erin slagen om dat doel te bereiken. Hij zal ons helpen en ons zegenen als wij Hem aanroepen in onze gebeden, als we zijn woorden bestuderen en zijn geboden gehoorzamen. Daarin schuilt veiligheid; daarin schuilt gemoedsrust.

Moge God u zegenen, broeders en zusters. Ik dank u voor de gebeden die u uitspreekt voor mij en voor alle andere algemene autoriteiten. Wij zijn u erg dankbaar voor al wat u doet om het koninkrijk Gods op aarde voort te stuwen.

Mogen de zegeningen des hemels op u rusten. Moge uw thuis vervuld zijn van liefde, hoffelijkheid en de Geest van de Heer. Moge u voortdurend uw getuigenis van het evangelie voeden, opdat het u zal beschermen tegen de slagen van Satan.

De conferentie is nu voorbij. Mogen wij in veiligheid naar onze woning terugkeren. Moge de Geest die wij hier hebben gevoeld bij ons blijven als wij heengaan om onze dagelijkse bezigheden uit te oefenen. Mogen wij vriendelijker voor elkaar zijn; mogen wij altijd het werk van de Heer doen.

Ik heb u lief; ik bid voor u. Ik neem nu afscheid van u, tot wij elkaar over een half jaar weer zien. In de naam van onze Heer en Heiland, namelijk Jezus Christus. Amen.